Jan van Erp (34) werd verstoten omdat hij afstand nam van het geloof

Gerda (50) werd afgewezen door haar ouders

‘Als mijn moeder iets niet zinde, kon je vertrekken. Dat overkwam mijn vader toen ik dertien was. Wij mochten geen contact meer met hem hebben. Ik vond dat heel erg.

Van de acht kinderen in ons gezin was ik het oudste meisje. Mijn moeder kon de zorg nauwelijks aan. Ik moest veel meehelpen. Maar in plaats van me te bedanken reageerde ze haar frustraties over de scheiding op mij af. Het leek wel of een ander het niet beter mocht hebben dan zijzelf. Ze sloeg me en ik kreeg voor ieder foutje straf. Toen ze op mijn zestiende voor de zoveelste keer “Daar is het gat van de deur” zei, ben ik maar gegaan.

Voor de buitenwereld ging alles goed. Een weggelopen dochter paste niet in dat plaatje. Zo liet mijn moeder de fiets die ik zelf bijeen had gespaard weghalen door mijn broer. Ik kon ‘m pas terugkrijgen als ik weer thuiskwam. Maar ik wilde niet meer terug. Toen besloot ze me af te wijzen. Ook mijn broers en zussen moesten ieder contact mijden. Als ik door de straat fietste, zeiden

ze niets. Dat deed pijn, het was een herhaling van hoe het bij mijn vader was gegaan. Pas toen mijn moeder hetzelfde patroon later herhaalde bij mijn broers, realiseerde ik me dat het haar stijl was om iemand “dood” te verklaren als ze de situatie niet meer aankon.

Nadat mijn jongste broertje ook door haar verstoten was en contact had gezocht met mijn vader, besloot ik mijn vader ook op te zoeken. Ik kreeg zelf kinderen en wilde ook weer deel uitmaken van een familie. Mijn vader had inmiddels een nieuwe vrouw en twee zoons. Ik was na twintig jaar zonder contact benieuwd naar zijn kant van het verhaal.

Maar mijn vader zei dat ik het verleden moest vergeten. Ik werd niet meer uitgenodigd op verjaardagen. Voor de tweede keer werd ik verstoten door een ouder. Dat trauma zal voor de rest van mijn leven van invloed zijn. Toch hoop ik dat alles ooit nog eens goed komt.’ (avw)

Gerda wil alleen met haar voornaam worden genoemd

Orhan Bucakli (31) ziet zijn familie niet meer omdat hij homo is

‘Ik wist al vroeg dat ik op jongens viel. Om dat te verbergen, ging ik me macho gedragen: veel meisjes versieren, laat uitgaan, zelfs helemaal niet thuiskomen. Daarom zocht mijn moeder toen ik achttien was in Turkije een vrouw voor me. Na een korte vakantie was ik getrouwd; pas op de terugreis naar Nederland drong dat echt tot me door.

Ik was nachtenlang van huis. Achteraf voel ik me schuldig, omdat mijn vrouw erg eenzaam moet zijn geweest. Om ons huwelijk te redden, spoorde mijn moeder haar aan om zwanger te worden. We kregen een zoon en een dochter.

Via een gay-site leerde ik mijn eerste vriend kennen. Van het Brabantse dorpje Uden vertrok ik naar Amsterdam. Iedereen dacht dat ik een andere vrouw had en mijn familie gaf mijn vrouw daarvan de schuld. Ik vertelde haar dat ik homo was en zei dat ze dat aan mijn ouders mocht vertellen – zelf durfde ik het niet te zeggen.

Toen barstte de bom; mijn hele familie heeft het contact verbroken. Ook heb ik twee jaar lang mijn kinderen niet gezien.

De gay-scene in Amsterdam is hard, met veel drugsgebruik. Ik raakte aan de coke. Omdat ik niemand had, was ik erg afhankelijk van mijn vriend. Hij was jaloers, agressief en maakte grote schulden. Ik worstelde met het idee dat ik met een man leefde. Ik voelde me vies. De mens is daar niet voor gemaakt – die gedachte heb ik nog steeds. Op het dieptepunt belde ik mijn moeder en vertelde dat het slecht met me ging. Ze antwoordde kortaf: “Bel niet meer.”

Uiteindelijk ontmoette ik mijn huidige vriend, een Egyptenaar. Hij heeft me van de drugs af geholpen. Een half jaar geleden belde ik mijn vader. Hij schold me uit en hing op, waarna ik heb gehuild als een kind. Ik vind het moeilijk dat mijn familie me niet kan accepteren. Met mijn ex-vrouw is het contact weer gegroeid, zodat ik tegenwoordig ook mijn kinderen zie. Maar met mijn ouders komt het waarschijnlijk nooit meer goed.’ (lr)

Evelien de Jong (30) was altijd het buitenbeentje van het gezin

‘Halverwege de basisschool bleef ik als enige zitten. Daarna veranderde alles; in de ogen van mijn ouders deed ik nooit iets goed. Vaak voelde ik me Assepoester, omdat ik klusjes moest doen terwijl mijn broertjes en zusjes huiswerk maakten. Ik deed een lage opleiding in de verzorging, dus hoefde ik volgens mijn moeder geen huiswerk te maken. Na het eten hadden we een schema voor de afwas en het opruimen. Maar vaak zeiden mijn zusjes: “Dat kan Evelien wel doen.” Als ik nog bezig was met de afwas, keek de rest van het gezin gezellig tv.

Als puber was ik onzeker en angstig. De opmerkingen van mijn moeder sneden door mijn ziel. Ik had vaak zweetaanvallen van angst, bijvoorbeeld als ik op straat liep. Maar extra douchen mocht thuis niet. Op een dag zei mijn moeder in de kerk: “Wat stink je verschrikkelijk.” Dat was zo vernederend.

Op mijn 21ste ging ik op mezelf wonen. Mijn moeder had vaak gezegd dat ik het niet zou redden op mezelf, maar het ging. Ik was trots! Tegelijkertijd was het eenzaam. Niemand belde me. Mijn ouders zijn één keer op bezoek geweest. Daarna werd het contact steeds minder. Ik had huilbuien en kon dagen op bed liggen. Ook op mijn werk ging het niet goed en ik belandde in de ziektewet. Mijn ouders wisten hoe slecht het met me ging, maar deden niks. Om het contact te herstellen heb ik gesprekken gevoerd met mijn vader, maar mijn moeder bleef koud en afstandelijk. Wat ik ook deed, ik werd door haar afgewezen.

Langzaamaan kwam ik weer op de been. Ik vond een baan en ontmoette mijn man. Dat was moeilijk. Ik wilde een relatie, maar kon niet geloven dat hij me leuk vond. Als hij iets voor me deed, was ik vol argwaan. We zijn in relatietherapie gegaan en beetje bij beetje ontdekte ik wat liefde is. Vorig jaar werd mijn dochtertje geboren. Even was ik bang dat ik me net als mijn moeder zou gedragen, maar ik ben gek op mijn kind.’ (lr)

Evelien de Jong heet in werkelijkheid anders. Haar foto is bewerkt

‘Ik groeide op in de gereformeerd-vrijgemaakte gemeenschap, waar leven volgens de bijbelse principes werd gepredikt. Als puber kreeg ik steeds meer vragen over de waarheden van de kerk. Hoe kon God bijvoorbeeld de wereld zesduizend jaar geleden geschapen hebben als er veel oudere resten van dinosauriërs gevonden waren? Het antwoord was even simpel als rechtlijnig: die resten waren er om ons te beproeven. Ik kwam in een enorme verwarring terecht. Het ene moment dacht ik “de hemel is leeg”, het volgende bad ik omdat ik me schuldig voelde over die gedachte.

Zo worstelde ik tot ik op mijn achttiende belijdenis moest doen. Ik besloot in plaats daarvan uit te treden. Ook omdat ik verliefd was op een ongelovig meisje, en met haar wilde samenwonen. Ik kon toch ook een rechtschapen leven leiden zonder de kerk? Maar de kerk liet het er niet bij zitten, die eiste een gesprek. En daarna begon de psychologische oorlogsvoering. Zo kreeg ik anonieme ansichtkaarten met passages over de “verloren zoon” en met de vraag waar ik terecht zou komen als ik morgen verongelukte.

Uiteindelijk keerde de kerk zich van me af. Vanaf de kansel zou worden medegedeeld dat ik een zondig leven was gaan leiden. Mijn moeder durfde maanden niet meer naar de kerk. Mijn oma belde en zei: “Het is nu wel waarschijnlijk dat je in de hel komt.” Ik voelde me gesterkt in mijn keuze, maar de kerk was niet uit mijn leven. Het geloof had zich in al mijn vezels vastgezet. Als het regent, denk ik nog steeds dat ik iets fout heb gedaan. Mijn vriendin wordt er soms gek van dat ik overal iets achter zoek.

Mijn worsteling bracht me uiteindelijk tot een studie filosofie. Als het leven niet de wachtkamer is voor de hemel, wat is de zin dan wel? Ik geef nu een cursus die gaat over de therapeutische werking van denken. Ik ben nog steeds blij dat ik me ontworsteld heb aan de wurggreep van kerk en geloof. Maar ik zal het schuld-en-boetegevoel met me mee blijven dragen.’ (avw)

Jan van Erp heet in werkelijkheid anders. Hij is ook niet de persoon op de foto

Familie: het zou een warm bad moeten zijn van mensen die van je houden en je onvoorwaardelijk accepteren. Of zoals de Amerikaanse dichter Robert Frost het verwoordt: ‘Home is the place that, when you have to go there, they have to take you in.’

Dat dat lang niet voor iedereen geldt, blijkt uit de Netherlands Kinship Panel Study, een onderzoek naar familiebanden in Nederland. Ongeveer een op de acht mensen voelt zich weinig of zelfs helemaal niet geaccepteerd door zijn familie.

Wie zijn deze ‘zwarte schapen’? Volgens de onderzoekers van de Netherlands Kinship Panel Study gaat het vooral om mensen uit minder hechte gezinnen. ‘Mensen die zijn opgegroeid in families waarin conflicten relatief vaak voorkwamen, hebben een kleinere kans zich geaccepteerd te voelen door hun familie,’ schrijven ze. Ook mensen die zelf veel problemen hebben, voelen zich minder welkom bij hun familie. Uit interviews die de onderzoekers deden, blijkt dat de Nederlandse zwarte schapen de oorzaak zelf vooral zoeken in het feit dat ze als kind tegen hun ouders ingingen en hun eigen inzichten volgden (de mannen) of toch al nooit iets goed konden doen in de ogen van hun ouders (de vrouwen).

Ook psycholoog Julie Fitness van Macquarie University in Australië ondervroeg zwarte schapen. Ze ontdekte dat deze zelf denken dat ze buiten de boot vallen omdat ze ‘anders’ zijn dan de rest van de familie. ‘Ze zagen er voor hun gevoel anders uit, hadden andere persoonlijkheden, talenten, of interesses, en hadden het gevoel niet in de familie te passen’, schrijft Fitness in een onderzoeksartikel.

Maar was dat zelfbeeld terecht? Om daar achter te komen, ondervroeg Fitness ook broers en zussen van de uitgestotenen. En inderdaad: als het ging om een zus, zei het leeuwendeel van de ondervraagden dat die ook daadwerkelijk ‘anders’ was. Een minderheid zei dat zuslief haar zwarteschaapstatus over zichzelf had afgeroepen door te verhuizen of met ‘de verkeerde’ te trouwen. Broers hadden hun uitstoting volgens de respondenten eerder te wijten aan het feit dat ze problemen veroorzaakten, bijvoorbeeld door drugs te gebruiken of zich rebels en soms zelfs crimineel te gedragen.

Uit Fitness’ onderzoek blijkt overigens dat middelste kinderen het vaakst het gevoel hebben een buitenbeentje te zijn. Zij stappen dan ook eerder met hun problemen naar hun vrienden dan naar hun familie.

Maar hoe worden zwarte schapen door hun familie behandeld? ‘Dat varieert van totale buitensluiting, waarbij mensen elkaar jaren niet spreken, tot afstandelijke beleefdheid,’ zegt Fitness. ‘Ook actieve afwijzing komt voor, waarbij mensen kritiek over zich heen krijgen en vijandigheid ontmoeten.’

De gevolgen van zo’n uitstoting zijn groot. ‘Uit onderzoek blijkt dat afwijzing door ouders samenhangt met depressieve gevoelens in de adolescentie en volwassenheid,’ zegt Fitness.

Ander onderzoek laat zien dat mensen die vijandig en wantrouwend zijn tegen anderen, het vaakst zo geworden zijn doordat ze in hun jeugd niet geaccepteerd werden door hun ouders. Daarbij zou favoritisme leiden tot bitterheid tussen broers en zussen. De zwarte schapen voelen schaamte, wrok en afgunst, terwijl de lievelingetjes van de familie zich juist schuldig voelen als ze zien dat hun broers en zusters anders worden behandeld dan zij.

Opvallend is volgens Fitness dat contact met andere familieleden buiten het eigen gezin helpt: hoe meer contact mensen tijdens hun jeugd hebben met bijvoorbeeld tantes, ooms of grootouders, hoe minder vaak ze rapporteren dat er zwarte schapen of lievelingetjes in de familie zijn. Ook het Nederlandse onderzoek laat zien dat verschillende dingen een ongelukkige gezinsachtergrond kunnen compenseren, zoals een goed contact met schoonfamilie of vrienden, of een fijne relatie met je eigen partner en kinderen.

Marloes Zevenhuizen

Meer weten over zwarte schapen?

Het Nederlandse onderzoek naar zwarte schapen is gepubliceerd in het driemaandelijks tijdschrift Mens en Maatschappij, maart 2009.[/wpgpremiumcontent]