‘Ik hoop dat mijn kinderen de traditie voortzetten’

Elisabeth Adriaanse-Visser (67) bewaart een honderd jaar oude doopjurk waarin inmiddels vier generaties zijn gedoopt. Haar dochter Wilma Getrouw (43, rechts op de foto) vertelt:

‘Eigenlijk was ik vergeten dat die jurk bij mijn moeder in de kast lag. Pas toen mijn oudste geboren was, kwam ze er voorzichtig mee voor de dag. Ze had me ook al mijn oude wiegje aangeboden, maar dat had ik afgeslagen, ik wilde liever iets nieuws kopen. Daarom was ze extra benieuwd of ik de jurk wel wilde gebruiken. Nou, daar hoefde ik geen seconde over na te denken. Ik vind hem prachtig.’

‘De jurk is gemaakt door de zus van mijn overgrootmoeder. De eerste drager was de broer van mijn opa. Vervolgens heeft mijn opa hem aangehad, zijn zus en twee jongere broertjes. Mijn moeder is enig kind, maar uit haar generatie zijn vier neven en nichten in deze jurk gedoopt. De teller staat nu op vijftien familieleden.

Over de vraag of ik mijn drie kinderen wilde laten dopen, hoefde ik niet lang na te denken. Het was voor mij heel vanzelfsprekend. Mijn hele familie is gedoopt.

Het was mooi om mijn kinderen te zien in

de doopjurk die mijn zus en ik, mijn moeder en mijn opa ook gedragen hebben. Mijn moeder heeft hem elke keer helemaal opgeknapt, zodat hij er piekfijn uitzag.

Aan de doop van de tweede zat helaas een schaduwzijde omdat twee maanden daarvoor mijn zus was overleden aan de gevolgen van kanker. Aan de ene kant vier je een nieuw leven, aan de andere kant heb je dat verdriet. Maar ondanks dat dubbele gevoel wilde ik de doop wel laten doorgaan.

Ik zou het fijn vinden als mijn kinderen de traditie later voortzetten. Tot die tijd ligt de doopjurk netjes in het plastic, in een doos onder in de linnenkast bij mijn moeder.

Binnenkort vraag ik haar hoe ze hem altijd zo mooi opgesteven krijgt. Dan kan ik dat in de toekomst voor mijn kleinkinderen doen. Net zoals zij dat voor die van haar heeft gedaan.’

‘Mijn jongste zoon wil ze later allemaal’

Journaliste en familieverhalenschrijfster Sigrid van Iersel (45, rechts op de foto) heeft een collectie koffiekopjes van overleden dierbaren.

‘Het is begonnen met het overlijden van oma Jaantje, de grootmoeder van mijn man. Een bijzondere vrouw: net voor de oorlog verloor ze haar man terwijl hun jongste kind nog geboren moest worden. Ze heeft in haar eentje acht kinderen grootgebracht, maar werd daarbij gelukkig geholpen door de familie. Die kwam op zondag altijd koffiedrinken bij haar. Ze haalde er speciaal het zondagse servies voor uit de kast.’

‘Toen haar kinderen zelf kinderen kregen, bleef het koffiedrinken op zondagmiddag traditie. Willem, mijn man, heeft goede herinneringen aan die middagen. Toen ze overleed, kregen haar kleinkinderen een kop en schotel – een idee van Willems moeder. Hij kreeg dat kopje mee toen hij met mij ging samenwonen. Ik had er wel wat mee, ik vond het een mooi idee dat hij een tastbare herinnering had aan de zondagmiddagen bij zijn oma.

Toen mijn eigen oma overleed, heb ik mijn ouders om een koffiekopje van haar gevraagd. Ze had heel kitscherige kopjes met een gouden randje. “Wil je een bakske?” vroeg ze altijd. Ze heeft me leren koffiedrinken toen ik tien was, de kleinkinderen moesten daar wat haar betreft gewoon aan meedoen. Ze gaf het ons met veel koffiemelk en suiker omdat ze dacht dat we het dan wel zouden lusten. Dat vond ik toen wel lekker, maar later ben ik het juist erg vies gaan vinden.

Inmiddels zijn ook mijn ouders overleden. Nu hebben mijn zonen, en de kinderen van mijn broer, een koffiekopje gekregen. Het staat bij ons in een vitrinekast, samen met de andere kopjes. We gebruiken ze niet, we drinken liever uit mokken. En we zijn bang dat ze stukgaan. Het zijn mooie herinneringen aan de wekelijkse traditie om samen te komen en koffie te drinken. Mijn jongste zoon vindt dat jammer, die vindt kop en schotels “veel echter”. En veel leuker om te erven. Hij wil ze later allemaal hebben.’

‘Er heeft nog nooit iemand afgezegd’

Loes Schimmelpennink (68, midden op de foto, met baby op schoot) heeft een kledingzaak in Amsterdam en organiseert jaarlijks een bal voor haar familie.

‘Mijn kleindochter was intens verdrietig toen haar ouders gingen scheiden. Als ze weer eens aan het snikken was, trok ik haar een prinsessenjurk aan. En dan was ze weer blij. “Goh, laten we een bal houden,” zei ik op een gegeven moment. Ik verzamelde wat kronen, maakte simpele rokken met sjaals over de schouder voor de vrouwen, lange hemdblouses voor de mannen, en nodigde wat mensen uit. Mijn kleindochter vond het geweldig. Ze was toen 4; dat is nu elf jaar geleden. Toen ze wat ouder werd, gingen we het serieuzer aanpakken. Zij mocht de kostuums ontwerpen en ik maakte ze. Op de foto staat ze rechts, in een roze-paarse jurk.

Waren we in eerste instantie maar met een handjevol mensen, het aankomende bal zijn we al met z’n vierentwintigen. Omdat het een hele klus is om nieuwe kostuums te maken en de accessoires bij elkaar te sprokkelen, kunnen er elk jaar maar twee mensen bij komen.

‘Van mijn broers en zussen dacht ik dat ze nooit zouden meedoen aan zo’n verkleedpartij. Maar ze vinden het enig als ze worden uitgenodigd, we hebben nog nooit een afzegging gehad.

Als de genodigden bij mijn huis aankomen, worden ze ontvangen door een dienstertje en moeten ze een wachtwoord geven, anders komen ze er niet in. Vervolgens dineren we met z’n allen terwijl we middeleeuwse gedichten voordragen en liederen zingen bij een lier. Daarna begint het bal. We doen een aantal dansjes die we hebben afgekeken van films die zich afspelen in de middeleeuwen, en walsen op de muziek van oude langspeelplaten. Er wordt veel gelachen. Mijn broer is de koning. Als hij lacht, roept mijn kleindochter “De koning lacht” en dan lacht iedereen mee. Iedereen heeft zijn eigen, niet-ingestudeerde rol. Dat vind ik het bijzondere: mensen komen binnen in spijkerbroek, maar als ze zich verkleed hebben, zijn ze ook echt die graaf, barones of hertogin.

Inmiddels is mijn kleindochter vijftien. Vorig jaar was ze hevig aan het puberen en wilde ze niet meer meedoen. Ze had zoiets van “Wat heb ik toch een rare familie”. Gelukkig is die fase inmiddels voorbij.

Natuurlijk kan ik niet vanuit mijn graf regeren, maar ik zou het erg jammer vinden als deze traditie stopt. Wat mij betreft groeien we door tot alle kinderen van mijn broers en zussen meedoen en houden we het bal op den duur in een echt kasteel.’

Een traditie is net een ‘pincode’: uniek voor deze familie

Ruim 80 procent van de mensen brengt de kerstdagen door met familie. Zo’n traditioneel kerstfeest heeft veel voordelen, stelt familietherapeute Else-Marie van den Eerenbeemt: ‘Het benadrukt de saamhorigheid. En dat is wat iedereen uiteindelijk graag wil: ergens bij horen.’

Het heeft echter ook een schaduwzijde. Drie jaar geleden bleek uit onderzoek van Psychologie Magazine dat de kerstdagen tot veel stress leiden. Bijna 20 procent van de mensen ziet er zelfs tegenop.

Toch bevalt het tegenovergestelde – een familie zonder enige tradities – de meeste mensen evenmin. Van den Eerenbeemt: ‘Ik spreek veel kinderen van gescheiden ouders. Die vertellen allemaal hoe verschrikkelijk ze het vinden dat met de echtscheiding ook alle tradities verloren zijn gegaan. Ook bij het overlijden van ouders hebben mensen last van het wegvallen van rituelen. Want bij vader of moeder kwamen ze nog geregeld bij elkaar. Hoe moet dat nu ze er niet meer zijn? Regelmatig worden er vanaf dat moment zussendagen ingelast, of besluiten broers elk jaar een weekend samen de bergen in te gaan. Er wordt echt gezocht naar nieuwe tradities. Blijkbaar kunnen we niet zonder.’

Van den Eerenbeemt noemt een familietraditie ook wel de ‘pincode’ van een familie. ‘Het is iets wat uniek bij een bepaalde familie hoort. Het geeft samenhang én continuïteit, omdat het doorgaat in de volgende generatie. En dat vinden mensen een prettige gedachte: dat een familie niet ophoudt te bestaan. Maar soms zit de traditie zo vast dat niemand er vraagtekens bij durft te plaatsen. Als een broer ineens zegt dat hij niet meer op de jaarlijkse familiedag komt, is hij een spelbreker. Zo’n mededeling wordt als pijnlijk en bedreigend ervaren.’

Ook al heb je er geen zin in, meestal kun je je er nog wel toe zetten om naar het jaarlijkse familiefeest te gaan. En met het erven van een koffiekopje, hoe lelijk ook, hebben de meeste mensen evenmin moeite. Maar als het om belangrijke keuzes gaat, kan een familietraditie wel degelijk zwaar drukken. Wat bijvoorbeeld als het al acht generaties lang traditie is om de oudste zoon Jan te noemen, en jij of je partner voelt daar niks voor?

‘Veel ouders voelen vernoeming als een erkenning voor wat ze hebben gedaan en zijn teleurgesteld als hun kleinkind niet naar hen wordt vernoemd,’ zegt Van den Eerenbeemt hierover. ‘Toch is het voor kinderen vaak gissen hoe hun ouders tegenover vernoemen staan. Doordat het zo gevoelig ligt, wordt er weinig écht over gesproken. Het kan dus zijn dat iemand denkt: “Ik moet mijn zoon Karel noemen, anders stort mijn vader in.” Terwijl de vader in werkelijkheid vindt dat zijn zoon vrij moet zijn in de naamgeving.’

Mensen vinden het vaak zÓ moeilijk om openlijk afstand te nemen van familietradities, dat ze er zich met een smoes van afmaken. Van den Eerenbeemt: ‘Ik sprak een vrouw die niet durfde te vertellen dat ze andere plannen had met Kerst en die haar ouders op Kerstavond belde met het verhaal dat ze ziek op bed lag. In werkelijkheid zat ze met een vriendin op Terschelling.’

Vroeger vertrokken mensen die onder het juk van familietradities uit wilden, zelfs wel naar Nieuw-Zeeland of Canada, weet Van den Eerenbeemt. ‘Een student van mij heeft eens onderzocht wie de mensen waren die emigreerden. Vaak was dat het zwarte schaap van de familie, degene die niet wilde studeren of niet wilde meegaan in het geloof.’

Zo radicaal zullen de meeste mensen niet willen breken met familietradities. Een bestaande traditie veranderen is doorgaans makkelijker. Voor iedereen die dat wil, heeft Van den Eerenbeemt een tip: ‘Bied gelijk iets nieuws aan. Zeg bijvoorbeeld: “Laten we het kerstdiner dit jaar overslaan en met z’n allen een groot huis huren aan het strand.” Of: “We geven ons kind een andere voornaam, maar vernoemen het wel in de tweede of derde naam.” Soms is iedereen daar blij mee.’[/wpgpremiumcontent]