Als hij tegenover de massa staat, houdt Bush het midden tussen John Wayne en een bokser vlak voor een gevecht: een opgezette borst, de armen een eindje van het lichaam af, de ogen samengeknepen als kijkt hij in een zonnige verte, de mondhoeken naar beneden alsof het toch niet pluis is daar. Zijn blik is vast en intimiderend: iemand die voortdurend je reacties taxeert op wat daar zwak en sterk aan is. Bush praat wat lijzig en is goed in korte, vertrouwde zinnen, eenvoudige woorden en duidelijke pauzes, en zonder één tel zijn blik van je af te wenden. De laatste lettergrepen rekt hij op zuidelijke wijze wat op alsof dat lekker voelt.

Applaus doet hem goed en hij toont dat met een vage lach, de wenkbrauwen charmant opgetrokken. Ook andere emoties – hartelijkheid, dankbaarheid, medeleven – gaan hem makkelijk af. Bush kan charmeren. Veel twijfels lijkt hij niet te kennen, niet iemand die over zichzelf of wat dan ook inzit. De suggestie is duidelijk: je krijgt wat je ziet: een ‘echte man’, agressief en gevaarlijk, zonder veel remmingen of woorden.

Het verschijnen voor publiek gaat Gore veel minder makkelijk af. Hij loopt stram en heel rechtop. Zolang Gore handen

moet schudden, gaat het nog wel, maar als hij applaus in ontvangst moet nemen, wordt hij hulpeloos, een vertoon van verlegenheid en ĝne, zeker geen welbehagen. Eenduidige emoties behoren trouwens helemaal niet tot zijn favoriete repertoire. Zijn gezichtsspieren beperken zich tot beweginkjes van de mondhoeken, ogen en oogleden, een stroom van diskwalificerende commentaartjes op wat er gebeurt en wat hijzelf doet. Je ziet hem denken. Gore is ook een slikker: wat hem niet bevalt, slikt hij manmoedig weg, een opvallend grote jongen die dapper zijn hele bordje leegeet, ook al is het gevuld met stukgekookte spruitjes, aangebrande aardappels en draadjesvlees. Verder praat hij nerveus, een lange stroom van haastig en monotoon uitgesproken woorden zonder pauzes of nadruk. Hij moet alles zeggen, alles is belangrijk.

Een ander probleem is de kwaliteit van zijn mediatraining, die hem heeft opgescheept met een aantal wezensvreemde en daardoor potsierlijke gebaren en acts – op het podium tongzoenen met Tipper MacBeth! – die hem tot een makkelijk mikpunt maken. En dan is er – ook non-verbaal – nog altijd het beeld van Al Gore als vice-president, het toonbeeld van gedienstigheid, een loyale kopieermachine van alle gebaren en houdingen van zijn chef, terwijl hij zich plaatsvervangend doodschaamt over het gedoe rondom die gretige stagiaire.

De conclusie is dat Gore’s gedrag natuurlijk wel appelleert aan alle moederlijk gevoelens, maar ik ben niet optimistisch over zijn kansen als het alleen zou gaan om het non-verbale gedrag. Laten we hopen dat het ook om wat anders gaat.

Marc Schabracq is Arbeids- en Organisatiepsycholoog, werkzaam als zelfstandig adviseur en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Naast twee romans, een verhalenbundel en een dissertatie publiceerde hij zestien boeken en meer dan honderd artikelen en hoofdstukken over stress, oudere medewerkers, communicatie en organisatiecultuur.