Op 20 januari 2009 hield de wereld de adem in toen Barack Obama fier en breed glimlachend het podium voor het Capitool in Washington op stapte. Met zijn ene hand op de bijbel en zijn andere hand in de lucht werd hij even later geïnaugureerd als de eerste zwarte president van Amerika.

Waarom je slechter af bent met een sterke leider

Een ‘sterke’ leider is goed voor een land, wordt zo’n beetje overal ter wereld gedacht. Maar d...

Lees verder

De zwarte gemeenschap was diep geroerd. Dominee Jesse Jackson had tranen in zijn ogen, en op het gezicht van Oprah Winfrey kon je lezen hoezeer ze had verlangd naar deze dag. Mensen lachten uitbundig, er waren er die huilden van geluk, anderen maakten een rondedansje op straat.

Onderzoekers van drie Amerikaanse universiteiten deden op die historische dag een bijzonder onderzoek: ze lieten blanken en zwarten een test maken waarmee hun academisch werk- en denkniveau werd gemeten. Doorgaans scoren zwarten in Amerika ongeveer 20 procent lager op dit soort tests, maar nu waren de onderzoekers verrast toen ze de resultaten zagen.

Voor het eerst in de geschiedenis haalden zwarte Amerikanen even hoge testcijfers als hun blanke landgenoten. Professor Ray Friedman van de Vanderbilt University in Nashville die het onderzoek leidde, doopte dit ‘het Obama-effect’: volgens hem had Obama’s hoopvolle voorbeeld zwarte Amerikanen geholpen zich niet langer minderwaardig te voelen – en juist daardoor hadden ze zich voorheen minder competent gewaand, en dus lager gescoord op capaciteitentests. Volgens Friedman bleek hiermee hoe belangrijk het is om een inspirerende held als rolmodel te hebben.

Lief én stoer

Het hebben van een held is een behoefte die diep in ons verankerd ligt. Volgens de bekende Canadese psycholoog Albert Bandura zijn mensen supersociale wezens die voortdurend naar elkaar kijken om dingen van elkaar te kunnen leren. Sterker, bijna al onze gedragingen leren we alleen maar door anderen te observeren, stelt Bandura. Daar hebben we dus onze helden voor nodig: zij laten ons zien hoe we de dingen kunnen leren die zij al goed beheersen.

Gedurende onze jeugd en jonge volwassenheid, wanneer we nog veel moeten leren, hebben we helden het hardst nodig. Onderzoek wijst uit dat 20 de leeftijd is waarop we het meest aan onze helden hangen, maar de heldenverering begint al op heel jonge leeftijd. Zo was ik als kleuter bijvoorbeeld idolaat van Big Jim, een popje uit de jaren zeventig en tachtig.

Big Jim was veel stoerder dan Ken, die sullige vriend van Barbie. Big Jim had een goddelijk lijf en kon werkelijk alles. Net als James Bond was hij geheim agent en overwon hij met gemak de grootste obstakels. Hij beklom bergen, stond op waterski’s achter de snelste turbospeedboten, steeg in een flitsend ruimtepak op naar de maan, én hij kon karate – met een knopje achter op zijn rug kon je hem met zijn rechterarm planken doormidden laten slaan. Daarnaast was hij de liefste én stoerste man van de hele wereld, want hij redde alle mensen in nood en zou nooit als eerste beginnen met vechten.

Droomberoep

Kleine kinderen blijken vaak zo’n stereotiepe Big Jim-achtige eerste held te kiezen, constateert de Canadese onderwijzeres en onderzoekster Mary Bonneville. Op een aantal kleuter-, basis- en middelbare scholen bij haar in de regio deed zij onderzoek naar wie de helden van kinderen waren.

Ze ontdekte dat voor een kleuter iemand al een held is als hij maar sterk en behulpzaam is. Helden als Spiderman en Mega Mindy doen het dan ook goed bij de kleintjes. Als ze iets ouder zijn, gaan kinderen hun held meer gebruiken voor het vormen van een eigen identiteit, ontdekte Bonneville.

Kinderen kiezen dan vooral helden die een beroep hebben waar ze zelf ook van dromen, zoals brandweerman, onderwijzer of verpleger. Later, als tiener, blijken ze meer te vallen op popsterren en topsporters, en kiezen ze soms ook hun ouders als rolmodel; helden worden dan niet meer zozeer uitverkoren tot held omdat ze één of twee goede eigenschappen of een bepaald beroep hebben, maar juist vanwege allerlei specifieke persoonlijke eigenschappen en prestaties.

Niet zo vreemd dus dat ik op mijn zevende uitgekeken raakte op de eendimensionale Big Jim. Ik stapte over op ABBA, om hen op mijn dertiende in te ruilen voor actrice Meryl Streep. Zo herinner ik me nog goed dat ik een mooie foto van Streep inlijstte en boven mijn bureau hing. Als ik naar die foto keek, mijmerde ik over de enorme toewijding waarmee ze zoveel succes boekte, en ook over haar gevoeligheid, perfectionisme en onafhankelijkheid: dat vond ik mooie, hoogstaande eigenschappen die ik zelf ook wilde hebben.

Volgens onderzoekster Bonneville vormen we als tiener een genuanceerder beeld dan kinderen van wat belangrijk is in het leven, waardoor we meer oog krijgen voor de prestaties die onze held neerzet, en ook voor de waarden die hij of zij vertegenwoordigt. Voor kleine kinderen is een zanger al een held omdat hij een zanger is, als tiener aanbid je Madonna omdat ze exact die combinatie van eigenschappen heeft waarin je gelooft: doorzettingsvermogen, lef, zakelijk succes en creatieve vernieuwing.

Als het goed is, heb ik dus veel te danken aan Meryl Streep, want behalve uit het Obama-effect blijkt ook uit allerlei ander onderzoek dat we beter gaan presteren en meer bereiken door een held te hebben. Zo ontdekten Amerikaanse psychologen bijvoorbeeld dat studenten die een leraar als held hadden, meer gefocust, onafhankelijker en leergieriger waren, meer geloof hadden in eigen kunnen en succesvoller in hun studie waren dan degenen die helemaal geen held hadden. Een held is dus iemand aan wie we ons kunnen optrekken. Hij of zij geeft ons het gevoel dat we daadwerkelijk de doelen kunnen bereiken waarnaar we streven.

‘Helden zijn er om ons te inspireren en kunnen ons zo een goed gevoel over onszelf geven,’ zegt psychologe Saskia Schwinghammer, die aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveerde op onderzoek naar sociale vergelijking. Volgens haar hebben helden een voorbeeldfunctie voor anderen.

‘Wij mensen gebruiken voortdurend anderen om ons zelfbeeld te kunnen vormen. We vinden het prettig om te weten hoe goed we ergens precies in zijn: hoe sociaal vaardig zijn we, hoe mooi, hoe hulpvaardig? Daar zijn doorgaans geen vaste standaarden voor. De enige manier om daar achter te komen, is jezelf te vergelijken met anderen.’

Toch is het uitkijken geblazen met heldenverering, waarschuwt onderzoekster Schwinghammer. ‘Je moet oppassen dat je niet een te extreem rolmodel kiest. Mensen die zichzelf vergelijken met een succesvol persoon die te weinig op hen lijkt of waar ze zichzelf niet in herkennen, lopen namelijk het risico sneller gedemotiveerd te raken omdat ze eerder gaan denken dat ze zelf toch nooit hetzelfde niveau zullen kunnen bereiken.’

Spontane aantrekkingskracht

Was mijn Oscarwinnende Meryl Streep achteraf gezien dan veel te hoog gegrepen? En hoe zit het met een held als Obama? Vrijwel niemand kan toch zo succesvol worden als hij? Is Obama als held niet juist een recept voor frustratie? Nee, zegt Schwinghammer, een extreem rolmodel hoeft niet verkeerd uit te pakken.

‘Het belangrijkste is met welk achterliggend idee we onze held kiezen,’ zegt Schwinghammer. ‘Neem bijvoorbeeld onze Nederlandse held Sven Kramer. Vergelijk je jezelf met hem omdat je iets wilt leren, bijvoorbeeld hoe je moet doorzetten na tegenslag? Dan is hij een prima voorbeeld, want hij werkt inspirerend en motiverend.

Maar als je jezelf qua prestaties naast Kramer plaatst, dus jezelf met hem vergelijkt om na te gaan hoe goed jij zelf bent, dan benadruk je juist het contrast tussen hem en jou. De kans dat je zelf vier keer wereldkampioen schaatsen wordt en een gouden medaille wint op de Olympische Spelen, is immers erg klein. Wie zichzelf te veel op die manier vergelijkt, zal zich slechter gaan voelen, en juist minder gemotiveerd raken. Pas dus op met welk motief je je held kiest.’

Psychologe Hinke Groothof, net als Schwinghammer gepromoveerd op onderzoek naar sociale vergelijking, is het met haar collega eens. ‘De manier waarop we naar onze helden kijken, bepaalt inderdaad het effect dat ze op ons hebben,’ zegt ze. Groothofs onderzoek toont aan dat mensen nogal kunnen verschillen in hoe ze hun helden zien.

‘Je hebt mensen die vooral gevoelsmatig reageren: ze zien iemand die iets heeft wat ze zelf niet hebben, en voelen zich spontaan aangetrokken tot die persoon, zonder daar verder veel over na te denken. Met andere woorden: ze identificeren zich met hun held. Maar je hebt ook de denkers onder ons. Zij vergelijken zichzelf op allerlei punten met hun held, en gaan uitgebreid analyseren wat de verschillen zijn tussen henzelf en hun held.’

Deze tweede groep moet oppassen, waarschuwt Groothof. ‘Als je die mensen hun gang laat gaan, richten ze zich te veel op de dingen waar ze zelf minder goed in zijn dan hun held.’ Wie dus gaat zitten bedenken dat Madonna al twintig jaar hits scoort, een privéjet heeft en een staf van dertig man, krijgt geheid een slechter gevoel over zichzelf: dat kun je never-nooit-niet bereiken.

Gelukkig is er volgens Groothof hoop voor de mensen die zichzelf te veel vergelijken met hun held. ‘Tijdens mijn onderzoek kon ik ze op andere gedachten te brengen. Als ik ze de instructie gaf zich te identificeren in plaats van zichzelf te vergelijken met iemand tegen wie ze opkeken, dan gingen ze zich vanzelf al een stuk beter voelen en raakten ze meer geïnspireerd door die persoon.’

Hoe zorg je er dan voor dat je je vooral identificeert met je held? ‘Focus op wat je gemeenschappelijk hebt met je held,’ adviseert Groothof. ‘En neem gewoon aan dat je held net zo menselijk is als jij. Dan kom je veel dichter bij je held, en kun je je makkelijker aan hem of haar optrekken.’

Zelfs een kleine overeenkomst met onze held kan ons al een beter gevoel geven over onszelf en een inspirerend effect op ons hebben. ‘Op dezelfde dag jarig zijn als je held, of dezelfde kastanjebruine haarkleur hebben, is al voldoende,’ zegt Saskia Schwinghammer. ‘In de psychologie noemen we dit fenomeen shared distinctiveness: het met je held delen van een specifieke eigenschap.’

Ze verwijst naar de groep Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond, die vaak rolmodellen blijken te kiezen uit hun eigen gemeenschap. ‘Het feit dat hun helden dezelfde nationaliteit hebben als zijzelf, geeft hun al een goed gevoel over zichzelf. Zouden ze in Marokko wonen, dan treedt dit stimulerende effect waarschijnlijk niet op omdat ze daar dezelfde nationaliteit hebben als iedereen.’

Het is misschien niet eens zo’n gek idee om je helden dicht bij huis te kiezen. Helden hoeven niet altijd de superbe Spidermannen, Mega Mindy’s, Sven Kramers, Gandhi’s, Obama’s, Mandela’s en Madonna’s te zijn. Uit Amerikaans onderzoek blijkt zelfs dat ruim eenderde van de mensen een familielid als held heeft, meestal een vader of een moeder.

Zo’n huis-tuin-en-keukenheld is misschien zelfs wel te prefereren, want hoe dichterbij onze held zich bevindt, des te groter is de kans dat zo iemand ons een positief gevoel bezorgt. Saskia Schwinghammer: ‘Dat komt doordat je met die mensen het meest gemeen hebt. Hoe meer je met je held gemeen hebt, hoe meer hij of zij je zal inspireren.’

Je eigen heldengallerij

Onze helden vertellen veel over wie we willen zijn. Stel jezelf de volgende vragen.

  • Wie was je idool in je tienertijd? En wie bewonder je vandaag de dag?
  • Zijn er overeenkomsten tussen je helden? Wat vertellen ze je over je waarden in verschillende levensfasen?
  • Bekijk je antwoorden op de vorige vragen nog een keer. Koos je je helden op gevoel, of vanwege allerlei specifieke eigenschappen? Op gevoel kiezen is gunstiger, ontdekten psychologen: dan richt je je namelijk vooral op de overeenkomsten met je rolmodel, en dat levert positieve gevoelens op. Mensen die op rationele gronden kiezen, gaan automatisch focussen op de verschillen – en dat is eerder demotiverend dan inspirerend.
  • Viel je voor je held vanwege zijn/haar prestaties, of vanwege de dingen die je wilde leren? De inspirerende kracht van rolmodellen zit ‘m vooral in het laatste, blijkt uit onderzoek. Focussen op prestaties kan intimiderend werken.
  • Zag je overeenkomsten tussen jezelf en je held? Dat is mooi, want uit onderzoek blijkt dat hoe meer we gemeen hebben met onze held, hoe sterker we ons laten inspireren.

Marcel (17): ‘Usain Bolt is de snelste en hij is ook erg grappig’

‘De Jamaicaanse sprinter Usain Bolt is mijn held. Tijdens de wereldkampioenschappen atletiek vorig jaar liep hij de 100 meter in 9,58 seconden en de 200 meter in 19,19 seconden. Dat is enorm snel. En daarmee verbrak hij zijn eigen wereldrecords.

Zelf zit ik ook op atletiek en sprinten is mijn favoriete onderdeel. Het verbaast me altijd weer hoe snel Usain Bolt loopt. Zo voor alle anderen uit rennen geeft een kick – dat gevoel ken ik een beetje, want vroeger op school was ik altijd al de snelste. Ook vind ik hem erg grappig. Na een wedstrijd danste hij eens met een veldmascotte en hij haalt geintjes uit met de pers.

Zelf maak ik ook vaak dat soort grappen. Ik probeer de looptechniek van hem af te kijken. Hij begint met wat kleinere passen, om vervolgens enorme stappen te nemen. Ook eindigt hij met zijn borst vooruit, want dat scheelt al gauw eentiende seconde.

Vorig jaar heb ik meegedaan aan de Nederlandse Kampioenschappen op de 400 meter en werd vijftiende. Ik zou graag zo snel zijn als Usain Bolt, maar voor mij blijft atletiek een hobby. Ik zou niet steeds willen letten op wat ik eet en zo fanatiek willen trainen.’

Rozemarijn (5): ‘Later wordt ik Mega Mindy en dan ga ik ook boeven vangen’

‘Mega Mindy is stoer. Ze kan vliegen met een cape. Haar pak is roze en dat is mijn lievelingskleur. Ze is verliefd op Toby. Ik ben ook verliefd, op Nathan, een jongen uit mijn klas, maar hij is niet verliefd op mij. Mega Mindy weet alles – ook waar boeven zijn.

Dat komt door een machine die haar opa heeft gemaakt. Eerst had ik mijn Mega Mindy-pak elke dag aan, maar het mocht niet meer van de juf. Mijn haar wil ik altijd los, net als Mega Mindy. Ik heb films van Mega Mindy, puzzels, een vriendenboekje, een kussen, een hemd en een onderbroek. Ook heb ik een jas van haar.

De liedjes van Mega Mindy vind ik leuk; ik kan ze bijna allemaal zingen. Later wil ik Mega Mindy worden en dan ga ik ook boeven vangen. Dat vind ik niet eng. Ze vangt ze met een touw – op het schoolplein heb ik weleens geoefend om zo te slingeren met een touw.

Ik speel vaak Mega Mindy met een vriendinnetje, want zij heeft ook een pak met cape. Mega Mindy doet allerlei kunstjes. De koprol kan ik al, maar niet zoals zij het doet. Een handstand kan ik nog niet, maar ik ga op turnen en dan leer ik dat ook.’

Suzanne (37): ‘Martin Bril geeft me het gevoel dat ik erbij ben’

‘Hoe Martin Bril in zijn columns een situatie kon schetsen vind ik geweldig. Hij beschreef gedetailleerd wat hij zag, zonder commentaar. Tijdens het lezen voel je ontroering, treurigheid of opwinding. Met een collega ben ik bezig aan een boek over zijn werk.

Zelf schrijf ik ook columns en kinderboeken, en binnenkort komt een boek uit op basis van mijn eigen columns. Martin Bril inspireert me om met weinig woorden veel te zeggen. Zo’n zes jaar geleden merkte ik dat ik in de Volkskrant als eerste naar Brils column bladerde. Het werd voor mij een vast momentje van rust. In die periode kreeg ik mijn dochtertje. Ik was gewend om veel alleen te reizen, maar dat kon vanaf toen niet meer.

Via de columns van Martin Bril kon ik weer even in een vreemde omgeving toeschouwer zijn, want hij geeft het gevoel dat je erbij bent. Steeds vaker kocht ik een bundel van hem. Pas toen hij vaak als tafelgast aanschoof bij De Wereld Draait Door zag ik de persoon achter de teksten. Hij was een actieve toeschouwer en stelde scherpe vragen. Dat hij overleed was raar, ook al wist ik dat hij ziek was. Ik had graag meer van hem gelezen.’

Henk (55): ‘Mijn vader inspireert me om iets moois van mijn leven te maken’

‘Mijn vader is mijn held. Hij overleed onverwacht aan een hartinfarct toen ik 14 was. Dat was onwerkelijk. In de eerste periode kon ik het niet geloven, maar uiteindelijk heb ik ermee leren leven. Het was een stevige man die van aanpakken wist. Eerlijkheid vond hij belangrijk en hij ging een conflict niet uit de weg.

Hij was intelligent, maar hij heeft nooit de kans gekregen om te studeren. Daarom stimuleerde hij me om hard te leren en zo ging ik op jonge leeftijd naar de universiteit. Geregeld vraag ik me af hoe mijn vader iets zou hebben aangepakt, bijvoorbeeld bij de opvoeding van mijn eigen kinderen.

Ik probeer mijn kinderen te stimuleren om veel te ondernemen en om zich goed te ontwikkelen. In vergaderingen op mijn werk stel ik kritische, prikkelende vragen, zoals mijn vader dat zou hebben gedaan. Omdat ik hem niet lang heb gekend, is mijn beeld van mijn vader misschien gekleurd.

Maar of het beeld nu klopt of niet, in elk geval inspireert het me om wat moois van mijn leven te maken en om zoveel mogelijk mezelf te zijn.’