Bij schizofrenie zijn pillen beter; bij angststoornissen is psychotherapie effectiever; en bij depressies (voor zover die niet veroorzaakt worden door een duidelijk hersenstoornis) wordt nog om de eer gestreden. De psychiater René Kahn stelde echter enige tijd geleden in het tv-programma Opgenomen van Paul Witteman dat de pillen duidelijk aan de winnende hand zijn. Er zou nu al in tachtig tot negentig procent van de gevallen een garantie op een succesvolle behandeling met medicijnen gegeven kunnen worden en over tien jaar zouden psychotherapeutische behandelingen voor depressies overbodig zijn.

Basistraining

Van angst naar lef

  • Leer je hoe angst in je lichaam en brein werkt
  • Maak je een persoonlijk stappenplan voor het overwinnen van je angst(en)
  • Krijg je technieken aangereikt om paniekgevoelens weg te nemen
bekijk de training
Nu maar
€ 35,-

In het Maandblad Geestelijke volksgezondheid kwam hem dit op de sneer te staan dat hij zich van reclametechnieken uit de autobranche had bediend. Kon hij soms een soort BOVAG-garantie voor de behandeling van depressies geven? De dagelijkse praktijk van de psychiatrie komt nog te vaak in aanraking met de ‘ondraaglijke zwaarte van het bestaan’, om het optimisme van Kahn te rechtvaardigen.

Kahn heeft zich echter niet laten afschrikken door dit soort reacties op zijn optreden en richt zich opnieuw op het grote publiek met de Gids pillen en psychiatrie. Dit is een zeer toegankelijk geschreven boek waarin de psychiatrische aandoeningen besproken worden waarvoor medicijnen voorhanden zijn. In het eerste deel worden ziektebeelden beschreven. Hierbij volgt Kahn een vast stramien. Hij schetst eerst de achtergronden van de aandoening, dan de symptomen en geeft daarna de belangrijkste onderzoeksgegevens over de ziekte. Hij sluit vervolgens af met een beschrijving van de mogelijke behandelingen, waarbij de ‘pillen’ de grootste nadruk krijgen. Het tweede deel van het boek is geheel aan de medicijnen gewijd en hier kan men meer te weten komen over de werkzaamheid, bijwerkingen en toedieningsvorm.

De pillengids lijkt daarmee een bijdrage te leveren aan het mondiger maken van patiënten en hun familieleden. Zij kunnen de belangrijkste feiten makkelijk nalezen, de informatie-achterstand is kleiner en daardoor zijn zij minder ‘overgeleverd’ aan de behandelend psychiater. Dit is vooral belangrijk omdat pillen in de psychiatrie, volgens Kahn, soms te weinig en soms ondeskundig worden voorgeschreven.

Het boek vormt een warm pleidooi voor het goed gebruiken van de mogelijkheden die psychofarmaca bieden. De vraag is echter of Kahn de pillen op een onpartijdige manier onder de aandacht brengt. Wie ernaar op zoek gaat, kan voorbeelden van het tegendeel vinden. Neem bijvoorbeeld de behandeling van paniekstoornissen. Cognitieve gedragstherapie is daarbij volgens de beschikbare gegevens ongeveer twee keer zo effectief als pillen, maar Kahn vergeet dat te vermelden. Wel zegt hij dat praten en pillen gezamenlijk het best werken, maar dat is nog maar de vraag. De reactie onmiddellijk na de therapie is wel iets beter, maar er zijn aanwijzingen dat er daarna meer terugval optreedt, omdat de patiënten niet kunnen geloven dat de verbetering te danken is aan hun veranderde denkwijze.

In hetzelfde hoofdstuk laat Kahn zien dat hij selectief op de hoogte is van de psychologische literatuur. Zo noemt hij de theorie dat paniekaanvallen het gevolg zijn van een overgevoeligheid voor CO2. Deze theorie is vooral ingegeven door het feit dat men paniekaanvallen kan uitlokken door patiënten lucht toe te dienen met een verhoogd CO2-gehalte. Een elegant experiment heeft echter aangetoond dat de CO2 slechts een klein deel van het verhaal vertelt. Als patiënten te horen hadden gekregen dat zij door op een knop te drukken de toegediende CO2 naar een normaal niveau konden terugbrengen, bleef de paniek uit; in werkelijkheid had het indrukken van de knop echter geen enkele invloed op de luchttoevoer! De denkwijze weegt dus zwaarder dan de lichamelijke prikkeling en de paniekstoornis lijkt een zuiver psychologisch fenomeen te zijn, waarbij lichamelijke opwinding verkeerd wordt geïnterpreteerd. De patiënten denken bijvoorbeeld dat zij een hartaanval krijgen als hun hart wat sneller gaat kloppen en het doet er niet toe of die versnelde hartslag nu veroorzaakt wordt door CO2 of iets anders.

Een laatste voorbeeld waaruit enige vooringenomenheid spreekt, is Kahns bespreking van de benzodiazepinen. Dit zijn kalmerende middelen die angst dempen en slaap op kunnen wekken. Zij worden veel gebruikt en ze zijn buitengewoon veilig bij te hoge doseringen (mits niet gebruikt in combinatie met alcohol). Toch is het niet terecht dat Kahn spreekt van een ‘vrijwel volstrekt veilig middel’. Jaarlijks breken bijvoorbeeld enkele honderden bejaarden hun heup als zij ’s nachts naar de wc gaan, omdat ze suf zijn van de benzodiazepinen die ze gebruiken om rustig te slapen. Vaak betekent dit het einde van hun zelfstandigheid. Het middel is dus alleen relatief veilig: bij juist gebruik wegen de voordelen ruim op tegen de nadelen. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor de gids die Kahn heeft geschreven.

Basistraining

Omgaan met depressie

  • Leer depressie beter begrijpen aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten
  • Ontdek welke eerste stappen je kunt zetten om beter met je depressie om te gaan
  • Met inspirerende video's en artikelen
bekijk de training
Nu maar
€ 35,-

De beleving van pijn en plezier zijn bij Dennett de basis van de moraliteit, maar toch zijn dat niet de enige factoren waar rekening mee gehouden dient te worden. Dennett: ‘Stel dat je de mogelijkheid zou krijgen om de rest van je leven door te brengen in een virtuele wereld, waarin al je dromen uitkomen. Je wint de Nobelprijs, trouwt met Michelle Pfeiffer, woont in het mooist denkbare huis, enzovoort. Bovendien zou je niet beseffen dat je door een machine om de tuin wordt geleid, omdat je een pil hebt genomen die alle herinneringen aan je vorige leven heeft gewist. Als je deze mogelijkheid aan mensen voorlegt, dan zeggen ze dat ze toch maar liever in de realiteit zouden blijven. Ze willen niet alleen gelukkig zijn, maar ook met beide benen op de grond staan.’ De liefde voor de waarheid gaat boven alles.

Waarom zou men dan niet putten uit eigen ervaring en zich tot op zekere hoogte identificeren met het dier om bepaalde cognitieve processen beter te kunnen onderzoeken? Zolang het streven is om toetsbare ideeën en reproduceerbare waarnemingen te verkrijgen, is er geen bezwaar tegen antropomorfisme. Volgens De Waal heeft het in het wetenschappelijk denken dezelfde functie als intuïtie.

René Kahn Gids pillen en psychiatrie; Ziektebeelden, geneesmiddelen, herkenning, bijwerkingen, behandeling Amsterdam: Uitgeverij Balans, 1997[/wpgpremiumcontent]