Ik was 17 op het moment dat mijn vader kanker kreeg. Voor hemzelf was meteen duidelijk dat hij dood zou gaan, en dat vertelde hij ook zo aan mij. Ik was vooral boos op hem. Hoe kon mijn lieve, sterke vader mij zo in de steek laten. Mijn hele toekomstbeeld viel in duigen. Ineens was de puzzel niet meer compleet.

Toen hij na een ziekbed van twee jaar overleed, voelde het alsof er iets in mij ook doodging. De wereld stond een beetje stil. Ik woonde net op mezelf, maar na mijn vaders dood heb ik anderhalve maand bij mijn moeder gezeten. Ik durfde niet meer de straat op, niet meer naar de supermarkt. Ik wilde niet zien hoe het leven buiten gewoon doorging, dat trok ik gewoon niet. Op aandringen van mijn moeder ben ik na een tijdje toch teruggegaan naar huis, maar in de weekends zat ik nog steeds bij haar. Dat heeft jaren geduurd. Ik ging steeds weer terug naar mijn vertrouwde nest, het liefst was ik bij haar.

Ik merkte dat ik steeds banger werd om mijn moeder ook kwijt te raken. Wat als zij ook dood zou gaan? Soms werd ik ’s nachts wakker

Log in om verder te lezen.