Op een schaal van 0 tot 10, hoe gelukkig was uw jeugd? ‘Op het moment zelf ervoer ik het als een 8. Maar op latere leeftijd heb ik er toch wel last van gehad. Mijn ouders, Ank van der Moer en Guus Oster, waren bekende toneelspelers. Ik was een ongelukje. Toen ik er eenmaal was, hebben mijn ouders wel echt geprobeerd me een thuis te bieden, maar ze moesten heel veel werken. Vanaf mijn derde was ik steeds vaker bij mijn grootouders in Drenthe. En later bij een bevriende familie in Leusden. Daar mocht ik vanaf mijn zesde blijven.’

Wat is een jeugdtrauma geweest? ‘Nou, trauma… Maar het gevoel niet leuk genoeg gevonden te worden door je ouders, is heel vervelend. Ik had altijd als rationalisatie:pappie en mammie hebben het veel te druk. Ik kan niet bij ze wonen, want dan kunnen ze niet toneelspelen. Dat vond ik heel gewoon. Op school schepte ik op dat ik eigenlijk een filmster was. Ik denk dat ik vaker mooi weer speelde dan ik zelf in de gaten had.’

Waar voelde u u het meest thuis? ‘Het leven van mijn ouders vond ik Het Grote Leven. Daar wilde ik graag bij horen. Ik verlangde ook heel erg naar het weekend: naar huis in Amsterdam! Maar vaak ging dat opeens niet door omdat mijn ouders ’s avonds het toneel op moesten. Toch was ik, hoe zeer ik ook verlangde om onderdeel van hun leven te zijn, ook opgelucht als ik bij mijn pleegouders mocht blijven. Bij mijn ouders was ik vaak bang niet in de smaak te vallen. Toen mijn eerste pleeggezin naar Canada emigreerde, kwam ik terecht bij een nieuwe pleegtante en haar dochter, een klasgenootje. Daar heb ik de gelukkigste jaren van mijn jeugd beleefd. Die tante deed alles om het ons naar de zin te maken: we hadden een pingpongtafel, kampeerden tijdens de schoolvakanties, en in het weekend leenden we een zeilboot.’

Wat was een keerpunt in uw leven? ‘Op mijn dertiende mocht ik weer in Amsterdam komen wonen. Bij mijn moeder. Mijn ouders waren inmiddels gescheiden. Met gespreide armen stond ze me op te wachten op het Centraal Station, vastbesloten een sabbatical year te nemen. Alleen had ze toch wat minder tijd voor me dan ze zich had voorgenomen. Toen ik in de derde klas van het gymnasium bleef zitten, moest ik naar kostschool in Zwitserland. Ik was toen 16 en iets te geïnteresseerd in jongens. Met een zucht van verlichting leverde ze me af.’

Hoe was u als puber? ‘Nogal verongelijkt. In mijn adolescente leven begon ik het mijn ouders toch kwalijk te nemen. Ik werd existentialiste. Geheel in het zwart gekleed met witte lippenstift, heel donkere ogen en lang blond haar hing ik het artistieke type uit. Op latere leeftijd heb ik geprobeerd om het er met mijn moeder over te hebben. Maar dan kreeg ik zelf een kleur van gêne. Het schuldgevoel dat mijn ouders hadden moeten hebben, hevelden ze zo op mij over dat ik in totale verwarring raakte. Inmiddels heb ik het hun vergeven, hoor. Ze zijn nu alweer jaren dood.’

Wat doet u anders dan uw ouders? ‘Ik heb geprobeerd mijn twee kinderen wél op te voeden. Al is me dat niet altijd gelukt. Maar ik vind het heel belangrijk dat ze attent zijn, dat ze aandacht besteden aan anderen. Zelf doe ik daar ook mijn best voor.’

– Geboren: 17 november 1942

– In: Scheveningen

– Groeide op: bij haar grootouders, in twee pleeggezinnen en later op kostschool in Zwitserland[/wpgpremiumcontent]