Broers

Met drie oudere broers ben ik de jongste en een meisje. Ah, knikten mensen altijd veelzeggend. En ik begreep lang niet waarom ze zo reageerden. Ik wist niet beter, maar natuurlijk kreeg ik meer aandacht en werd ik heel erg beschermd. Door vooral mijn vader en de jongens, soms tot vervelens aan toe.

Ik had een hechte band met mijn broers. Ze bezorgden mijn ouders grijze haren, maar ze namen mij veel in vertrouwen en hoewel ze me dan altijd op het hart drukten het geheim te houden (en echt zoals broers dat kunnen doen: een beetje intimiderend), waren mijn lippen sowieso verzegeld. Ik keek tegen ze op.

Met drie broers word je zelf ook een halve jongen. Ik was een durfal, een waaghals, had een grote mond en liep als een kleine bouwvakker. Rond mijn 13de probeerde ik op hakken te lopen, mascara te gebruiken en mijn wenkbrauwen te epileren. Het werd niets.

Ik deed veel met mijn broers. Ik kan me de eindeloze potjes monopoly nog herinneren tijdens schoolvakanties en de winterdagen, schaatsend in de polder met mijn lievelingsbroer. Want die had ik natuurlijk, een lievelingsbroer. Eentje die zich altijd over me ontfermde, het altijd voor me opnam tijdens onderlinge ruzies. Die me leerde tekenen en meenam op zijn zelfgemaakte skelter.

Met de oudste had ik vaak diepzinnige gesprekken en filosofeerden we over het leven. Hij was zwaar hartpatiënt en we waren elkanders praatpaal in de tijd dat ik op de middelbare school zat en hij met zijn Wajong-uitkering thuis. Onze ouders werkten allebei en dan was het toch fijn iemand thuis te treffen als je uit school kwam.

Mijn jongste broer was zogenaamd onhandelbaar en werd al vroeg uit huis geplaatst. Met tussenpozen hadden we contact. Als hij geld nodig had of een slaapplek, stond hij voor mijn deur. Dan hielp ik hem. Het was toch mijn broer.

Mijn broers waren mijn grote voorbeeld, maar ik denk dat ik niet gewoon hun kleine zusje was. Ze namen me altijd in vertrouwen, vroegen advies of bevestiging en kwamen in nood altijd naar mij. Ik luisterde, oordeelde niet en hielp ze waar ik kon. Uiteindelijk viel er niet veel meer te helpen. Sommige zaken gaan boven je pet en dan moet je kunnen loslaten.

Twee broers vergooiden hun leven aan de drugs, de oudste overleed er indirect aan en met de jongste heb ik al jaren geen contact meer. Gelukkig is daar, na wat omzwervingen nog wel ‘lievelingsbroer’. We hebben een goed en regelmatig contact. Helpen elkaar en leren nog van elkaar. En gelukkig kunnen we zelfs om de meest trieste jeugdherinneringen nog ontzettend lachen.

Geen uitzinnige dalen in mijn leven. Misschien ben ik juist voorzichtiger geworden en handel ik doordachter door wat ik om me heen zag gebeuren. Ik ben de jongste, maar wel de verstandigste gebleken.

Simone Simons

Anders

‘Ik zie geen tranen, geen emotie, niks!,’ zegt mijn moeder. Ver voor ons gooien haar vier kleinkinderen met bladeren. Ze rennen gillend op hun kaplaarzen door de modder. Mijn zus loopt tussen ons in. Het gesprek met mijn moeder gaat voor haar langs, over haar hoofd en om haar heen.

Mijn moeder buigt een beetje voorover en kijkt me aan met zo’n priemende, woedende blik dat ik verbaasd terugkijk. Haat, dat is wat ik zie. Als alle franje, alle decorum, alle ‘hoe het hoort’ wegvalt, dan zie ik haat in die blauwe ogen. Mijn verbazing maakt plaats voor opluchting. Eindelijk komt haar ware aard naar boven. Alles wat ik altijd al aanvoelde, vermoedde, tussen de regels door hoorde, het klopte dus wel.

Mijn moeder is woedend op mij. Altijd al geweest. Ze verwijt me dat ik als peuter nooit bij haar op schoot wilde. Hoe kun je dat een kind verwijten? Ze verwijt me ook dat ik haar niet omhels en knuffel zoals de kinderen van haar vriendinnen doen bij hun moeders. Ze heeft het me niet voorgeleefd. Ik ben nooit omhelsd of geknuffeld. Mijn moeder, die met me had willen winkelen en tutten en fröbelen met droogbloemen. Ik ben tenslotte haar dochter, ik lijk op haar, ik kan toch niet anders zijn?

Ik hoor dat mijn stem trilt als hij weerkaatst tegen de boomstammen. ‘Jij wilde zo graag dat ik hierheen kwam met de kinderen,’ probeer ik kalm te klinken. ‘Het was niet mijn weekend, ze waren bij hun vader maar het is toch gelukt. Voor jou heb ik net staan blauwbekken toen jullie tussen de dode bladeren de plek zochten waar papa is uitgestrooid en…’

Mijn moeder onderbreekt me en roept: ‘Ik merkte gewoon dat het je niet raakte!’ Ik voel mijn hart bonken, mijn schouders samentrekken en ik krijg jeuk op mijn kruin. ‘Mam,’ zeg ik, langzamer dan normaal, ‘meer kan ik je niet bieden.’ ‘Maar je bent altijd zo kil!’ Weer die intens woedende blik.

Mijn zus, die langzamer is gaan lopen, doet een stap naar voren. ‘Je kunt iemand toch niet dwingen om iets te voelen, om anders te zijn dan ze is?,’ zegt ze tegen mijn moeder. Mijn moeder snuift. ‘Zoveel kilte! Op deze plek verwacht je toch minstens een arm om je heen.’

Uit mijn ooghoeken zie ik dat mijn zusje schutterig en gehoorzaam een arm om mijn moeders schouders legt. Mijn lieve zusje. Voor het eerst in ons leven heeft ze het zojuist voor me opgenomen. Een stap in de richting van mogen zijn wie ik ben, ook al ben ik al ver in de veertig. Ik voel me opeens licht en opgeruimd. Als ik een sprintje trek naar de kinderen krijg ik de volle laag herfstbladeren. Ik spreid mijn armen, gooi mijn hoofd achterover en laat ontelbare tinten bruin op me neerdwarrelen. ‘Er is er niet één hetzelfde!,’ roep ik.

Iris

De vierde

Zomer 1960. Mijn vader trekt een streep in het zand, vlak voor mijn voeten. Een meter of tien terug wacht mijn vijf jaar oudere zus achter zo’n zelfde streep. Daar weer achter, als briesende paarden, mijn twee grote broers, respectievelijk tien en negen jaar ouder dan ik. Ze staan vlak bij elkaar, ook achter hun eigen streep.

De Noordzee ruist, de zon schijnt. Breed lachend sprint mijn vader met z’n sterke sportieve kuiten bij ons weg. Hij maakt een finishlijn. Zijn arm gaat de lucht in. ‘Een…twee…DRIE!’ roept hij. De arm zwiept omlaag.

Zes kinderen, waarvan ik de vierde ben. Drie broers, twee zussen. Een moeder die na elke zwangerschap hoopte dat ze ‘het lek boven water zou krijgen’, dat dit de laatste zou zijn. De twee oudsten schelen vijftien maanden, maar tussen de volgende vier zit steeds ongeveer vijf jaar.

Het lek openbaarde zich dus in een tamelijk evenwichtig patroon. De eerste twee zoons werden respectievelijk in en vlak na de oorlog geboren. De volgende was een dochter, in 1950. Het tij zat inmiddels mee. Er werd een mooie luxe kinderwagen aangeschaft.

Daarna kwam ik, gevolgd door nog een zus en nog een broer. Tussen de oudste en de jongste zat maar liefst twintig jaar. In die tijd was een gezin van die omvang al uitzonderlijk. Voorbehoedsmiddelen raakten geleidelijk in zwang, maar daar werd door mijn ouders weinig of geen gebruik van gemaakt. ‘Je vader had er wel tien gewild.’

Mijn moeder noemde mij liefkozend ‘een kleine zelfstandige’. Waarschijnlijk gaf ik nauwelijks problemen. Ik ruimde ongevraagd mijn kamer op, gaf weinig heisa aan tafel, deed het goed op school, was gehoorzaam. En lief.

Dat laatste zal vast en zeker ook weleens tegen me gezegd zijn: ‘Je bent lief.’ Lief zijn werd een doel op zich. Als je je moeder maar geen overlast bezorgde, want die had het druk en voelde zich beknot, werd aan huis gekluisterd door haar kroost, zag andere vrouwen zich maatschappelijk ontplooien en scheurde ooit uit pure drift over de uithuizigheid van mijn maatschappelijk succesvolle vader haar huishoudschort in tweeën. Wie heeft er trouwens tegenwoordig nog een huishoudschort?

‘Ik ben de liefste, hè mama?’ vroeg ik te pas en te onpas. Tot hilariteit maar ook ergernis van mijn broers en zussen. Ik was ervan overtuigd dat mijn grootste kwaliteit lag in het lief zijn, en hield stug vast aan die zelfbenoemde ereplaats in de rangorde der lieven. Zo onderscheidde ik me van al die ouderlijke aandacht opeisende concurrentie. Het is dodelijk vermoeiend om altijd lief te willen zijn. Vooral als er een eerzuchtige, pinnige, ambitieuze controlefreak in je schuilt.

Ik gil al meteen na de start. Ik ren, maar voel de onmacht in mijn beentjes. Vijf meter voor de finish laat ik me verzenuwd schaterlachend in het zand vallen. Mijn zus heeft me dan al ingehaald, en de twee broers werpen zich grommend zij aan zij over de finish.

De snelste ben ik niet. Maar wel de liefste. Ja toch, mama?

Martine Soeters-Wassenaar

Een gever

Hooguit 4 jaar ben ik. Een kleuter nog. Korte beentjes, kleine voetjes bungelend over de rand van onze bank. Op die kleine schoot het grote hoofd van mijn moeder. Haar tranen vallen in dikke druppels, haar mascara laat een gestreept patroon achter op mijn roze bloemetjesmaillot. Ik aai over haar donkere haren. ‘Rustig maar mama,’ is het enige wat ik weet uit te brengen. Ik blijf het herhalen, mijn kalmerende mantra. Even bang en onzeker als vastberaden.

Tien jaar later. Mijn klasgenoten staan te dansen op een schoolfeest. Ik zit thuis. Mijn moeder huilt dikke tranen. Oververmoeid maak ik aanstalten om naar bed te gaan. Het is bijna vier uur, midden in de nacht. Enkele uren later moet ik bij een klasgenootje een werkstuk in elkaar draaien. Ik sta op om naar bed te gaan. ‘Ja, laat jij me ook maar in de steek! Ik ben niet anders gewend.’ Met een lichte aarzeling en een zwaar geweten laat ik me binnen enkele seconden weer naast haar op de bank zakken, zodat ze haar betraande gezicht opnieuw tegen mijn schouder kan drukken.

Twintig jaar later. Ik schrik wakker van de deurbel. Het is ver na middernacht. Even hoop ik dat het Tom is. Dat hij spijt heeft van zijn beslissing om bij me weg te gaan. Dat hij inmiddels inziet dat wat hij ‘bedillerig en bemoeizuchtig’ noemde gewoon liefdevolle zorgzaamheid is. Maar ik weet wel beter. Ik weet hoe uitputtend hij het vond dat ik bleef geven, geven, geven. Geven tot er niks van mij over was. Tot ik was verdwenen.

Ik wandel slaapdronken naar de deur. De onverwachte gast: mijn jongere zus. Na mijn moeder de grootste dief van mijn broodnodige uurtjes slaap. Een betraand gezicht en een overvolle weekendtas verraden direct wat er aan de hand is. ‘Ik ben nu echt bij hem weg. Mag ik alsjeblieft bij jou logeren?’ Voor de vijfde keer dat jaar laat ik haar binnen, maak ik het logeerbed op, dek ik haar toe en streel ik haar haren tot ze in slaap valt.

De volgende dag gaat de bel opnieuw. Ditmaal gelukkig ver voor middernacht. Als ik de deur opendoe, staar ik in de huilende ogen van mijn moeder. ‘Kind, ik heb gehoord wat er gebeurd is. Wat een ellende allemaal. Waar heb ik dit toch allemaal aan verdiend? Ik kan dit er écht niet bij hebben!’ Voor ik kan reageren is ze naar binnen gestapt. Voor ik kan exploderen zit ze op mijn bank.

Voorzichtig laat ik doorschemeren dat ik het eigenlijk heel druk heb, en ik verzin zelfs een smoes over een vriendin die straks nog zal bellen. Met bijna tastbare irritatie in haar ogen kijkt ze me aan. ‘Kind, leer toch eens voor jezelf op te komen! Je moet niet iedereen altijd maar zo op je laten leunen.’ En voor ik kan reageren, vervolgt ze: ‘Nou, schenk je nog een wijntje voor me in of laat je je oude moeder zelf naar de keuken lopen?’

Denise

Kruisraketten en mediteren

Najaar 1984: er staan twee pubers te wachten op een schoolplein. Een van hen heeft een witte tulband op haar hoofd en draagt witte gewaden van de yogabeweging van Yogi Bhajan. De ander heeft gekleurd haar, gescheurde kleding, roze driehoek-oorbellen in haar oren, zij hoort bij rellende krakers in Amsterdam.

Ik ben 6 en dit zijn mijn zussen. Mijn oudste zus, de kraakster, leert mij wat kruisraketten zijn en dat ik daar tégen ben, zodat ik aan alle ouders van de kinderen op school vraag of ze ook tégen zijn. Mijn middelste zus geeft mij een nieuwe yogi-naam en leert me mediteren. Ik houd zo veel van ze dat het pijn doet en ik neem alles van ze aan, zij spreken de waarheid.

Rond diezelfde tijd, ik ben nog steeds 6 en zij zijn 17 en 18 jaar oud, vertrekken zij naar Amsterdam om daar te gaan wonen. Hun vertrek gaat niet vanzelf. Mijn ouders en zij maken doorlopend ruzie. Over de maatschappij, de yogi’s en de krakers, over kernwapens, over de opvoeding, over koekjes bij de thee en over de kleur van mijn vaders overhemd. Mijn ouders hebben verdriet als mijn zussen naar kamers in Amsterdam gaan zoeken.

Ik zie hun verdriet, ik hoor de ruzies en ik voel paniek. Bij elkaar houden die boel! Ik trek ze letterlijk naar elkaar toe, zo van: geef elkaar maar een handje, dan is de ruzie over. Het helpt niet. Ze vertrekken toch en de ruzies houden ook niet op. Ik ben ontroostbaar. Als ze na een dagje samen afscheid nemen bij de bus hang ik huilend aan hun benen om ze tegen te houden.

Leg een kind van 6 maar eens uit dat puberruzies erbij horen, dat de jaren tachtig roerige tijden zijn waarin jongeren tégen heel veel zijn: autoriteit, oorlog, kernwapens, links, rechts, de politiek en vooral hun ouders. En dat het normaal is dat ouders dan toch ook een beetje in verzet komen: ‘We bedoelen het toch allemaal goed!’

Mijn grote afkeer tegen ruzie en discussie is toen waarschijnlijk begonnen. Thuis ben ik ‘het meisje dat altijd vrolijk is’ en vooral ‘niet zo lastig als je zussen’. De meester op school vindt me het makkelijkste kind van de klas. Jaren later laat mijn baas me opklimmen tot leidinggevende, omdat ik zo goed ben in het alle neuzen dezelfde kant op krijgen. Twee keer word ik zwaar overspannen, zonder te snappen waarom.

Ik krijg overal hetzelfde te horen: wat ben jij toch lekker vrolijk, gezellig, optimistisch en sociaal. Dat het misschien een beetje overdreven is om werkelijk met iedereen goede vrienden te worden, tot aan het personeel van de buurtsuper aan toe, dat ziet eigenlijk niemand. Maar ik zie het nu wel. Ik word volgende maand 40 en mijn nieuwe voornemen is geboren: ik bén niet meer altijd vrolijk, gezellig, optimistisch en sociaal. Ik ben geen vredestichter.

Ineke Beemsterboer

Dire Straits-gezin

Er is een foto waarop je ziet hoe mijn vader, mijn broer en ik op zondagochtend in onze pyjama’s in de huiskamer staan. Ik heb een tennisracket, dat een gitaar moet voorstellen, in mijn handen, mijn vader staat in zijn badjas en mijn broer heeft een zonnebril op. We playbacken op het liedje The walk of life van Dire Straits en mijn moeder maakt de foto. Nostalgie. Het gezin op zondagochtend: lekker gek, goede muziek en een eenheid.

Datzelfde nummer van Dire Straits draaiden we in 2005 op de uitvaart van mijn vader. Weg eenheid, weg gezin. Ik was altijd papa’s kleine meisje geweest, had altijd het gevoel dat me niks ergs kon overkomen omdat hij er was. Hij was er altijd, totdat hij er ineens niet meer was. Mijn broer zat op kamers in Maastricht, dus in de dagelijkse werkelijkheid waren mijn moeder en ik samen in huis. Ineens was mijn rol binnen het gezin compleet anders: van dochter, klein meisje en puber werd ik, onbewust, gelijkwaardig.

Als de wasmachine kapotging, overlegde mijn moeder met mij over welk nieuw model ze moest kopen. In het huishouden werd de taakverdeling ook meer gelijkwaardig en dat was ook logisch. Maar niet hoe het moet zijn als je 16 jaar oud bent. We hadden allebei ons eigen verdriet, maar dat delen was lastig. Zij verloor haar man, ik mijn vader. Ik voelde me heel verantwoordelijk voor haar en zij zag haar puberende kind in één klap volwassen worden.

Het heeft jaren geduurd voor die rollen weer wat verschoven. Wat erg heeft geholpen, is dat mijn moeder een vriend kreeg en ik naar het buitenland ging. Zo kregen we allebei ruimte op een andere manier.

Stiekem kruip ik nog weleens in die gelijkwaardige rol ten opzichte van mijn moeder, ben ik bezorgd om haar gezondheid en wil ik voor haar zorgen, maar ik kan er tegenwoordig ook weer goed uit stappen. Maar ik vind het soms ook heel fijn om me weer even een klein meisje en de jonge dochter te voelen.

Ons gezin zal nooit meer hetzelfde zijn en ongewild zijn de rollen veranderd, en daarmee mijn houding en kijk op het leven. Ik waardeer mijn moeder nu nog meer omdat zij een vader en moeder in één moest zijn. Ook ben ik me er bewust van dat je echt alles uit het leven moet halen wat erin zit. Het is serieus zomaar voorbij.

Simone Vos