‘Stuur ons uw mooiste afscheidsbrief,’ vroegen we u in het aprilnummer van dit jaar. Ruim zeshonderd lezers gaven aan die oproep gehoor. Ze schreven over het verlies van hun ouders. Het kwijtraken van vrienden. Afscheid nemen van een huis waar je lang hebt gewoond. Echtscheiding. Amputatie van een lichaamsdeel. Het ­verlies van illusies en dromen. Er was het briefje van een meisje dat zelfmoord had gepleegd. En de brief die haar moeder haar terugschreef: ‘Had je maar half zo goed kunnen praten als je kon schrijven, dan hadden we misschien nog iets voor je kunnen doen.’

Veel lezers gaven aan dat het schrijven ze geholpen had om het afscheid te verwerken. ‘Ik weet niet of mijn brief in aanmerking komt voor plaatsing,’ bericht een inzender die ons een pakket stuurde van bijna zeventig pagina’s dierbare herinneringen. ‘Maar zelfs als dat niet zo is, ben ik blij dat ik dit heb opgeschreven. Het heeft me enorm geholpen het verlies van mijn broer een plek te geven.’

Helende werking

Waarom is het helend om je gevoelens aan het papier toe te vertrouwen? Prof. dr. Alfred Lange, die uitvoerig onderzoek deed naar het therapeutische effect van schrijven: ‘Ten eerste stel je jezelf bloot aan pijnlijke emoties en gedachten. De theorie daarover is helder: leed wordt in stand gehouden door het vermijden van het meest pijnlijke. Je kunt je wel eindeloos wentelen in zelfmedelijden, maar dat is iets anders dan onder ogen zien waar je het meest bang voor bent. Door te schrijven, confronteer je jezelf juist met die pijnlijkste elementen.’

Ten tweede kan schrijven helpen om het afscheid ‘een plek te geven’: cognitieve herstructurering, in de termen van de psychotherapie. Lange: ‘Je onderzoekt welke rol een gebeurtenis speelt in je huidige functioneren, en zo geef je er betekenis aan. Je schrijft bijvoorbeeld niet alleen over je verdriet om je moeder die je al zo jong verloor, je beschrijft ook hoe dat verlies je gevormd heeft en wat je ervan hebt geleerd.’

Wanneer in therapie gebruikgemaakt wordt van schrijfopdrachten, gaat het er in eerste instantie om de emoties ‘van je af te schrijven’ tot de scherpste randjes ervan af zijn. Lange: ‘De “ongecensureerde brief” is daarvoor een heel krachtig instrument. Juist omdat je je direct richt tot degene die je leed berokkend heeft of om wie je verdriet hebt, is de zelfconfrontatie extra sterk.’ Het overgrote deel van de lezersbrieven valt in deze categorie. In de tweede fase, als het meest schrijnende gevoel tijdens het schrijfproces is afgenomen, komt ruimte voor het vormen van nieuwe gedachten. ‘In therapie leidt dat uiteindelijk tot het schrijven van een “waardige brief”, waarin je recht doet aan je gevoel, maar daar ook boven uitstijgt: je neemt afscheid van het verleden en maakt de stap naar een nieuwe fase.’

Ongecensureerde brieven zijn uitdrukkelijk niet bedoeld om op te sturen, waarschuwt Lange. ‘Maar als dat kan – als de betrokkene nog leeft, bijvoorbeeld – kan het versturen van de “waardige brief” veel opleveren. Ik ken het voorbeeld van een vrouw die er na lange tijd in slaagde haar gevoelens over haar incestverleden op papier te zetten en op die manier te verwerken. Uiteindelijk stuurde ze een brief aan haar vader, en tot haar verbazing was de reactie positief: hij had altijd al geweten dat hij verkeerd zat, maar durfde er niet over te beginnen. Maar het versturen is absoluut niet noodzakelijk. Het schrijven van een brief heeft altijd invloed, al is het maar omdat je eigen houding erdoor verandert.’

Storm in het hart

Wat waren de mooiste brieven? Hoe maak je een keuze uit zeshonderd hartenkreten, zeshonderd pogingen om een pijnlijk verlies te verwerken? Dan gaan esthetische criteria een rol spelen. ­Jurylid Yvonne Kroonenberg: ‘Het probleem met afscheidsbrieven is dat je ze schrijft als emotionele ontlading. Doel is het tot rust brengen van je emoties, het bedaren van de storm in het hart. Maar het wordt pas mooi als je die emoties oproept bij de lezer.’ Een paar briefschrijvers hebben dat weten te bereiken. Hun inzendingen vindt u op de volgende bladzijden.

Afscheid nemen is loslaten. In die zin is de favoriete brief van de jury geen echte afscheidsbrief, al is hij gericht aan een overledene. Rob Passchier schrijft zijn vader over dingen die hij niet eerder met hem heeft kunnen delen. Hij doet verslag van de uitvaartplechtigheid en brengt zijn vader op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Niet om afstand te nemen: hij haalt de band met ‘boven’ eerder aan. Soms is het voor afscheid nemen gewoon nog te vroeg.

Lieve pa,

Het was je misschien al opgevallen: ik zeg geen u meer tegen je. Tegen mamma ook niet. Geen twee mensen nauwer aan elkaar verwant dan een ouder en een kind. Daar hoort geen afstandscheppende beleefdheidsvorm tussen. Gek eigenlijk, dat je dat soort dingen pas beseft als het bijna te laat is.

Ik ben blij dat het goed ging tussen ons, de laatste jaren. En dat ik dat nog tegen je heb kunnen zeggen. Heel lang heb ik immers niets anders gedaan dan jou tegen de haren instrijken. Rare ideeën, rare vrienden, te weinig vriendinnen, rare muziek, rare kleren, raar haar, helemaal geen haar, tatoeages, verkeerde krant, verkeerde politieke partij, gevaarlijke motor, te oude auto. Er was altijd wel iets. Op school wilde het maar niet lukken, terwijl mijn broer een hoogvlieger was en mijn zus bovengemiddeld. Mijn werkzame leven kwam ook al niet erg op gang. Met je ideale schoondochter – gelukkig, een meisje! – hield ik het maar even vol. In mijn dubbele bovenwoning in De Grote Stad kwam je nooit, want het was er een rotzooi en het stonk naar kattenzeik.

Er veranderde veel toen ik Lilian, de moeder van je kleinkinderen, op mijn weg vond. Goed, we wilden niet trouwen, dat was weer tegen het zere been, maar de kinderen kwamen er toch. Je leek zowaar een beetje trots op me. Helemaal toen ik je een kleinzoon gaf, die de familienaam veilig kon stellen. En toen ik ook nog eens ging studeren en mijn studie in minder dan vier jaar afrondde, terwijl de hoogvlieger al vijftien jaar bezig was… je hebt het nooit tegen me gezegd, maar je moet toch iets gevoeld hebben.

Je laatste woorden zal ik nooit vergeten. Het was de nacht van zondag op maandag, je derde nacht in het ziekenhuis en je kon de linkerkant van je lichaam nog bewegen. Met moeite, maar toch. Als je inademde, maakte je rochelende geluiden die door merg en been gingen. Mamma was met je dochter naar huis om wat te slapen. We waren alleen. Samen. Om een uur of vier – ik probeerde een boek te lezen – trok je mijn aandacht. Toen ik over je heen gebogen stond om je beter te kunnen horen, vroeg je moeizaam en nauwelijks verstaanbaar: ‘Heb je geslapen?’ Toen ik ontkennend antwoordde, omhelsde je me, met die ene arm die het nog deed. De laatste keer dat je me omhelsde kon ik me niet herinneren. Er biggelden tranen over je wangen: die had ik al ­helemáál nooit gezien. Die week zouden er nog een heleboel volgen.

Ongeveer een uur later lag je op de intensive care omdat je niet meer kon ademen. En niet meer kon bewegen, bleek de volgende ochtend. Ook je ogen waren voor altijd in dezelfde richting vastgevroren. Je kon alleen nog maar knipperen. De infarcten waren opgerukt tot je hersenstam: alle verbindingen met het lichaam waren onherroepelijk verbroken. In de vijf dagen die volgden, werd het langzaam maar zeker duidelijk dat we alleen nog maar afscheid aan het nemen waren. Je zat opgesloten in je lichaam – volkomen helder, dat was het allerergste – en zou nooit meer kunnen ontsnappen. Ja, één keer, definitief. Toen de arts ons inlichtte over het onomkeerbare van de situatie, barstte zelfs de verpleegkundige in huilen uit, wist je dat?

Toen we de arts ons plan voorlegden om via een letterkaart met je te communiceren – door met je ogen te knipperen moest je dan aangeven welke letter je bedoelde – sloot hij min of meer uit dat dit zou lukken. Het lukte natuurlijk wél. Onbeantwoorde levensvragen leverde het niet op: ‘Herrie’, ‘Dorst’, veel verder kwam het niet. Hoewel je laatste vraag diep in onze ziel sneed: ‘Kom ik nog thuis?’ Nee pa, dat kom je niet.

Dat mamma zo moedig was, zo moedig ís, dat heb ik nooit beseft en daar schaam ik me een beetje voor. De arts stelde voor je niet te vertellen dat je zou gaan sterven, en hoewel we ons daar aanvankelijk in konden vinden, waren we de volgende ochtend allemaal tot de conclusie gekomen dat we dan tegen je zouden liegen. Toen heeft mamma aan je gevraagd of je nog verder wilde leven. Eigenlijk wist ze het antwoord al. Het was vrijdagmiddag, tegen drie uur, toen de arts de machine uitschakelde. Twintig minuten later verliet je je gevangenis. We waren allemaal bij je.

Je uitvaart was indrukwekkend. Niemand kon het begrijpen, ongeloof voerde de boventoon. Zo vitaal, zo sportief, honderden kilometers op de fiets, het hele jaar door op vakantie, geen druppel alcohol. De caravanclub, het blok aan je been, je zwaard van Damocles: ze waren er allemaal. Nou ja, bijna allemaal. Veel familie ook: broers en zussen, maar ook nichten en neven. Buren. Je schoonmoeder in een rolstoel. Tweehonderdvijftig mensen waren er, minstens. Bij lange na niet ­genoeg zitplaatsen in het zaaltje van het crematorium. Mamma hield een lang en indringend verhaal, bijna zonder haperen. Ik had ook een tekstje op papier gezet, maar ik kon het niet uit mijn strot krijgen. Lilian, mijn steun en toeverlaat, heeft het voor me voorgelezen. Heb je het gehoord?

‘Lieve pa. Opa. De tocht die je nu bent begonnen, hoef je niet zelf uit te zetten. De eeuwige jachtvelden zijn één grote bewegwijzerde anwb-route, met volop panoramapunten. En het is vast altijd mooi weer. Wind mee. Helling af. Hoogste versnelling. We fietsen op een afstandje met je mee. Rij niet te hard, pa. Ooit halen we je in.’

Dat was hem. Vond je het wat? Sorry dat ik het zelf niet… Mamma vertelde dat jij zoiets ook niet kon. Nooit verlegen om een speech, maar als er iemand dood is…

Tot slot, pa, zal ik je nog even op de hoogte brengen van de laatste ontwikkelingen.

Isolde, je kleindochter, is vandaag voor de ­allereerste keer op schoolreis geweest. Met de bus naar De Efteling. Ze had vier euro mee – meer mocht niet van de juf – en daar heeft ze een kettinkje van gekocht. Aan de steen kun je zien wat voor weer het wordt, vertelde ze vol trots. Zondag heeft ze haar tweede balletexamen.

Je kleinzoon Merlijn zit nu ook op gym, net als Isolde. Hij is net zo bang als ik vroeger, maar hij gaat steeds meer durven. Hij is beslist net zo slim als zijn opa. En net zo eigenwijs, hoewel jij altijd zei: ‘Ik ben niet eigenwijs, ik heb gewoon gelijk.’ Je zou met de dag trotser op hem zijn, ik weet het zeker.

En dan mamma. Nog iemand om trots op te zijn. Ze doet mee met de fietsvierdaagse in Friesland! Ze logeert bij mensen van de caravanclub die daar in de buurt wonen. Ik ken ze niet, maar jij weet vast wel wie het zijn. Vijfenveertig kilometer hebben ze gisteren gefietst, en vandaag zouden het er zestig worden. In de zomervakantie gaat ze met ons mee naar diezelfde boer waar we vorig jaar ook stonden, bij het vliegveldje waar we nog naar de parachutisten hebben zitten kijken, weet je nog? Ze is echt heel flink, mamma. Ik heb je zegelring van haar gekregen.

En verder: Ruud Gullit is alweer weg bij ­Feyenoord. PSV is kampioen. Geloof ik. Ik volg het nog steeds niet, dat moet je me maar vergeven.

We denken allemaal aan je. We praten ook dikwijls over je, en over die verschrikkelijke week in het Erasmus. De kinderen vragen vaak waar je bent. Isolde heeft lange tijd met de gordijnen open geslapen, ‘omdat opa me dan kan zien.’ Merlijn, je oogappel, komt nu, ruim een half jaar later, nog steeds met grootse plannen om in een vliegtuig te stappen en bij opa op bezoek te gaan, hoewel andere keren een simpele ballon of zelfs een bezemsteel voldoet.

We missen je, kortom. Ik mis je.

Rob

Lieve jij,

Vanochtend stond ik op in de wetenschap dat het een moeilijke dag zou worden. 52 jaar, alweer een stap dichter bij de 60. Vroeger was ouder worden een terloopsheidje, 33 of 34 maakte niet veel uit. Weet je nog, hoe ik gecondoleerd werd vlak voor het dertigste kroonjaar? Alsof je bij 30 met één been in het graf stond, wat een pessimisten! Ik zat er niet mee, het leven begon bij 40, dat hoorde je zo vaak. En was het leven niet heerlijk? Puber­onzekerheden ­bestonden niet meer, mijn vrouwelijkheid en charme werden regelmatig bevestigd en de carrière verliep voorspoedig. Alles klopte: man, kind, koophuis, twee auto’s en op z’n tijd wat avontuur.

Dat de dingen in sneltreinvaart gaan zoals ze moeten gaan, wil ik niet ontkennen. Natuurlijk verliet het kind het nest. De onvermijdelijke rimpeltjes en grijze haren namen bezit van mij en op straat werd er ’s zomers nauwelijks nog naar mij gefloten (je weet toch dat ik een salon­feministe ben). Ach, ik had m’n deel gehad. Maar toch…

Vanaf mijn vijftigste sloeg het toe: een kil, grijs gevoel drong zich aan me op. Dat ik in de ogen van anderen een ouwe bes was, kwelde me. Zelfs het door mij altijd gekoesterde intuïtiestemmetje bemoeide zich ermee. Dagelijks siste het een straaltje gif naar binnen: ‘Een ouwe meid begint aan haar Zwitserleventijd.’

Strijdlustig ontkennend maakte ik een plan. Gedisciplineerd gooide ik 20 kilo van me af. Ik verzamelde folders over buikwandcorrectie en botox. De dermatoloog verwijderde de eerste ouderdomsvlekjes. En dankzij mijn personal trainer ontdekte ik spiertjes waarvan ik niet wist dat ik ze had. Samen met kind kocht ik in trendy winkeltjes weer rokjes in maat 38. De dag kleurde goud toen ik voor haar zus werd aangezien. Oud? De duvel was oud. Een nieuwe ik – jij – was geboren.

Waarom de botjes roet in het eten gooiden, weet ik niet. Man begon er het eerst over. Als hij een stuk had gewandeld, voelde hij zijn heup. Traplopen viel hem ook wat zwaar. Tennissen ging nog prima, maar de dag erna voelde het toch niet prettig. Of ik dat ook had. Liegen had geen zin, hij zou mij doorzien. Dus biechtte ik mijn pijnlijke duimgewrichten en zware schouder op. We keken elkaar peinzend over onze leesbrilletjes aan. Tja…

Na het botjesgesprek hadden we het regelmatig over ouder worden. We werden er steeds wat giechelig van, die heb-jij-dat-ook-gesprekken. Langzaam groeide bij mij het besef dat er iets niet klopte. Ik genoot wel van mijn nieuwe ik, maar ik ontkende mijn zelf.

Vandaag zorgde man voor de interne verzoening. Wat hij schreef op mijn verjaardagskaart, bracht mij weer in evenwicht. Alleen jij mag weten waar hij mee eindigde: ‘Als we straks twee gerimpelde appeltjes zijn, zal ik nergens spijt van hebben, maar terugzien in tevredenheid en dankbaarheid. Ooit samen piep, straks samen stok. Het leven is een feest.’

Lieve jij, je zal altijd bij me horen. Toch laat ik je achter. Samen met man ga ik genieten van het senioren, ook al horen daar wat kwaaltjes bij. Ik omarm de nieuwe levensfase, in de wetenschap dat ik je weer tegen zal komen als het in mijn bovenkamertje wat stoffig wordt, samen met puber-, meisje-, kleuter- en baby-ik. Dank voor de fijne tijd.

Voor altijd, jouw ik.

Vicky van der Hof

Vader,

Deze brief zal nooit verzonden worden, want je bent al acht jaar dood. Het duurde lang voor ik mij ertoe kon aanzetten in je kist te kijken. De eerste confrontatie met een dode geeft mij immers altijd weer een schok. En dit was jij, je scherpe trekken verstild in de dood, je dikke grijze haar netjes gekamd. Toen ik je de dag van je begrafenis weer zag, leek het wel gegroeid en had het zijn natuurlijke warrige vorm weer aangenomen. Het gaf je iets artistieks. Ja, je bent altijd een knappe man geweest, zelfs in de dood. Een graag gezien man in het dorp, dus veel belangstelling en al even zoveel tranen. En terwijl de pastoor de levensloop van jou aan de parochianen voorbij liet gaan, stond ik daar afwisselend te vechten tegen mijn woede en verdriet. Want er was één aspect dat niet werd aangeroerd: het jarenlange, systematische seksueel misbruik van je vier dochters.

God, wat had ik dat die schijnheilige kliek dit graag willen toeschreeuwen in de kerk, want er waren er ongetwijfeld die op de hoogte waren. In ieder geval mijn drie zussen en broer, zelfs de pastoor.

De angst zat er kennelijk nog goed in, want je had ook ‘losse handjes’. Toen ik voor de eerste keer werd geconfronteerd met de enorme omvang van je geslacht en in mijn kinderlijke argeloosheid tegen mama zei dat je een veel grotere piemel had dan mijn broertje, kwam je uit je stoel omhoog en begon met je knokkels tegen mijn hoofd te roffelen in een steeds sneller staccato. Je stopte pas toen je uitgeraasd was en ik op de grond lag. Sindsdien heb ik gezwegen.

Lang heb ik mij afgevraagd waarom ik zo’n verdriet voelde na je dood. Voor de woede had ik wel een verklaring: je bent ertussenuit getaaid terwijl ik nog niet klaar was met je. Jarenlang heb ik gedroomd van en verlangd naar een gewoon, normaal gezin, met lieve, zorgzame ouders. Ver­driet om datgene wat nooit is geweest.

Eenzaam was ik in die periode na je dood, immers: geen hand op mijn schouder, geen woorden van troost. Men was van mening dat ik toch opgelucht moest zijn. Je ligt in hetzelfde graf als mama, ironisch genoeg boven op haar – iets wat zij bij leven jarenlang niet meer tolereerde, werd haar in de dood opgedrongen. Ik hoop dat zij je eindelijk ter verantwoording heeft geroepen. Vier levens heb je kapotgemaakt, mijn dochter het plezier ontzegd van een lieve opa. Toen je haar vlak voor je dood na jaren toevallig ontmoette, gaf je haar een hand met de woorden ‘dag mevrouw’. Ik groet je met de woorden ‘dag meneer’, want met deze brief neem ik definitief afscheid van je als mijn vader. Ik koester liever de droom die ik als kind al had: dat een toevallig passerende lieve Duitse soldaat mij heeft verwekt.

naam en adres bekend

 

Nog steeds

het is al zo lang geleden dat wij afscheid namen. Natuurlijk hebben we elkaar eerst ontmoet, nog langer geleden. Ik weet het nog zo goed. Jij, met je donkerbruine krullen en even zo bruine ogen, waarin ik verdronk. Ik viel voor je als de welbekende baksteen. Eigenlijk kon het niet, maar de aantrekkingskracht was te groot om uit elkaars buurt te kunnen blijven. Na enige tijd bleek ik zwanger te zijn. Dat was schrikken voor onze ouders. De meningen waren verdeeld, maar wij volgden ons hart. Ik woonde al op mezelf en jij trok bij mij in. We werkten, jij nam rijles en we namen een hond. We namen onze eigen beslissingen en bouwden zo ons leven samen op.

Ons flatje was ingericht met een ratjetoe aan spullen, voor sommige mensen reden om meewarig te kijken. Voor ons was het de hemel op aarde. We waren jong en we vonden het geweldig om onze eigen gang te kunnen gaan. Zo laat thuis te komen als we wilden, eten wat we wilden, vrienden uitnodigen en heel belangrijk: vrijen wanneer we wilden. Nog steeds weet ik precies hoe je rook, hoe je aanvoelde, hoe je me kuste en hoe je me aankeek met dat speciale lachje van je. De rilling van genot die overdag door me heen kon gaan, als ik terugdacht aan de nacht ervoor. Ik hield zo ontzettend veel van jou. Intussen werd ik dikker en dikker en het baby­kamertje werd in orde gemaakt. We gingen samen naar de zwangerschapsgym, jij luisterde met een wc-rolletje naar zijn hartslag en voelde hoe hij bewoog.

En op een dag kregen we een zoon! In het begin was alles geweldig, maar al snel begon onze ­hemel te scheuren. We werden geconfronteerd met een situatie die een wijsheid vereiste die wij nog niet bezaten. We waren nog zo ontzettend jong. Te jong om te kunnen omgaan met de problemen waar we in terechtkwamen. Liefde bleek niet genoeg. Wie verliet uiteindelijk wie? Jij bleef twijfelen tussen weggaan of blijven. Ik maakte de keus om niet voor jou te vechten. Jij ging. Beiden trouwden we met een ander, en ik was blij dat jij weer gelukkig was. Onze levens lagen nu mijlenver uiteen, maar toch bleef een stukje van mijn hart altijd van jou.

En nu, zoveel jaren later, kan ik nog altijd de magie voelen van de liefde die we eens deelden. ’s Nachts in mijn dromen ontmoet ik je nog steeds. Soms kijken we elkaar alleen maar aan, soms praten we en soms kussen we elkaar. Zo blijf ik telkens weer afscheid van je nemen. Elke ochtend opnieuw wanneer ik ontwaak, jou achterlatend in mijn droom.

Franziska Weissenbacher

Voordat je ging

Ik heb vannacht weer over je gedroomd. Plotseling stond je in de pianokamer.

Jong en mooi, in een donker pak met stropdas. Je zei niets en glimlachte. Voordat ik het wist, was je verdwenen.

In zacht ochtendlicht word ik wakker en besef dat je niet meer leeft.

Ik vraag me nog steeds af hoe jij die laatste week hebt ervaren. Je was onder de invloed van morfine, waardoor ik niet weet wat je ervan meegekregen hebt. Door de bestraling waren je stembanden aangetast en kon je de laatste maanden alleen nog maar fluisteren.

De laatste dagen in het ziekenhuis sliep je veel. Soms gleden jouw vingers over de mijne; door het dunne laagje eelt op mijn vingertoppen van het gitaarspelen wist je dat ik het was die je hand vasthield. Een nauwelijks merkbare glimlach gleed over je gezicht.

Eenmaal trok je me dichterbij tot mijn oor bijna tegen je mond rustte. ‘Wat duurt het lang,’ fluisterde je moeizaam in een helder moment. Ik kon niets terugzeggen, de woorden bleven steken in mijn keel.

Je sterfbed was niet zoals in films. Er werden geen fouten vergeven of geheimen opgebiecht. Er hing een intense stilte; een wachten op de naderende verlossing.

In de vijfde nacht kwam een verpleegster de laatste en de hoogste dosis morfine toedienen. Je ogen waren open, maar je zag niets meer en lag onbeweeglijk. Terwijl je koele hand in de mijne lag, haalde ik in gedachten herinneringen op. Hoe ik aan je hand liep tijdens een vakantie in de bergen. De onstuimige verhalen die je verzon, terwijl ik als kleuter met rode wangen in bed lag te luisteren. De zondagse ritjes langs de huizen die je had gebouwd. Dat we samen gitaarspeelden en zongen. Hoe je onze gestorven hond had begraven en terugkwam, een beetje snotterig, met de smoes dat je verkouden was geworden. En dat je iedere avond op mijn kamer keek voordat je naar bed ging. Om te kijken of alles in orde was. En ik vaak deed alsof ik al sliep.

De volgende ochtend stierf je. Ik sloot je ogen van glas en je mond die een beetje openstond. Ik heb je haar nog gekamd, omdat je er van hield dat het netjes zat. Buiten was de lente begonnen met zachte zonnestralen die speelden over piepkleine groene blaadjes aan de bomen.

Ik had je nog zoveel langer willen meemaken.

Misschien ben je nu mijn beschermengel, mijn eeuwige redder in nood, al kan ik je niet zien. Al schrijvend voel ik dat ik geen echt afscheid van je hoef te nemen: je huist in mijn diepste wezen.

In mijn kindertijd tilde je me bij je thuiskomst op en gooide me in de lucht. Mijn sterke stoere vader. Je rook naar hout, Caballero en de grotemensenwereld. Een paar seconden zweefde ik helemaal alleen in het luchtledige. En ik schaterde van plezier, omdat ik wist dat je me nooit zou laten vallen.

Alice Kok

Afscheid van Vera

Zo stil lig je,
je haar
heel glad
en netjes.

Je ogen dicht,
je mond
een beetje open.

Het is me zo
dierbaar, je gezicht.
Je legerbroek
met slierten,
het vestje,
het shirt
van je zus.

Een vriendin
geeft een
armband
en ik
geef een kus.

Oneindig geliefde

Vera,
ons zusje,
ons kind.

Ga maar
lieverd,
naar waar
het goed is
en ik je ooit
weer vind…

Wilma Snakenborg

Onze dochter Vera overleed ten gevolge van een ernstig ongeluk tijdens onze vakantie in Frankrijk. Ze werd 10 jaar, bijna 11

 

Wegens gebrek aan belangstelling bij de boekhandel heeft uitgeverij L.J. Veen besloten de brieven niet in boekvorm uit te brengen.[/wpgpremiumcontent]