Een wijze man of vrouw heeft verstand van mensen. Anderen doorzien, mild oordelen, de fouten van je medemensen vergeven, iemands problemen in een kader kunnen plaatsen, de beheersing van je eigen driften: levenswijsheid is voor een groot deel mensenkennis. Degenen die mensen bestuderen, zouden dus tot de wijsten der aarde moeten behoren. Zijn mensen die psychologie hebben gestudeerd of bestudeerd (dus ook u lezer, die regelmatig leest over psychologische aangelegenheden), wijzer dan anderen?

Een piepklein beetje maar, zo blijkt uit onderzoek. De Duitse ontwikkelingspsycholoog Ursula Staudinger en haar collega’s concludeerden dat psychologen iets beter scoorden op wijsheid dan de vergelijkingsgroep van zakelijke dienstverleners. Dit kwam voor een groot deel omdat (klinisch) psychologen meer zijn getraind in één kenmerk van Staudingers definitie van wijsheid, namelijk het kunnen omgaan met onzekerheid in het leven. Overigens blonken de psychologen niet vreselijk uit in wijsheid, ze scoorden slechts een beetje boven het gemiddelde.

In een ander onderzoek werden psychologen vergeleken met niet-psychologen met eenzelfde opleidingsniveau, en ook daar scoorden ze een heel klein beetje hoger. Dit kwam niet alleen doordat een bepaald type persoonlijkheid kiest voor een studie psychologie, maar voornamelijk door de psychologische specialisatie. Psychologen houden zich nu eenmaal intensief bezig met zaken als levensplanning, levensmanagement en levensoverzicht, zo verklaren de onderzoekers.

En hoe denken de psychologen er zelf over? Beschouwen ze zichzelf als wijze mensen? We vroegen 26 psychologen of ze wel wijs waren, en wat het grootste inzicht is dat de psychologie hen heeft meegegeven. De ondervraagde psychologen variëren in leeftijd van 29 tot 62 jaar, en zijn werkzaam in het onderzoek, in de therapeutische praktijk of in de wetenschapsjournalistiek.

Met in het achterhoofd de wetenschap dat psychologen toch ietsje wijzer schijnen te zijn dan de rest van de bevolking, is het opvallend hoe bescheiden en relativerend onze ondervraagde psychologen zijn. Op de vraag ‘Denkt u dat mensen door de bestudering van de psychologie meer levenswijsheid verkrijgen?’ antwoorden slechts 7 mensen met een aarzelend ‘ja’. Een meerderheid van 12 personen zegt twijfelend dat het zou kunnen, of dat je ‘een beetje’ levenswijsheid opdoet als psycholoog. Zeven ondervraagden menen stellig van niet.

Gezond verstand

De 7 optimisten zeggen: ja, de psychologie biedt meer inzicht in je eigen gedrag en dat van mensen om je heen. Je krijgt ‘een houding en een arsenaal aan begrippen om naar de wereld te kijken’. Het geeft houvast, een kader om ervaringen te benoemen en te plaatsen. En je leert analyserend denken. Een 62-jarige hoogleraar Psychonomie vraagt regelmatig aan studenten bij het uitreiken van hun bul wat ze geleerd hebben. ‘Ze zeggen dan vaak: het voornaamste wat ik geleerd heb, is kritisch nadenken.’

De twijfelaars vragen zich echter af of ze dit alles levenswijsheid zouden noemen. Zo zegt een 58-jarige universitair psycholoog: ‘Ik vind ons vak heel bruikbaar om in allerlei opzichten scherper te kijken, te luisteren en na te denken. Levenswijsheid is voor mij echter een breed begrip, dat slaat op een geheel aan inzichten die iemand tijdens zijn leven verwerft. En als ik nadenk over mijn eigen levenswijsheid – voor zover aanwezig – dan zijn veel van mijn meer algemene inzichten vooral voortgekomen uit een hutspot van contacten met mensen die lang niet allemaal psycholoog waren.’

Levenswijsheid doe je op in het leven zelf, en niet in collegebanken of uit boeken, zeggen velen. Een 60-jarige psycholoog meent dat je de theorie pas echt begrijpt als je het zelf in de praktijk tegenkomt: ‘Je moet eens een keer flink verdriet hebben gehad, wil je iets meenemen van emotie-theorieën over verdriet.’ Het komt er eigenlijk op neer dat je al over levenswijsheid moet beschikken, om iets op te kunnen steken van de psychologie. ‘Pas als men wijs is, kan men het belang van wat men bestudeert, beoordelen.’

De echte cynici hebben weinig vertrouwen in de psychologie als zodanig, omdat ‘alles wordt onderzocht in risicoloze experimentjes die in wezen nergens over gaan en het ervaringsniveau uit beeld verdwijnt.’ Veel psychologen kunnen zich waarschijnlijk herkennen in de opmerking van een 33-jarige onderzoeker die zegt: ‘Uiteindelijk val je als psycholoog die de dagelijkse werkelijkheid beschrijft, toch weer terug op je gezonde verstand.’

Onze nuchtere ondervraagde psychologen mogen dan bescheiden zijn over hun wijsheid, duidelijk is dat de psychologie wel inzichten oplevert over het leven. Iedereen kon bij de vraag ‘Wat is het belangrijkste inzicht dat de psychologie u geleerd heeft?’ een of meerdere inzichten noemen. En veel inzichten kunnen uiteindelijk leiden tot wijsheid, dus de ondervraagde psychologen lijken op de goede weg te zitten.

Superieure wezens

Opmerkelijk is dat veel psychologen in dezelfde richting denken: eenderde van de ondervraagden noemt als belangrijkste inzicht het besef dat de menselijke waarneming zo vertekend kan zijn. De theorie van de cognitieve dissonantie – mensen verzinnen van alles om tegenstrijdige ideeën met elkaar te rijmen – staat aan kop als vaakst genoemde inzicht. Mensen hebben allerlei onbewuste trucjes om hun wereldbeeld en hun zelfbeeld te beschermen, en dit besef was voor veel psychologen een openbaring. Een 33-jarige sociaal-psychologe schrijft: ‘Uitgezonderd depressievelingen, denken mensen dat ze in vergelijking met anderen superieure wezens zijn en bijvoorbeeld betere automobilisten zijn. Ze trekken conclusies over oorzaak en gevolg die de werkelijkheid weinig eer aan doen (attributiefouten) en denken dat vervelende gebeurtenissen hen niet zullen overkomen (onrealistisch optimisme). Ik had altijd al het vage idee dat mensen zo dachten, maar toen ik dit tijdens mijn studie te horen kreeg, viel het kwartje echt.’

De ondervraagden zeggen ook in de praktijk veel aan dit besef te hebben, zoals deze 53-jarige journaliste: ‘Na een partijtje tennis met vriendinnen hoor je bij de verliezers prachtige voorbeelden van externe attributie, smoesjes als ‘vannacht slecht geslapen’, ‘last van de wind’. Ook ikzelf maak me daar aan schuldig!’ Dit besef kan tot enige mildheid tegenover anderen of jezelf leiden: ‘Ik verbaas me er niet over dat mensen zo moeilijk in staat zijn om hun mening of hun gedrag aan te passen. Volgens de cognitieve dissonantietheorie is het moeilijk je fouten te erkennen. Dit inzicht maakt me in sommige situaties misschien iets milder of geduldiger.’

Ook op andere gebieden kiest een meerderheid van de psychologen díe inzichten, die onze gevestigde ideeën en waarheden relativeren. Men noemt het besef dat dé waarheid niet bestaat, dat de menselijke identiteit niet een geheel is, en dat ons geheugen ons regelmatig voor de gek houdt. ‘We weten niet half wie we zijn, alleen al omdat we permanent vergeten wie we waren en veel vergeten van wat we geweten hebben’, schrijft een 53-jarige therapeut.

De psycholoog is te bescheiden

Veel inzichten die de ondervraagden noemen, zijn klassieke psychologische thema’s die in alle handboeken zijn terug te vinden, zoals de lessen van de klassieke conditionering, van non-verbale communicatie en van hechting en ouderschap, waarbij de experimenten met zielige aapjes die probeerden te schuilen bij een moeder van ijzerdraad, veel indruk hebben gemaakt.

De studie blijkt de belangrijkste leverancier van inzichten. Op de tweede plaats komen boeken, van auteurs variërend van Alice Miller tot Karl Popper, en een enkeling noemt als bron het persoonlijk contact met een ‘meer belezen geleerde’.

Van een andere orde is het inzicht dat we ondanks al het onderzoek nog zo weinig weten van de beweegredenen, het brein en het gedrag van de mens. Ook hier komt de eerder gesignaleerde relativering van psychologen weer om de hoek kijken.

Betekent deze bescheidenheid in de antwoorden nu dat de psychologie weinig voorstelt? Een beetje wel: ‘De psychologie is een zeer complexe en relatief jonge wetenschap, die nog niet veel kant en klare kennis heeft opgeleverd waar je wat aan hebt’, meent een 62-jarige academicus.

Maar wij denken dat er ook iets anders aan de hand is: de relativering en de bescheidenheid van de psychologen onthullen juist een zekere levenswijsheid. Sla er het citatenboek maar op na en je ziet dat relativering een van de grootste deugden is die de wijze worden toegeschreven. In de trant van: ‘De wijze is diegene die beseft dat hij niets weet.’ Hedendaags onderzoek bevestigt deze intuïtie: relativeringsvermogen blijkt een van de vijf kenmerken van wijsheid te zijn. Kortom: de huidige psycholoog is wijzer dan hij zelf denkt!

Dagelijks leven

Leuk hoor, die boekenwijsheid, maar heb je er in het dagelijks leven ook iets aan? Het is opmerkelijk dat bijna iedereen, inclusief degenen die vinden dat men niet levenswijzer wordt van de psychologie, zegt er wel praktisch profijt van te hebben. Slechts drie mensen hebben er weinig tot niets aan. ‘Wetenschap is en blijft een statistische werkelijkheid en we kennen allemaal de statisticus die verdronk in de rivier van gemiddeld 10 cm diep.’

Psychologen worden regelmatig geraadpleegd op feesten en partijen: sommigen vinden het handig dat je daar altijd een gespreksonderwerp hebt, anderen vinden het gênant als blijkt hoe weinig praktisch de psychologie is: ‘Ik heb er last van. Mensen verwachten antwoorden die je niet kunt geven’, aldus een therapeut.

De psychologie wordt regelmatig toegepast op kinderen. Bij huilbaby’s, twijfel over hechting en andere onzekerheid blijkt de psychologie een uitkomst. ‘Vrienden maakten zich zorgen dat hun kind van ruim een jaar nog niet wilde lopen. Uit de psychologie wist ik dat het ontwikkelingstempo van kinderen flink uiteen kan lopen en dat een late ontwikkeling op een bepaald gebied gewoonlijk weer wordt ingelopen. Met die informatie kon ik ze gerust stellen.’

De relativering speelt ook hier de psycholoog weer parten: hij bekijkt zijn eigen geheugen met gepast wantrouwen en doorziet beter zijn eigen smoezen. Maar we hadden net geconcludeerd dat dat het kenmerk is van de wijze. In de talmoed stond het al geschreven: ‘De mens is wijs, zo lang hij de waarheid zoekt: zodra hij meent haar gevonden te hebben, is hij een dwaas.’ n

‘Ik heb geleerd dat het een illusie is dat mensen autonoom en zelfstandig leven. Goed beschouwd is geen enkel mens opgewassen tegen het individuele leven dat van hem of haar verwacht wordt, met alle psychische ellende van dien.’

‘Mijn echtscheiding is veel begrijpelijker en inzichtelijker geworden toen ik begreep dat sommige mensen zeer veel opwinding nodig hebben, iets wat voor een groot deel biologisch verankerd is. Zie de theorie over sensation seeking van Zuckerman.’

‘Bij het opvoeden van mijn katten heb ik veel profijt gehad van de klassieke wetten van het conditioneren, hetgeen vooral neerkwam op consequent zijn.’

‘Ik merk bij mezelf regelmatig dat ik ‘cognitieve dissonantie’ aan het vermijden ben, bijvoorbeeld als ik iets stoms heb gedaan en dan vervolgens denk: “Ach, eigenlijk is het niet zo erg. Nee, het is zelfs beter zo!”‘

‘Bij het voortbewegen in mensenmassa’s, in de tram of het café, weet ik dat bepaalde gebaren of gezichtsuitdrukkingen irritatie voorkomen bij anderen. Die wetenschap pas ik bewust toe.’

‘Mijn inzicht is dat je zeer veel kennis nodig hebt om ergens vaardig in te worden. Talent en foefjes zijn onvoldoende. A.D. de Groot toonde bijvoorbeeld aan dat topschakers het niet zozeer moeten hebben van strategieën, als wel van een enorme hoeveelheid kennis van gespeelde partijen van zichzelf en anderen.’

‘Het belangrijkste inzicht was voor mij de stabiliteit van temperament en persoonlijkheidskenmerken als neuroticisme en extraversie. Dus als je als angstig muisje geboren wordt, neem je de wereld bedreigender waar en met dat gegeven moet je dus gewoon leren leven.’

‘Ik vond vroeger dat mensen vaak erg onvoorspelbaar en raar reageren. Mijn zus en mijn vader hebben heel veel last van woede-uitbarstingen. Om het minste of geringste gaan ze vreselijk te keer. Dat heb ik altijd erg griezelig gevonden. Dankzij mijn studie ken ik inmiddels de DSM van van buiten en dat maakte duidelijk dat er helaas nogal wat mensen rondlopen met lichte of zwaardere persoonlijkheidsstoornissen, tics, dwangmatig gedrag, slechte agressiecontrole. Door dat boek kan ik veel beter plaatsen waarom sommige mensen zo vaak raar doen. De dingen bij hen laten, die echt bij hen horen.’[/wpgpremiumcontent]