De discussie over het zelfgekozen levenseinde is weer losgebarsten. Hulp bij zelfdoding en euthanasie moeten niet alleen mogelijk zijn voor ernstig zieke mensen, stelde een door de artsenorganisatie knmg ingestelde commissie onlangs vast; ook mensen die ‘lijden aan het leven’ hebben recht op stervenshulp. Als psychisch lijden ondraaglijk en uitzichtloos is, mag een arts iemand middelen verstrekken waarmee hij zelf een eind aan zijn leven kan maken. Maar wie bepaalt wat ondraaglijk en uitzichtloos is?

Neem het waargebeurde verhaal van een man van 45, getrouwd, drie kinderen, en al jaren worstelend met heimelijke homoseksuele gevoelens. Hij groeide op in een streng-gereformeerd milieu, en heeft nooit willen toegeven aan zijn geaardheid. Als hij op reis toch een keer seks met een man heeft, stort zijn wereld in elkaar. Hij haat zichzelf, voelt zich intens zondig, en vindt dat hij het niet verdient om te leven. In de jaren daarop probeert hij meermalen serieus een eind aan zijn leven te maken. Hij wordt diverse keren opgenomen, krijgt therapie en medicijnen, maar blijft wanhopig naar de dood verlangen. Omdat zijn pogingen steeds mislukken, vraagt hij uiteindelijk om hulp bij zelfdoding. Zijn behandelaars willen zijn verzoek wel inwilligen, mits hij eerst nog

een gesprek heeft met vrouw en kinderen, en zich nog eenmaal laat opnemen in een psychiatrische kliniek. Twee dagen later slaat de man alsnog de hand aan zichzelf.

Leed deze man uitzichtloos en ondraaglijk? Ja, meenden de behandelaars. Hij ervoer het leven als een kwelling, had van alles geprobeerd, en de kans leek nihil dat hij ooit anders tegen zijn situatie zou aankijken. Dat vond ook de officier van justitie, aan wie de kwestie later alsnog werd voorgelegd. Hadden de artsen daadwerkelijk hulp bij zelfdoding geboden, dan waren ze daar niet voor vervolgd.

Bij twijfel geen hulp

Het is niet eenvoudig vast te stellen wanneer een verzoek om hulp bij zelfdoding aan de criteria voldoet. Iemand moet zelf aangeven dat hij zijn situatie ondraaglijk vindt, en die ondraaglijkheid moet weer invoelbaar zijn voor de arts. Het criterium van uitzichtloosheid is veel lastiger. Zo kreeg de psychiater Chabot heel wat over zich heen nadat hij in 1992 een vijftigjarige vrouw had geholpen een eind aan haar leven te maken. De vrouw was gescheiden, had haar beide zoons verloren en vond haar leven een ondraaglijke beproeving. De keuze van Chabot is echter tot op de dag van vandaag omstreden. Immers, was de situatie van de vrouw wel zo hopeloos? Had ze, als ze langer had geleefd, niet nog een beetje geluk kunnen vinden? ‘Tja, ik kan mij voorstellen dat andere psychiaters inderdaad tot een andere conclusie waren gekomen,’ zegt huisarts en filosoof Gerrit Kimsma voorzichtig. Ook psycholoog Ad Kerkhof, die onderzoek doet naar zelfdoding, denkt dat Chabot wellicht te voorbarig was. ‘Rouwproblemen zijn met therapie goed te behandelen. Chabot had er beter aan gedaan als hij zijn patiënte door een tweede deskundige had laten zien.’

Op dat punt was Chabot inderdaad buiten zijn boekje gegaan. Omdat deskundigen het regelmatig oneens zijn over de vraag of er voor mensen in geestelijke nood nog alternatieven bestaan, eist de wet dat minstens twee artsen een verzoek om hulp bij zelfdoding moeten beoordelen. Bovendien moet er een psychiatrisch deskundige worden ingeschakeld. Alle deskundigen moeten ervan overtuigd zijn dat er geen andere uitweg is dan de dood. Twijfelt een van hen, dan wordt het verzoek niet ingewilligd.

Psycholoog Ad Kerkhof heeft meermalen een verzoek om hulp bij zelfdoding afgewezen toen hem om een second opinion werd gevraagd. ‘Eén keer stond de huisarts zo ongeveer met de pillen klaar toen ik aankwam. Iedereen was ervan overtuigd dat de situatie uitzichtloos was. Ik heb toen twee gesprekken met de betreffende patiënte gehad, en kwam tot de conclusie dat nog niet alles was geprobeerd. Nu, negen jaar later, leeft die vrouw nog steeds. Ze is niet suïcidaal meer. En die huisarts is dolblij dat hij mij er toen bij heeft gehaald.’

Vragenlijst

Een arts die een verzoek krijgt om hulp bij zelfdoding, moet ook nagaan of de doodswens misschien een symptoom is van een depressie. ‘Als iemand vanuit een depressie zegt dat hij dood wil, dan ga je natuurlijk eerst proberen die depressie aan te pakken,’ zegt Gerrit Kimsma, die artsen opleidt om bij euthanasievragen een second opinion te kunnen geven. ‘Het is een ziekte die vaak kan worden behandeld. Dan is de situatie dus niet uitzichtloos.’

Werpt geen enkele behandeling vruchten af, dan kan het depressieve lijden wel degelijk hulp bij zelfdoding rechtvaardigen. Ook mensen die intens lijden onder een persoonlijkheidsstoornis kunnen daarvoor in aanmerking komen. Aandoeningen zélf zijn dus nooit reden voor hulp bij zelfdoding; waar het om draait is de vraag in hoeverre iemand onder zijn situatie lijdt.

Om dat vast te stellen, is het Centrum voor Ethiek en Levensbeschouwing van het vu medisch centrum momenteel bezig een vragenlijst op te stellen, die een indicatie geeft van de mate waarin iemand uitzichtloos en ondraaglijk lijdt. In de vragenlijst wordt bijvoorbeeld gevraagd naar gevoelens van zinloosheid, eenzaamheid en de angst voor aftakeling. Projectleider en universitair docent Berna van Baarsen: ‘Zulke gevoelens zeggen iets over lijden, ongeacht of er van een lichamelijke of geestelijke ziekte sprake is. De uitslag van de vragenlijst kan artsen een idee geven hoe groot de lijdensdruk is. Maar het is niet zo dat mensen boven een bepaalde score wél voor hulp bij zelfdoding in aanmerking komen, en daaronder niet. De lijst is een hulpmiddel, niet meer dan dat.’

Angst voor toekomstig lijden

Sommige mensen verzoeken om hulp bij zelfdoding omdat ze vrezen afhankelijk te worden en niet meer zelf te kunnen beslissen, of omdat ze een lijdensweg voorzien vanwege een terminale ziekte. Er zijn ook mensen die in blinde paniek om hulp bij zelfdoding vragen omdat ze dement worden, en bang zijn voor de ontluistering.

Hoe invoelbaar ook, in zulke gevallen moet een arts toch eerst proberen de angst weg te nemen. Het lijden is hier immers vooral het lijden dat men vreest. Zeker in het geval van dementie is de vraag of dat lijden ondraaglijk en uitzichtloos is. ‘Ik zou ook geen spuitje geven aan een demente die ogenschijnlijk geen pijn heeft, betrekkelijk rustig in zijn stoel zit en ook nog eens met alle liedjes meezingt,’ zegt Ad Kerkhof. ‘Het vooruitzicht om dement te worden kan dan wel een levensgroot schrikbeeld zijn, maar lijd je ondraaglijk als het eenmaal zo ver is? Dat weet niemand. Ook al heeft iemand ooit bij zijn volle verstand aangegeven dood te willen mocht hij dement worden, ik vind dat je niet kunt terugvallen op een verklaring die iemand heeft afgelegd in een heel andere gemoedstoestand.’ n[/wpgpremiumcontent]