Laura Brown is een prominent feministisch psychotherapeute en gaf in Nederland een lezing voor de Onderzoeks school Psychology & Health. Brown probeert haar vrouwelijke en mannelijke cliënten te helpen door hen bewust te maken van de maatschappelijke achtergronden van hun klachten. ‘Tijdens de therapie komen vragen omtrent ras, geslacht, klasse en discriminatie altijd aan de orde. Cliënten leren op die manier de eigen problemen in een breder perspectief te plaatsen. Zij zijn zelf niet verantwoordelijk voor de ellende die op hun pad is gekomen, maar zijn het slachtoffer van een sociaal systeem dat georganiseerd is op basis van macht. Deze bewustwording verlost iemand van de verlammende twijfel over de eigen tekortkomingen. Mensen krijgen weer de ruimte om op zichzelf te vertrouwen en hun stem te verheffen. Het doel van de therapie is altijd om de machtelozen de touwtjes in handen te geven.’

Brown laat zich kennen als een kind van de jaren zestig. ‘Ik ben al zo lang feminist als ik mij kan herinneren, hoewel ik nooit ernstig gediscrimineerd ben. Mijn vader en moeder vonden dat elke denkbare carrière voor een vrouw weggelegd kon zijn, maar op de middelbare school was ik het enige meisje dat lid was van de wetenschaps- en computerclub. Vrouwen werden nog steeds beschouwd als seksuele objecten en hun vaardigheden werden onderschat.’

Brown wilde de wereld hervormen en toevallig werd een studie psychologie een middel om daar aan te werken. ‘Bij ons in de buurt woonden geweldige mensen. Zij was psychiater en akela en hij psychotherapeut. Hun voorbeeld heeft mij ertoe aangezet om zelf ook psychotherapeut te worden. Het doel was uitdrukkelijk om mensen te helpen.’ Brown lijkt daarbij te rekenen op een sneeuwbaleffect. Zij wil niet alleen het lijden van haar cliënten verlichten, maar hoopt dat zij het goede werk zelf voortzetten.

‘Een van mijn cliënten had als verpleegster gediend tijdens de oorlog in Vietnam en had daar een ernstige posttraumatische stressstoornis opgelopen. Toen ze bij mij kwam was ze net nuchter, nadat ze twaalf jaar lang in een alcoholische roes had geleefd. Ze was er slecht aan toe, dacht aan zelfmoord en werd geplaagd door nachtmerries. We hebben er toen over gesproken dat zij niet in Vietnam terecht zou zijn gekomen als zij niet uit een arbeidersmilieu afkomstig zou zijn geweest. Ook het feit dat haar ouders fervente patriotten waren was belangrijk. Zij voelde een sterke druk om niet over haar ervaringen te spreken en zij vond het moeilijk om voor zichzelf te erkennen wat haar was overkomen.

Zij had, zoals zoveel cliënten, het gevoel dat al haar problemen aan haar eigen tekortkomingen te wijten waren, maar door de aandacht te richten op de rol van de omstandigheden, leerde zij zichzelf in een nieuw licht te zien. Haar drinkgewoonten hadden haar bijna kapotgemaakt, maar zij had naar de fles gegrepen als een manier om het hoofd boven water te houden. Het was nu alleen zaak om de problemen op een meer constructieve manier aan te pakken. Gelukkig had dit succes. Het gaat haar nu veel beter en ik krijg nog met zekere regelmaat een e-mail van haar. Ze schrijft poëzie en is actief in de beweging van vrouwelijke oorlogsveteranen.’

Nieuwe kansen

De feministische psychotherapie is in Amerika een van de grootste therapeutische stromingen, maar is in onze contreien nagenoeg onbekend. Volgens Brown komt dat vooral omdat de vrouwenhulpverlening bij ons veel meer is geïntegreerd in de reguliere hulpverlening. De feministische therapie zouden we in Nederland of België eclectisch noemen: men probeert de werkzame technieken uit verschillende andere stromingen te incorporeren. Van de non-directieve vormen van psychotherapie is bijvoorbeeld het idee overgenomen dat mensen in principe het vermogen hebben om te groeien en te veranderen, maar dat dit vermogen soms door de omstandigheden is ondergesneeuwd. De taak van de therapeut is het vrijmaken van deze natuurlijke competentie.

Dit uitgangspunt wordt echter niet zo strikt toegepast dat de therapeut altijd de armen over elkaar houdt. ‘Soms is het noodzakelijk om mensen eerst te helpen bij het overwinnen van concrete problemen. Hiervoor maken we bijvoorbeeld gebruik van de technieken uit de gedragstherapie. Een cliënt kan huiswerk meekrijgen om bepaald gedrag beter onder de knie te krijgen. Ook kunnen we specifieke oefeningen laten doen om cliënten te leren emoties te verdragen, zonder die direct in handelingen om te zetten.’ Je kunt leren boos te zijn, zonder gelijk te gaan slaan, of verdrietig te zijn, zonder dit gelijk weg te drinken.

Een lieve vader durven zijn

Het eigen signatuur van de feministische psychotherapie, ontstaat vooral door de aandacht voor de rolverdeling tussen mannen en vrouwen en de politieke dimensie. Dit laatste heeft niet alleen betrekking op de ongelijke strijd tussen de cliënt en het systeem, maar ook op de therapie zelf. ‘Ik zie cliënten niet langer dan twee uur per week, omdat de psychotherapeut nooit de enige belangrijke persoon in iemands leven mag zijn. Als therapeut krijg je dan veel te veel macht, terwijl wij er juist naar streven om meer gelijkwaardige relaties te scheppen. Wij houden er rekening mee dat een therapeut ondanks de specifieke opleiding ook maar een mens is. Ik stimuleer cliënten bijvoorbeeld om deel uit te maken van een praatgroep. De cliënt moet de gelegenheid hebben om zelf te oordelen over de behandeling.’

Al pratend ontstaat de indruk dat Brown gespecialiseerd is in de behandeling van mensen die zich in zekere zin in de marge van de maatschappij bevinden, maar dat ontkent zij. ‘Het zijn niet alleen de vrouwen die ervan profiteren dat wij de rolverdeling tussen mannen en vrouwen vanuit een wetenschappelijk kader bezien. Het is ook voor mannen nuttig als zij horen dat het gepraat over mannen van Mars en vrouwen van Venus nonsens is. We hoeven niet vast te houden aan dergelijke stereotiepen. Er kunnen dingen veranderd worden en soms mag ik daarbij de weg wijzen.

Een mooi voorbeeld komt van een zeer vriendelijke, goed opgeleide man uit de hogere middenklasse. Hij was vader geworden, maar vond het zeer moeilijk zijn liefde voor zijn dochter uit te drukken. Zijn vader, broers en vrienden gedroegen zich afstandelijk en deze man had het gevoel dat hij zijn mannelijkheid gedeeltelijk kwijt zou raken als hij met zijn zachte kant naar buiten zou treden. Hij was een echte middle of the road American, maar leed daar erg onder. Ik kon uitleggen dat mannelijkheid niet vastligt door het Y-chromosoom, maar dat het een sociaal construct is, een algemeen aanvaarde afspraak.

Op een gegeven moment in de therapie vroeg deze man mij of ik lesbisch was. Ik antwoordde bevestigend. Vervolgens vroeg hij of ik gelukkig was. Ik knikte. Dit stelde hem enorm gerust. Kennelijk was het mogelijk een identiteit te hebben die niet algemeen geaccepteerd is, zonder daar erg onder te lijden. Hij vatte moed om de vader te zijn die hij graag wilde zijn. Hij stuurt mij nu nog af en toe een fotootje van zijn kleine meid.’

Brown behandelt ook veel slachtoffers van seksueel misbruik. ‘In de jaren tachtig was incest nog een van de best bewaarde geheimen en ik was ook erg geschokt en verrast toen dit naar buiten kwam. Ik was opgegroeid in een wereld waarin volwassenen hun kinderen beschermen en het was extreem moeilijk om je voor te stellen dat ouders hun kinderen verkrachten, slaan en verwaarlozen. Snel daarna begon ik echter mijn cliënten te vragen of iemand hen ooit iets ongepasts had aangedaan. Op die manier heb ik een praktijk opgebouwd waarin de nasleep van kindermishandeling veel voorkomt.

Een van mijn cliënten was een vrouw van 35 die op haar negende was verkracht. Toen ze voor het eerst bij mij kwam, had zij nog steeds het gevoel dat zij zichzelf niet kon vertrouwen. Zij had destijds beter moeten weten en had nooit naar die picknick moeten gaan. Dit probleem hebben slachtoffers vaker, omdat zij de lezing van het gebeurde van de dader overnemen. Deze doet het namelijk voorkomen alsof zijn slachtoffer veel macht over hem heeft. In dit geval had hij het meisje voorgehouden dat de verkrachting haar idee was, dat ze het zelf had gewild en dat ze ervan had genoten. Een blijvende onzekerheid was het gevolg, maar tijdens de therapie leerde zij dat zij als negenjarige geen miniatuur volwassene was geweest die de dader had verleid, maar een klein en machteloos meisje.

Dit is een van de paradoxen van zo’n behandeling. Toen deze vrouw voor zichzelf had toegegeven dat zij het slachtoffer was van deze situatie, kon zij beginnen om zich aan de rol van slachtoffer te onttrekken. Iets soortgelijks zie je vaker. Veel incestslachtoffers hebben het idee dat hun wond alleen reëel kan zijn als zij boos en gekwetst blijven. Ik stel daar tegenover dat het leiden van een goed leven de best denkbare wraak is. Geheeld zijn is een mooie, machtige positie.’

Hervonden herinneringen

De behandeling van incestslachtoffers is de laatste jaren in een controversieel daglicht komen te staan door het debat over het waarheidsgehalte van verdrongen herinneringen. Brown was zelf zeer actief in dit debat. Zij trad op als getuigedeskundige in bijna tweehonderd rechtszaken die draaiden om hervonden herinneringen. Daarnaast maakte zij deel uit van de speciale werkgroep die door de Amerikaanse vereniging van psychologen werd ingesteld om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen over dit onderwerp. Dit mislukte echter omdat de meningen te veel uiteen liepen. Er zijn psychologen die denken dat hervonden herinneringen per definitie op reële gebeurtenissen berusten, maar anderen beweren met evenveel stelligheid dat hervonden herinneringen door therapeuten aangeprate fabels zijn.

‘Ikzelf neem een gematigde positie in het debat in. Ik ga ervan uit dat hervonden herinneringen waar kunnen zijn, omdat ik vaak genoeg heb meegemaakt dat een verhaal met extern bewijs werd bevestigd. Ik heb bijvoorbeeld wel eens een cliënt gehad die moeite had met ademhalen en daarvoor naar de dokter ging en daar te horen kreeg: ,,Goh, wat ziet jouw neus eruit. Het lijkt wel of die honderd keer gebroken is geweest.” Ook zijn er voldoende voorbeelden bekend waarin aanvullend bewijsmateriaal is gevonden in de vorm van foto’s of andere getuigen.

De False Memory Syndrome Foundation (fmsf), een actiegroep van ouders die zeggen dat zij ten onrechte beschuldigd zijn van seksueel misbruik, stelt daar tegenover dat hervonden herinneringen door psychotherapeuten aangewakkerde fantasieën zijn. Dat is zeker niet altijd het geval. De eerste keer dat ik zelf met hervonden herinneringen te maken kreeg, staat mij nog helder voor de geest. De cliënt werd tijdens een sessie zonder aanleiding overvallen door het beeld dat zij misbruikt werd door een zeer geliefd familielid. Het gevolg was dat zij woedend werd op mij. Hoe ik zoiets in mijn hoofd durfde te halen. Vervolgens vroeg zij mij of het ging om een echte gebeurtenis en ik antwoordde dat ik dat echt niet kon weten. Ik liet in het midden of zij het nu moest geloven of niet en we hebben ons maandenlang niet meer met dit onderwerp beziggehouden. Een goede therapeut gaat niet zitten vissen naar iets dat misschien wel of misschien niet is gebeurd.

Ik betwijfel ook of het uberhaupt wel zo gemakkelijk is om een cliënt complete herinneringen aan te praten. Ik ben geconfronteerd met een ‘therapeut’ die zeer doelbewust probeerde dergelijke herinneringen bij zijn cliënten te creëren. Hij gebruikte hypnose, liet cliënten zich voorstellen hoe het misbruik had plaatsgevonden en liet hen in de groep vertellen wat hen was overkomen. Daarnaast isoleerde hij cliënten van hun familie. Hij maakte hen wijs dat adoptie een vorm van misbruik was en dat zij het slachtoffer waren van een samenzwering tussen katholieke priesters en het adoptiebureau. De cliënten leefden bij hem in huis en zagen een vader in hem. Zijn einddoel was het hebben van seksueel contact met deze vrouwen, maar het plan viel in het water toen enkele vrouwen deze man aanklaagden.

Ik werd er als deskundige bijgeroepen en mij viel vooral op hoezeer de ‘herinneringen’ van de misbruikte cliënten verschilden van wat ik in de praktijk tegenkom. Zij vertelden een keurig en-toen-en-toen-verhaal, waarin achtereenvolgens het misbruik door ouders, priesters en vrienden werd beschreven. Zij voelden hier echter niets bij! Het leek meer alsof ze een stripverhaal navertelden. Bij mijn cliënten had ik meegemaakt dat zij worstelden met zeer emotioneel geladen brokstukken van herinneringen en dat zij intens geschokt en verward waren.’

Verwarring

‘De hardnekkigheid waarmee psychotherapeuten naar verdrongen trauma’s zouden graven, wordt ook vaak overdreven. Neem het verhaal van Paul Ingram, dat dankzij het boek In de ban van satan van de journalist Lawrence Wright beroemd is geworden en dat in elke discussie weer opduikt. Ingram zou door de hardnekkige verhoren van de betrokken psycholoog Richard Peterson onbewust gehypnotiseerd zijn en veel gruwelijkheden bekend hebben die hij nooit begaan had. Dit zou bekend zijn geworden door het kloeke optreden van de psycholoog Richard Ofshe, die later te hulp werd geroepen. Hij vroeg Ingram of hij zijn zoon en dochter wel eens had gedwongen om gezamenlijk seks te hebben. Na enige tijd bleek Ingram deze ‘herinnering’ aan zijn geheugen te hebben toegevoegd, hoewel beide direct betrokkenen ontkenden dat iets dergelijks had plaatsgevonden. Het beeld dat in het boek wordt geschetst, is dat Peterson zoveel druk op Ingram zet dat Ingram uiteindelijk het verhaal vertelt dat de psycholoog graag wil horen. Toch klopt dat verhaal slecht. Ik ben adviseur geweest van Peterson en deze man had nog nooit gehoord van het sadistische misbruik dat Ingram opbiechtte. Hij wist zich absoluut geen raad met de verhalen die Ingram oplepelde en heeft er toen zelf een deskundige bij gehaald: Richard Ofshe. Je kunt dus niet zeggen dat Peterson een waarheid heeft gecreëerd waar hij zelf wanhopig naar op zoek was. Hij zat vol twijfel en zocht advies van buiten.

Bizarre details

Aan de andere kant zijn er gevallen waar er gerede twijfel is over het waarheidsgehalte van hervonden herinneringen. Zo ben ik erg sceptisch over het rituele satanische misbruik, waarbij georganiseerde groepen pedofielen en kinderpornografen aan de lopende band baby’s zouden offeren. De bewijzen dat dergelijke toestanden werkelijk plaatsvinden ontbreken. Je moet ook niet vergeten dat misbruikte kinderen vaak de stuipen op het lijf wordt gejaagd om maar te voorkomen dat zij hun mond ooit opendoen. Zo had ik een cliënt die nooit over het misbruik had durven praten, omdat zij daarbij zelf ook bloed had gedronken en dus zelf ook slecht was. In onze gesprekken kwamen we erachter dat het zoete spul waar zij slaperig van was geworden, waarschijnlijk gewoon wijn was geweest. De daders hadden het meisje wat wijs gemaakt.

Een andere cliënt herinnerde zich hoe zij hele stapels naakte lijken had zien liggen. Ik heb haar toen gevraagd of zij ooit beelden van de Holocaust had gezien en samen kwamen we tot de conclusie dat zij deze plaatjes in haar herinnering had opgenomen.

Toch is het niet zo dat dergelijke foutjes impliceren dat de strekking van de herinnering op een overmaat aan fantasie berust. Er is zelfs een onderzoek geweest waarin rechtszaken werden vergeleken waarin men wel of niet tot een veroordeling was gekomen. Het bleek dat in de gevallen waarin het bewijs toereikend was, de herinneringen van het slachtoffer meer bizarre en onmogelijke details bevatten. Een slachtoffer herinnerde zich bijvoorbeeld meerdere zwangerschappen en gruwelijke abortussen, terwijl een dokter constateerde dat dit nooit gebeurd kon zijn. Zo’n slachtoffer herinnert zich dus ook zaken die niet hebben plaatsgevonden, maar dankzij het verzamelde bewijs bestaat er geen enkele twijfel over het feit dat zij seksueel was misbruikt.’[/wpgpremiumcontent]