Baby als proefkonijn

Het experiment:

Het aandoenlijke verhaal van ‘kleine Albert’ is terug te vinden in ieder handboek voor psychologiestudenten. Deze elf maanden oude baby speelvde in 1920 de hoofdrol in een experiment van psycholoog John Watson en zijn assistente Rosalie Rayner. Watson liet de blije baby Albert – overigens niet zijn echte naam – met een witte laboratoriumrat spelen. Telkens als het jongetje zijn handjes uitstak naar de rat, sloeg Watson achter hem keihard op een stalen stang, waarna het ventje van schrik luidkeels in snikken uitbarstte.

Het resultaat:

Vond het kleine jongetje de rat eerst nog reuze interessant, later begon hij al te huilen bij alleen al de aanblik van het dier. Na een poosje joegen ook andere pluizige dieren en dingen het ventje angst aan, zoals een konijn en een bontmantel. En helaas verzuimde psycholoog Watson om het jongetje na afloop van het experiment te deprogrammeren. Het verdere lot van Albert was lange tijd een mysterie, maar een paar jaar geleden wist een academisch onderzoeksteam zijn ware identiteit te achterhalen. In werkelijkheid heette hij Douglas Merritte. Helaas was Douglas op 6-jarige leeftijd gestorven aan een waterhoofd. Of hij tot die tijd bang was voor alles wat pluizig was,

is onbekend.

Wat we ervan geleerd hebben:

Dat je emotionele reacties – zoals angsten – kunt aanleren.

Aap in het gezin

Het experiment:

De Amerikaanse psycholoog Winthrop Kellogg was gefascineerd door wolfskinderen. Deze kinderen, die opgegroeid waren bij wolven, gedroegen zich eenmaal terug in de mensenwereld niet bepaald als mensen; ze spraken niet maar gromden, en ze smulden van kleine vogels. De meeste mensen dachten daarom dat ze niet erg snugger waren. Zo niet Kellogg: hij was ervan overtuigd dat hun vroege ervaringen bepalend waren voor hun gedrag.

Omdat het onaanvaardbaar was een kind van normale intelligentie in een dierengezin te plaatsen om zijn idee te toetsen, besloot hij het omgekeerde te doen. Zijn vrouw en hij namen in 1931 de zeven maanden oude chimpansee Gua in huis en behandelden de aap precies hetzelfde als hun tien maanden oude zoontje Donald. Net als Donald werd Gua rondgereden in een kinderwagen en at hij met een lepel. Zou het dier zich als mens gaan gedragen?

Het resultaat:

De aap ontwikkelde zich in sommige opzichten sneller dan Donald. Hij kon beter klimmen en klauteren. Als hij stout was geweest, vroeg hij met een kus om vergeving. Maar het was Donald die uitblonk in het nadoen van Gua. Als hij honger had, slaakte hij aapachtige kreten en gromde hij. Tot verdriet van zijn ouders kende Donald veel minder woorden dan zijn leeftijdgenootjes. Het mensenkind ging zich dus eerder als apenkind gedragen dan andersom. Na negen maanden werd het experiment stopgezet.

Wat we ervan geleerd hebben:

Dat het vermogen van een mens om zich aan te passen en anderen te imiteren veel groter is dan dat van een dier. Ofwel: mensen zijn beter in na-apen dan apen.

Onterecht opgenomen

Het experiment:

De Amerikaanse psycholoog David Rosenhan was benieuwd hoelang zou het duren voordat neppatiënten in een psychiatrische instelling zouden worden ontmaskerd. Daarom meldden acht geestelijk gezonde mensen, onder wie Rosenhan zelf, zich eind jaren zestig bij verschillende psychiatrische instellingen. Daar meldden ze dat ze stemmen hoorden. Op de vraag wat deze stemmen zeiden, antwoordden de ‘patiënten’ dat ze niet erg duidelijk waren, maar dat ze soms de woorden ‘ hol’, ‘dof’ en ‘leeg’ konden onderscheiden. Rosenhan had hiervoor gekozen omdat een dergelijk symptoom niet in de handboeken voorkwam.

Het resultaat:

Nadat de neppatiënten hun intrek hadden genomen in de psychiatrische instelling, gedroegen ze zich zo normaal mogelijk en vertelden ze het personeel dat hun klachten over waren. Toch kregen ze tot grote verbazing van henzelf en Rosenhan bijna allemaal de diagnose schizofrenie (met als kanttekening ‘in remissie’ – wat wil zeggen dat de ziekteverschijnselen zijn verminderd). Het duurde gemiddeld negentien dagen voordat ze uit de kliniek werden ontslagen. De echte patiënten hadden beter dan het personeel in de smiezen dat er iets niet in de haak was. Zo zou een van hen hebben gezegd: ‘Jij bent niet gek, je bent een journalist of een professor.’

Wat we ervan geleerd hebben:

Dat het oordeel over de vraag of gedrag al dan niet geestelijk gezond is, ook afhangt van de situatie waarin we ons bevinden. Dat de ‘patiënten’ zich volstrekt normaal gedroegen, viel in de context van de psychiatrische instelling niet op. Hoewel hij nadien veel kritiek kreeg op zijn methodologie, maakt Rosenhans onderzoek – dat hij in 1973 publiceerde in het tijdschrift Science – duidelijk dat je maar moeilijk weer van een psychiatrisch stempel af komt.

Weesjes in de klem

Het experiment:

Tot in de jaren dertig dacht men dat als je als stotteraar ter wereld kwam; je enige optie was om daarmee te leren leven. In 1939 wilde de Amerikaanse spraakpatholoog en stotteraar Wendell Johnson bewijzen dat stotteren was aangeleerd, en dus ook weer kon worden afgeleerd. Daarvoor gebruikten hij en zijn studente Mary Tudor weeskinderen, overigens zonder hun instemming. Dat ging als volgt: kinderen die stotterden en niet-stotteraars werden gemengd en daarna in twee groepen verdeeld. De ene groep werd geprezen om hun vloeiende taalgebruik, de andere helft werd gekleineerd of – als ze nog niet stotterden – verteld dat ze op het punt stonden om stotteraars te worden.

Het resultaat:

Wendell Johnson heeft nooit over dit onderzoek gepubliceerd, maar uit een analyse van zijn gegevens door Nicoline Ambrose en Ehud Yairi in 2002 bleek geen eenduidig effect van prijzen of kleineren op hoe vloeiend de kinderen spraken. Wel had het andere effecten: Mary Tudor noteerde dat normaal sprekende kinderen die in de tweede groep waren ingedeeld, door de manier waarop ze bejegend werden, hun mond niet meer durfden open te doen. Daardoor gingen hun schoolprestaties achteruit.Wat de gevolgen op lange termijn waren, is nog steeds onderwerp van debat. Een aantal jaar geleden ging een journalist op zoek naar de kinderen die hadden meegedaan aan het onderzoek, dat nu bekendstaat als the monster study. Sommigen van hen zeiden ernstige emotionele schade aan de ervaring te hebben overgehouden. In 2001 kregen zij excuses en een schadevergoeding van de universiteit van Iowa toegewezen.

Wat we ervan geleerd hebben:

Dat je bij stotteren niet alleen aandacht moet besteden aan de fysiologische, maar ook aan de psychologische aspecten. Hoe banger een stotteraar bijvoorbeeld is om te spreken, hoe erger het wordt.

Oorlog op zomerkamp

Het experiment:

Om beter te begrijpen hoe groepsconflicten ontstaan, bedacht Muzafer Sherif in de jaren zestig een serie ingenieuze experimenten. Hij stuurde jongens van 11 en 12 op kampeervakantie naar Oklahoma’s Robbers Cave Park. Daar werden ze in twee groepen verdeeld: de Eagles (Adelaars) en de Rattlers (Ratelslangen). Iedere groep kreeg zijn eigen hut, en ontwikkelde al snel zijn eigen regels. Na een poosje lieten de onderzoekers de teams om mooie prijzen tegen elkaar strijden in bijvoorbeeld voetbal- en honkbalwedstrijden.

Het resultaat:

Hoewel de jongens willekeurig over de twee groepen waren verdeeld, en sommigen zelfs eerst vrienden waren met jongens uit de andere groep, ontstonden in een rap tempo vijandigheden – zelfs al vóór de competities werden geïntroduceerd. Daarna was het hek van de dam: de jongens speelden gemeen vals en maakten elkaar uit voor rotte vis. Op een gegeven moment verbrandden de Adelaars een vlag van de Ratelslangen, waarna er over en weer plunderingen plaatsvonden. Kortom: het eens zo vredige zomerkamp met keurige jongens leek meer op een oorlogszone. In de laatste fase van het experiment probeerde Sherif de twee groepen te verzoenen. Dat was lastiger dan gedacht: pogingen om de jongens samen iets leuks te laten doen, liepen op niets uit. Wat uiteindelijk wél effect had: een gemeenschappelijk doel. Toen de onderzoekers deden alsof de watervoorziening stuk was, werkten de jongens samen om het lek te vinden.

Wat we ervan geleerd hebben:

Dat er heel weinig nodig is om tussen twee groepen vijandigheid uit te lokken, maar ook dat je ze door gemeenschappelijke doelen weer met elkaar kunt verzoenen.

Meisje in een jongenslichaam

Het experiment:

Op 22 augustus 1965 zag de eeneiige tweeling Bruce en Brian Reimer het levenslicht in het Canadese Winnipeg. Bruce werd besneden omdat zijn voorhuid te nauw was, maar tijdens de ingreep ging er iets vreselijk mis, waardoor zijn piemeltje niet meer viel te reconstrueren. Psycholoog John Money stelde voor om Bruce als meisje door het leven te laten gaan. De psycholoog was ervan overtuigd dat sekse-identiteit was aangeleerd. Het was voor hem dé kans om zijn theorie te bewijzen: hij had twee identieke jongetjes, waarvan de een als meisje zou worden opgevoed.

Het resultaat:

Brian werd gecastreerd en ging voortaan door het leven als Brenda. Als kind bleef ze geregeld bij John Money komen voor psychologische begeleiding. Hoewel Money over de zaak publiceerde alsof het een groot succes was, was de werkelijkheid anders. Brenda werd gepest en voelde zich geen meisje. Ze wilde niet meer naar Money toe omdat hij haar dwong zich als meisje te gedragen. Bovendien zette hij haar onder druk om een vagina te laten construeren. Als puber werd Brenda depressief en dreigde met zelfmoord, waarop haar ouders haar de waarheid vertelden. Ze besloot weer als jongen – David – verder te leven, en trouwde later een vrouw met drie kinderen. Toen het huwelijk bergafwaarts ging, schoot David zich op 38-jarige leeftijd door het hoofd.

Wat we ervan geleerd hebben:

Dat er veel voorzichtiger wordt omgesprongen met geslachtsveranderingsoperaties. Bovendien laat deze treurige zaak zien dat je gevoel een man of vrouw te zijn, niet alleen is aangeleerd (nurture), maar ook aangeboren (nature).

Hulpeloze honden

Het experiment:

Hoewel we de Amerikaanse psycholoog Martin Seligman tegenwoordig vooral kennen als geluksonderzoeker en grondlegger van de positieve psychologie, vulde hij zijn tijd in de jaren zestig met minder prettige zaken. Samen met zijn collega Steve Maier experimenteerde hij namelijk op honden door ze elektrische schokken toe te dienen. Sommige honden konden de schokken stoppen door een knop in te drukken, bij andere honden werkte de knop niet. Wat deze laatste groep ook probeerde, ze konden niet ontsnappen aan de pijnlijke behandeling. Daarna werden de honden in een nieuwe experimentele situatie geplaatst. Daarin konden ze aan elektrische schokken ontsnappen door simpelweg over een scheidingswand naar de andere kant van de kooi te springen.

Het resultaat:

Opmerkelijk genoeg grepen niet alle honden de kans op ontsnapping aan. Het overgrote deel van de honden die eerder geen controle hadden gehad over hun lot, probeerde niet eens om aan de pijnlijke ervaring te ontkomen. Zij lagen jankend op de grond en ondergingen hun lot gelaten. Deze reactie wordt sindsdien ook wel ‘aangeleerde hulpeloosheid’ genoemd.

Wat we ervan geleerd hebben:

Dat wie geen controle heeft over zijn lot, daardoor depressief kan raken. Als je niet weet of wat je doet zin heeft, ga je snel bij de pakken neerzitten.

Honger naar meer psychologische kennis?

Met de online training ‘Inleiding in de psychologie’ doet u uzelf meer verstand van de wetenschappelijke psychologie cadeau.

Kijk op psychologiemagazine.nl/trainingen[/wpgpremiumcontent]