Het is fascinerend om narrige pubers binnen een dag te zien transformeren tot gedreven acteurs. Die huismoeder met de stem van een dragonder blijkt een geboren cabaretière. Allemaal kwaliteiten die je niet meteen zou herkennen als je ’s morgens met je wc-rol onder de arm tussen de andere fleece-truien in de rij staat bij het doucheblok.

Talent is niet altijd meteen zichtbaar. Het mooiste voorbeeld daarvan is natuurlijk de auditie van Susan Boyle, de slordig uitziende Schotse die tien jaar geleden haar debuut maakte bij Britain’s Got Talent. Niemand denkt dat ze iets kan, ze is ook al niet mooi, ze maakt tenenkrommende grapjes waarmee ze de spot van de zaal over zich afroept – en dan zet ze die keel open. Dak eraf, jury sprakeloos, internet ontploft. Inmiddels zijn we 25 miljoen verkochte platen verder, en toen ze dit jaar meedeed aan de Amerikaanse versie van de talentenjacht won ze direct een gouden ticket naar de finale.

Prachtig sprookje natuurlijk. Het is ook een verleidelijke gedachte dat we allemaal een verborgen talent zouden kunnen hebben dat niemand nog op waarde heeft geschat. Als we geluk hebben, komt er ooit een moment dat we op die stip staan, en dan zal de wereld eens zien waartoe we in staat zijn!
In het echte leven gaat het meestal net iets anders. Want iedereen heeft inderdaad verborgen talenten. Maar dat zijn meestal geen gaven die ergens diep in ons verstopt zitten – integendeel. Het zijn vaak juist de dingen die ons zo gemakkelijk afgaan dat we niet meer zien wat daar nou zo bijzonder aan is. Het meeste talent blijft niet verborgen omdat de wereld niet kijkt, maar omdat we een blinde vlek hebben ontwikkeld voor onze eigen kwaliteiten.

Daarom werkt zo’n weekend zo goed. Het schept afstand. Het helpt om ruimte te maken voor de dingen die je graag deed voordat het leven volliep met verplichtingen. En het geeft die duizend amateurs ook nog eens een welwillend publiek cadeau om hun verborgen talenten veilig op uit te proberen.