De nietsvermoedende jongeman wil dolgraag piloot worden. Maar hij moet eerst nog even een testje ondergaan. ‘Steekt u uw vinger maar even hierin, houdt dit snoer even vast. Zo ja, en kijkt u nu maar even naar het vogeltje.’ BENG! Plotseling vuurt de proefleider een pistool af, vlak achter zijn oor. Een apparaat ratelt, vloeistof borrelt, terwijl de jonge rekruut zit na te trillen op zijn stoel. ‘Helaas meneer, onze apparatuur toont aan dat u niet de juiste psychologische eigenschappen heeft om piloot te worden.’ Zo ging de pilotentest in Frankrijk, anno 1914.

Door de technische en industriële revolutie ontstonden er aan het begin van de twintigste eeuw allerlei nieuwe beroepen, zoals chauffeur, telefoniste en trambestuurder. Niet iedereen was geschikt voor deze beroepen, en er kwam een nieuwe manier om dat te testen: de psychotechniek. Deze technische toepassing van de psychologie zou het geestelijk welzijn en maatschappelijk functioneren van de mens kunnen verbeteren, net zoals de natuurwetenschap met haar technische toepassingen het materiële leven makkelijker had gemaakt. Met behulp van psychotechnische proefjes konden beroepskeuzetests worden uitgevoerd en geschikt personeel worden geselecteerd.

Bij de Franse rekruut op de foto werd de stabiliteit van het zenuwstelsel gemeten. De apparaten op de tafel registreerden de hartslag, het ademhalingsritme en het trillen van de handen in reactie op het onverwachte pistoolschot. Of de proef echt goed kon aantonen of de man geschikt was als piloot, is onduidelijk. Maar de indrukwekkende instrumenten straalden exactheid uit en vielen in elk geval goed in de smaak bij de opdrachtgevers. Na de Eerste Wereldoorlog schoten de psychotechnische laboratoria dan ook uit de grond.

Ook nu bestaan nog speciale testcentra voor piloten. De psychologische keuring is streng, maar pistolen worden niet meer afgeschoten. De stabiliteit van toekomstige vliegeniers wordt nu bepaald door middel van een selectie-interview en een persoonlijkheidsvragenlijst. Daarnaast wordt geobserveerd hoe iemand omgaat met opdrachten in groepsverband. Het gebruik van apparaten is beperkt tot computers, eventueel met joystick en voetenstuur, waarmee de aanleg om als piloot te werken kan worden bepaald. Bij deze sensomotorische test en andere tests wordt bepaald of iemand minstens twee dingen tegelijk kan doen, snel en tegelijkertijd adequaat kan reageren en stressbestendig is.

Het allerbeste selectie-instrument is tegenwoordig de vluchtsimulator, die iets meer dan tien jaar geleden in gebruik werd genomen. In de simulator moet de piloot ook meerdere dingen tegelijk doen, bijvoorbeeld landen en een bocht maken. Of hij krijgt tijdens het opstijgen via een koptelefoon een cijfercode doorgegeven, waarmee hij iets moet doen. Deze selectietest heeft een hoge voorspellende waarde. Als de jongens (want dat zijn het toch meestal) slagen voor deze test en de erop volgende Praktische Vlieger Selectie in een echt vliegtuig, is de kans zeer groot dat ze ook hun opleiding succesvol zullen afronden. Dat zijn er alleen niet veel: uiteindelijk gaat bij de luchtmacht zo’n 2 procent van de jongensdromen in vervulling. Van de ongeveer tweeduizend mensen die zich jaarlijks aanmelden, blijven er veertig over. n[/wpgpremiumcontent]