De ideale woonplaats voor een profeet is bovenop een verafgelegen berg, maar Adriaan de Groot lijkt een waardig equivalent gevonden te hebben in het eiland Schiermonnikoog. De reis naar het noorden en het verlaten van de vaste wal om met de veerboot aan de overkant te komen, geven de reis iets van een pelgrimage, al moet ik zeggen dat de medepassagiers afbreuk doen aan het beeld. Op een van de eerste mooie dagen van het jaar wordt het eiland gedomineerd door buitensporters, met de bijbehorende broeken met afritsbare pijpen, buggy’s die geschikt zijn voor een maanlandschap, en bonte fleecetruien. Met mijn schrijfmap en nette pak ben ik een vreemde eend in de bijt. Ik bereid me in gedachten voor op een ontmoeting met een psycholoog die zijn sporen op zeer verschillende manieren verdiende. Als methodoloog tilde hij de kwaliteit van het wetenschappelijke onderzoek naar een hoger niveau, als practicus hield hij zich bezig met de beoordeling van schoolprestaties van leerlingen en groeide hij uit tot de oervader van het Centraal Instituut voor Toets ontwikkeling (Cito) en als cognitief psycholoog deed hij buitengewoon origineel onderzoek naar het denken van de schaker. De Engelse vertaling van zijn proefschrift Het denken van den

schaker uit 1946 wordt nog altijd veel geciteerd in de wetenschappelijke literatuur. Vorig jaar werd De Groot in het oktobernummer van Psychologie Magazine door zestien deskundigen uitverkoren tot ‘de psycholoog van de eeuw’.

Een korte tocht met de bus op Schiermonnikoog brengt me vlakbij de deur van Adriaan de Groot. Mijn afwijkende kleding blijkt nut te hebben, want de deur zwaait al open voor ik mij op het tuinpad begeef. Els de Groot, zijn vrouw, brengt mij naar een huiskamer waar pianomuziek weerklinkt. De muziek blijkt niet uit luidsprekers te komen: de pianist is in de kamer zelf aanwezig. Zijn vrouw breekt het ijs met de opmerking: ‘Hij zit even de tijd te doden.’ In huize De Groot wordt nuchterheid gewaardeerd en een tel later schud ik de hand van een fenomeen.

Een standaardwerk voor psychologen

De tijd is niet ongemerkt aan De Groot voorbij gegaan, maar zodra hij begint te praten, blijkt dat de ouderdom slechts één aspect is van zijn bestaan. Hij heeft een zekere jongensachtig bravour behouden en laat zich met een lach ontvallen: ‘Die uitverkiezing tot psycholoog van de eeuw vond ik zonder meer leuk, maar als ik diep in mijn hart – of eigenlijk geest – kijk, dan moet ik eerlijk zeggen dat ik het een terechte pluim vind.’

De uitverkiezing van De Groot heeft op Schiermonnikoog de aandacht getrokken. De Groot pakt de Dorpsbode van 15 januari waarin de eilanders wordt aanbevolen om Psychologie Magazine in de bibliotheek te bekijken, omdat A.D. de Groot en Sigmund Freud op een gedeelde eerste plaats zijn geëindigd. De Groot heeft dat in een ingezonden brief rechtgezet: ‘Het is natuurlijk mooi om samen met Sigmund Freud op de eerste plaats te staan, maar voor de lezers is het verwarrend. Freud en ik hebben allebei zeven stemmen gekregen, maar wel bij verschillende vragen. Freud werd naar voren gebracht toen men de beste psycholoog van de eeuw moest noemen en ik toen men aan de Nederlandse inbreng toekwam. Freud won dus de wereldprijs en ik de Nederlandse.’

De Groot weet niet wie hij zou noemen als hij een psycholoog van de eeuw moest aanwijzen. ‘Ik zou verschillende heel knappe en productieve vakgenoten kunnen noemen die vanuit een bepaald gezichtspunt voor die titel in aanmerking komen, zoals Michon, Drenth of Levelt. Dat juist ik door anderen ben genoemd, is deels een kwestie van geluk. Aller eerst heb ik het voordeel gehad dat ik met de psychologie ben begonnen op een moment dat die juist in opkomst was. Er moest veel opgebouwd en ook veel gesaneerd worden.’

Een belangrijke bijdrage van De Groot is dat hij vond dat psychologen zich niet moesten beperken tot vrije speculatie, maar hun leunstoel uit moesten en hun beweringen staven. Hij introduceerde de vuistregel dat een psycholoog pas iets weet als hij op grond daarvan een voorspelling kan doen over wat er in de toekomst zal gebeuren. Dit was indertijd tegen het zere been, omdat veel psychologen voorspellingen iets voor op de kermis vonden. De geschiedenis zou de zijde van De Groot kiezen en het is nu bijvoorbeeld algemeen aanvaard dat een intelligentietest waardevol is, omdat je aan de hand van de uitslag voorspellingen kunt doen omtrent toekomstig functioneren.

Het werk van De Groot op dit terrein mondde in 1961 uit in zijn klassieke boek Methodologie; grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen. Het boek zou twaalf herdrukken beleven en was decennialang d standaard voor de wijze waarop psychologen onderzoek zouden moeten doen.

De geestelijke vader van de Cito-toets

Het gesprek wordt onderbroken. De thee staat klaar op het aanrecht, maar is voor mevrouw De Groot niet meer zo gemakkelijk op een dienblad te transporteren. Haar man neemt dat even van haar over, zoals zij hem vaak aanvult als hij problemen heeft om op de juiste naam van iets of iemand te komen. ‘Het geheugen voor de korte termijn hapert en in het Engels werken gaat eigenlijk ook niet meer, omdat ik te traag ben met het vinden van de juiste woorden. Ook vertrouw ik mijn eigen verbale kennis en vaardigheden niet meer altijd. Het kost tijd om mijn gedachten zo uit te drukken als het zou moeten.’

De haperingen worden echter afgewisseld met scherpzinnige, abstracte betogen. Daarbij vraagt De Groot regelmatig of hij nog wel bezig is de vraag te beantwoorden. ‘O ja, ik was aan het uitleggen waarom mensen bij de uitverkiezing misschien aan mij gedacht hebben. Mijn werk op het gebied van selectie en beoordeling in het onderwijs heeft altijd veel aandacht getrokken. Mijn collega’s en ik vonden dat we dit niet te veel aan de leraren konden overlaten. Het is onrechtvaardig dat een zwakke leerling meer kans van slagen heeft bij een hoog cijferende leraar. Daar komt bij dat leraren cijfers niet alleen gebruiken voor de meting van prestaties. Zij doen er een puntje bij als bemoediging en trekken er een puntje af om voor een gebrek aan ijver te waarschuwen. Ook kunnen zwakheden als sympathie en antipathie meewegen.’

De Groot pleitte voor objectievere tests, maar de tegenstanders vonden het een schande dat hij ‘kinderen in de computer wou stoppen’. In 1966 verschijnt zijn boek Vijven en zessen; Cijfers en beslissingen: het selectieproces in ons onderwijs. Hierin legt hij nog eens uit hoe onzuiver de cijfers van leraren zijn en pleit hij voor de oprichting van een Centraal Insti tuut voor Toetsontwikkeling. De bewijskracht voor de stelling van De Groot is dan zo gegroeid dat de belangrijkste tegenstanders overstag gaan. Het Cito wordt twee jaar later opgericht en De Groot mag zich de geestelijk vader noemen van de jaarlijkse schoolonderzoeken. ‘Ik ben er trots op dat dit instituut al 32 jaar lang alle aanvallen heeft overleefd. Mij persoonlijk heeft het behalve vijanden ook vrienden opgeleverd.’

De overwinning bracht geen rust. ‘In het jaar dat het Cito wordt opgericht, begint vreemd genoeg ook de studenten revolutie die radicaal tegen elke vorm van selectie was. Men probeerde zelfs gedaan te krijgen dat elke belangrijke beslissing in een algemene vergadering genomen moest worden. Elke belangstellende mocht meepraten en alleen als consensus was bereikt, kon men tot een beslissing komen. Iedereen wist dat dit niet kon, maar toch ging het zo.

De studenten hadden in sommige opzichten wel gelijk, maar ze overdreven zo dat de argumentatie vervuild raakte met allerlei onzin. Studenten waren soms ook heel doelbewust hoogleraartje aan het pesten en de communisten onder hen gebruikten elke denkbare truc om bestuursorganen te frustreren. Ik kon niet nalaten terug te vechten en heb toen heel felle stukken in Het Parool geschreven. Ik werd daarna beschouwd als de vijand van de studenten.’

Deze gebeurtenissen gaven De Groot het profiel dat later een bijdrage leverde aan zijn uitverkiezing, maar dat gaf destijds weinig vreugde. ‘Mijn hoogleraarschap aan de Universi teit van Amsterdam verloor zijn glans. De tegenstanders speelden veelvuldig op de man en soms dreef de toestand mij bijna tot wanhoop.’

De onvrede op het werk was voor een deel de aanzet om te verhuizen. ‘Indertijd speelde ook mee dat de stad ons te druk werd. We gingen op zoek naar een tweede huisje. We kwamen op Schiermonnikoog terecht en vonden het hier zo prachtig dat we tegen elkaar zeiden: ,,Waarom gaan we hier niet gewoon wonen.” Eind 1973 zijn we overgegaan.’

De keuze voor Schiermonnikoog lijkt vandaag begrijpelijk. Het interview vindt plaats in een huiskamer met openstaande tuindeur die vrij zicht biedt op de bloemenpracht. ‘Eigenlijk vinden wij het in de winter gezelliger. Het lijkt hier ’s zomers Zandvoort wel.’ Ook de gedachte dat hier passief genoten wordt, blijkt een misvatting. ‘Ik heb hier altijd hard gewerkt en heb hier misschien wel eenderde deel van mijn oeuvre geschreven. Zelfs nu nog worden de uren die niet door de traagheid en de kwaaltjes van de ouderdom in beslag worden genomen, besteed in de studeerkamer.’

Zijn beste idee ooit

De Groot verspreekt zich en noemt de studeerkamer ‘zijn huis’. ‘Ja, dat is een echte freudiaanse verspreking. In mijn werk ben ik thuis. Dat thuis is echter niet de psychologie zoals jij veronderstelt, maar veeleer het denken en redeneren zelf. Ik ben wel eens beschreven als een hokjesloze geest en daar kan ik mij wel in vinden. Ik heb mij met veel verschillende dingen bezig gehouden. Vaak wist ik niet eens zoveel af van het vakgebied rond het te behandelen onderwerp. In de methodologie zijn veel problemen analoog en kun je goed een overstap maken. Mijn manier van schrijven is daaraan aangepast en blijft menselijk en algemeen. Ik maak veelvuldig gebruik van beelden en vergelijkingen. Op die manier vermijd ik het specialistische jargon.’ Een lach breekt door: ‘Je zou ook kunnen zeggen dat ik de details vermijd, om te voorkomen dat ze me op fouten kunnen pakken.’

Tegenwoordig lukt het echter steeds minder om deze schrijftechniek toe te passen. ‘Ik werk nu aan een filosofisch boek over het begrip wetenschappelijke waarheid, maar ik ben niet meer zo handig in het verbergen van mijn filosofische onkunde. Ik heb mezelf ook moeten toegeven dat ik dit werk nooit meer alleen af kan krijgen. De filosoof Henk Visser staat mij bij en zal het boek eventueel na mijn dood voltooien, maar hij heeft wel beloofd dat hij heel zuinig zal blijven omgaan met het filosofisch jargon.’

De Groot vertelt dat de afronding van het boek steeds moeizamer gaat. ‘Mijn kortetermijngeheugen laat mij in de steek. Ik ben uren kwijt met dingen opsporen en als ik morgen weer begin, weet ik niet meer precies wat ik vandaag heb geschreven. Toch geeft het mij nog steeds veel vreugde als het is gelukt weer een alinea af te krijgen. Als ik achter mijn bureau zit, ben ik per definitie gelukkig.’

Het werk is meer dan een prettig tijdverdrijf. ‘Als je zo laat in je leven nog een boek gaat schrijven, dan doe je dat alleen als je dat heel belangrijk vindt. Ik heb wel eens gezegd dat ik nu werk aan mijn beste idee ooit.

Het punt is dat wij in de psychologie zo ongelukkig omgaan met de wetenschappelijke waarheid. De psychologie dreigt te versmallen tot een natuurwetenschap, omdat alleen dingen die je in getallen kunt uitdrukken voor waar worden gehouden. Waarheid kan echter exact, maar ook menselijk zijn. In het nieuwe boek stel ik daarom voor om een bewering wetenschappelijk waar te noemen als een forum van topdeskundigen het hier unaniem over eens is. Dit heeft natuurlijk veel voeten in de aarde, want men moet aantonen dat het volgens de wetenschapstheorie zo mag, dat het volgens de methodologie zo kan en dat het ook nuttig is om deze bewering voor waar aan te nemen. Zo’n consensus ontstaat niet snel, maar dat is juist goed. Waarheid is niet niets. Deze definitie van waarheid is soepel en past bij de rijkdom van de hele psychologie, zowel bij de alfa- als de bètakant. Een hogere vorm van waarheid kunnen mensen ook niet bereiken, want uiteindelijk worden de metingen waar men nu op vertrouwt ook gelegitimeerd door deskundigen.’

De Groot vindt dat zijn samenwerking met Visser eigenlijk zou moeten leiden tot een radicale koerswending in de psychologie, maar beseft dat de kans daarop erg klein is. ‘Ik geloof geen moment dat het door mij voorgestelde systeem erdoor komt, maar iets van de argumentatie zal blijven bestaan.’ En weer met een lach: ‘Het zal wel tot 2050 duren voordat men zover is om deze gedachte te omarmen.’

Het nut van de psychologie

Het is duidelijk dat de liefde voor het verstand bij De Groot nog brandt. Maar heeft hij in zijn persoonlijke leven ook veel gehad aan de psychologie? ‘Ja zeker, en passant pik je toch veel dingen mee. Als jongeman was ik bijvoorbeeld gek op meisjes, maar zodra er ook maar iets van echt contact dreigde te ontstaan, kreeg ik het benauwd. Ik heb in die tijd veel gehad aan het werk van Jung en Adler, die ik trouwens nog persoonlijk heb meegemaakt. Meer in het algemeen kom je in de psychotherapeutische literatuur veel dingen tegen die je helpen om valkuilen te ontlopen. Het moet ook zo zijn dat ik kleine dingetjes heb ontleend aan de psychologie als het gaat om ouder worden. Ik kan echter niet zo gauw op een concreet voorbeeld komen. Ook dat vraagt op deze leeftijd meer tijd.’ En die tijd is er niet meer. Mevrouw De Groot wijst op haar horloge. Het is tijd om de laatste boot naar het vaste land te halen.n

Drs. A. Bergsma, psycholoog en redacteur van Psychologie Magazine[/wpgpremiumcontent]