‘Ik voelde me opeens geweldig. Geweldig? Beter dan ooit! Ik was ongekend vrolijk. Liep de hele dag te fluiten en maakte met iedereen op straat een babbeltje. Maar het bleef niet bij “een beetje hyper en opgewekt”. Binnen een dag of twee ging ik rare dingen doen, bijvoorbeeld alle meubels in huis in hysterische kleuren schilderen. Ik gaf een fortuin uit aan extreme kleding. Ik scheurde als een gek met mijn auto door de buurt en belde midden in de nacht vrienden op voor een kletspraatje of een filosofisch gesprek. Daar had ik alle tijd voor, want met mijn tomeloze energie sliep ik maar drie uur per nacht.

Euforisch als ik was zakte ik langzaam weg in mijn eigen wereld. Een wereld die volledig om mij draaide. Terecht, hoor, want ik was briljant en een wereldverbeteraar bovendien. Ik was de belangrijkste vrouw op aarde omdat ik een medicijn tegen aids had uitgevonden. In werkelijkheid was dat “medicijn” een willekeurig samenraapsel van wiskundige formules die ik verzon of uit boeken haalde. Maar ik was, niet gehinderd door enige medische achtergrond, absoluut overtuigd van deze revolutionaire doorbraak. Door mij zou aids binnenkort niet meer bestaan; mensen mochten mij wel dankbaar zijn. Maar

in werkelijkheid was mijn omgeving helemaal niet zo blij met de Nieuwe Corrie en haar medische doorbraak. Men maakte zich ernstige zorgen en dat was terecht.’

Waandenkbeelden

Corrie Kerssies (53) beleefde twintig jaar geleden haar eerste manische periode. Die zou de voorbode blijken voor een manisch-depressieve stoornis, ook wel bipolaire stoornis genoemd. Om te begrijpen wat dat is kan ‘stemming’ worden gezien als een lange lijn met twee uitersten (bi-polair): aan de ene kant extreme vrolijkheid, helemaal aan de andere kant intense treurnis. Iedereen heeft weleens last van stemmingswisselingen, maar niet iedereen is bipolair. Er is pas sprake van een bipolaire stoornis als iemands stemmingswisselingen zó extreem zijn dat het gewone leven eronder lijdt en hij of zij niet goed meer voor zichzelf kan zorgen. Een milde vorm van de bipolaire stoornis bestaat ook en wordt cyclothymie genoemd: mensen die eraan lijden zijn afwisselend behoorlijk uitgelaten en ook behoorlijk triest, maar de stemmingswisselingen zijn toch niet ernstig genoeg om bipolair te worden genoemd.

Corrie Kerssies was niet alleen extreem uitgelaten en vrolijk, maar ook verward. ‘Mijn man had al vrij snel door dat er iets niet helemaal jofel met me was. Ik was altijd wel een opgewekt type, maar dit was anders. Ik was drukker en vooral chaotischer. De hele dag door kakelde ik, maar er zat geen lijn in mijn betogen. Ik sprong van de hak op de tak en luisterde niet naar wat anderen tegen me zeiden. Mijn basisboodschap was dat iedereen me vrij moest laten, maar dat vond mijn man geen goed idee.’

In de isoleercel

Dus bracht meneer Kerssies zijn vrouw naar de huisarts, die haar meteen doorstuurde naar een psychiatrische inrichting. In die kliniek lag de focus op het kalmeren en temperen van haar waandenkbeelden. Zulke wanen zijn een ‘normaal’ verschijnsel bij een bipolaire stoornis. Patiënten die wel extreem uitgelaten zijn maar geen waandenkbeelden hebben, hebben officieel geen manie maar een hypomanie.

Kerssies voelde zich al gauw weer de oude en ze mocht naar huis. Maar lang kon ze niet genieten van haar oude zelf: twee weken later belandde ze met denderende vaart in een zwart gat. ‘Opeens kon ik alleen maar zwartgallig op de bank hangen. Als ik alleen al kéék naar een vies kopje op het aanrecht werd ik moe. Afwassen: nee toch? Alles waar ik om gaf – mijn vrienden, familie, hobby’s, mijn kinderen – was betekenisloos geworden. Ik keek naar mijn kinderen en zei tegen mezelf: “Ik vind ze lief”, maar voelde stiekem helemaal niets. Ik was volledig blanco, voelde me nutteloos. Ik wás ook nutteloos, want ik deed niets. Ik voelde me schuldig en dacht dat al het leed, ook dat van anderen, door mij werd veroorzaakt. Iedere minuut moest ik zien te overleven, maar daarna kwam wéér een minuut. ’s Avonds wilde ik niet gaan slapen omdat ik bang was voor het besef, de volgende ochtend, dat ik weer zo’n ellendige lange dag voor me had. Vol met minuten die ik moest zien te overleven.’

De antidepressiva die Kerssies’ psychiater voorschreef, zouden pas gaan werken na een week of vier. Het was maar de vraag of ze die vier weken zou halen: Kerssies was zoals veel – maar niet alle – patiënten met een bipolaire stoornis suïcidaal. Daarom werd ze opnieuw opgenomen in een kliniek en omdat ze een gevaar voor zichzelf vormde, in een isoleercel geplaatst.

‘De ellende kon blijkbaar nog een graadje erger. De isoleercel betekent ultieme eenzaamheid: getraliede ramen, een dikke deur, een matrasje, een schoolbord en in de hoek een kartonnen “hoedje” waarin je je behoefte kunt doen. Mijn laatste restje identiteit was me ontnomen doordat ik een scheurjurk moest dragen: een gewaad van dikke stof die je niet kapot kunt trekken. Een onderbroek had ik ook niet; je zou jezelf met je slipje kunnen ophangen.’

‘Knakje’ als voorbode

Ze had geen idee waarom ze opgesloten zat alsof ze een moordenaar was. ‘Door de tralies zag ik vogels vliegen. Zíj waren vrij, ik niet. Ik vroeg om een advocaat omdat ik dacht dat ik daar recht op had. Maar dat verzoek werd genegeerd. Ik verwachtte mijn man te zien, maar hij kwam niet. Was hij me soms vergeten? Hij had een bezoekverbod, maar dat wist ik niet.’ Kerssies’ enige houvast was een schoolbord. ‘Daar ging ik maar weer “medicijnformules” op kalken. Letters en cijfers waren de enige manier om me te uiten. Het was mijn verbinding met de werkelijkheid – mijn werkelijkheid dan. Ik snapte niet waarom de verpleegsters me tegenhielden om mijn uitvinding wereldkundig te maken. Iedereen was tegen me.’

Hoe vaak mensen met een bipolaire stoornis een episode (aanval) krijgen en hoelang die duurt, wisselt sterk van persoon tot persoon. Sommige mensen hebben een snelle cyclus, met minimaal vier (hypo)manische en vier depressieve episodes in een jaar. Een manie of een depressie kan weken of maanden duren. Gelukkig volgen daarop perioden waarin iemand zich stabiel voelt, soms jarenlang. Corrie Kerssies was een half jaar na haar suïcidale opname volledig hersteld en kon toen ook weer werken. Maar twee jaar later diende zich bij haar een volgende manische episode aan.

Sommige patiënten voelen een stemmingswisseling aankomen door iets wat ze wel omschrijven als een ‘tikje’ of ‘knakje’ in het hoofd. Kerssies heeft geen gekke sensaties als aankondiging. Bij haar worden aanvallen vaak uitgelokt door een heftige emotionele gebeurtenis. De tweede keer dat ze manisch werd, was op de begrafenis van haar vader, die plotseling was overleden. ‘Ik besefte nog vaag dat het de uitvaart van mijn vader was, maar me helemaal normaal gedragen lukte toch niet. Ik las bijvoorbeeld een absurd gedicht voor en maakte kletspraatjes met wildvreemden. Dat zou ik normaal nooit doen in zo’n situatie. Mensen dachten dat ik een beetje raar deed doordat het zo’n groot plotseling verlies was, maar stiekem was het een nieuwe manie.’

Net als de eerste keer werd Corrie Kerssies opgenomen, kreeg ze medicijnen, ging het beter, zakte ze in een depressie, kreeg weer medicijnen, knapte weer op, et cetera. Het grote manisch-depressieve jojoën was begonnen. Telkens weer die uitzinnige kledingaankopen en wanen over medicijnuitvindingen, en telkens weer die inktzwarte depressies daarna.

Niet alleen voor een patiënt zelf, ook voor zijn of haar directe omgeving is een bipolaire stoornis ingrijpend. Probeer maar eens prettig samen te leven met iemand die het ene moment de gezamenlijke rekening plundert voor een nieuwe baljurk en het volgende moment nog geen goedemorgen kan zeggen van ellende. Het echtscheidingspercentage onder mensen met bipolaire stoornis is groot. Maar meneer Kerssies kon het niet over zijn hart verkrijgen zijn vrouw aan haar lot over te laten. ‘Hij verdient geen stoel in de hemel,’ zegt Corrie, ‘maar een complete sofa.’

Erfelijk overdraagbaar

Kinderen van een bipolaire ouder hebben het evenmin makkelijk. Hun jeugd is niet ideaal, en bovendien hebben ze 15 procent kans om zelf bipolair te worden. De kans op een unipolaire stoornis (alleen een depressie of manie) is eveneens 15 procent. En als beide ouders de bipolaire stoornis hebben, is de kans dat kinderen de stoornis ontwikkelen zelfs 50 procent. Kerssies wist niet dat er een manisch-depressief gen door haar familie waait. Haar ouders hadden haar nooit verteld over bipolaire familieleden – die er wel waren. ‘Ik ben daar behoorlijk kwaad over geweest. Als ik dat geweten had, had ik, denk ik, geen kinderen op de wereld gezet. Maar achteraf ben ik er alleen maar blij om: ik heb twee prachtzonen die ik voor geen goud zou willen missen.’

Inmiddels is Kerssies dankzij de juiste medicijnen (lithium) al een aanzienlijke tijd ‘episodevrij’. Maar haar angst voor nieuwe aanvallen blijft bestaan en daarom vermijdt ze alles wat daartoe aanleiding kan geven. ‘Ik ben als de dood dat er een rouwkaart op de mat valt. Ik ben actief in de patiëntenvereniging voor manisch-depressieven, dus er piept nogal eens medepatiënt met een dipje tussenuit. Naar begrafenissen ga ik nooit, ook niet naar die van de intiemste vrienden. Ik durf het niet.’

Ze gaat consequent vroeg naar bed. ‘Slaapgebrek is ook een trigger. Als ik langer dan een uur wakker lig, neem ik een slaappil. Op 31 december doe ik steevast een middagdutje en op 1 januari lig ik om vijf minuten na middernacht met een slaapmiddel op bed. Ik heb er alles voor over om nooit meer een nieuwe depressie mee te maken.’ Een nieuwe manie daarentegen zou ze niet zo erg vinden. ‘Daar kan ik zelfs stiekem wel zin in hebben.’

Medicijnen kunnen bipolariteit vaak verhelpen

Wat er precies aan de hand is in het depressieve brein is eigenlijk helemaal niet duidelijk. Een feit is wel dat een bipolaire stoornis kan worden bestreden met psychofarmaca. Zulke medicijnen grijpen in op het functioneren van boodschapperstofjes in het brein (neurotransmitters zoals noradrenaline, dopamine en serotonine) en daardoor voelen patiënten zich beter. Dat doet vermoeden dat deze neurotransmitters in een bipolair brein niet doen wat ze zouden moeten doen, of dat ze doen wat ze zouden moeten laten.

Maar dat een medicijn werkt, bewijst nog niet dat een verstoord neurotransmitterhuishouden ook echt de veroorzaker is van bipolariteit. Misschien is het juist wel het gevolg van een ander defect. Wat betreft de medicatie maakt het eigenlijk ook niet zoveel uit of neurotransmitters de oorzaak zijn of slechts een bemiddelende rol spelen; belangrijk voor mensen met een bipolaire stoornis is dat medicijnen in veel gevallen helpen.

Meer weten

– De betekenis van levensverhalen. Theoretische beschouwingen en toepassingen in onderzoek en praktijk, Ernst Bohlmeijer e.a., (Bohn Stafleu van Loghum, € 39,50).

– Binnenkort verschijnt De verhalen die we leven, een nieuw boek van Bohlmeijer over de narratieve psychologie als methode (Boom, € 32,50).[/wpgpremiumcontent]