Van de zenuwen drukte een deelnemer aan Miljoenenjacht niet op de knop die hij bedoelde. Zo won hij 125.000 euro en verspeelde een kans op vijf miljoen. Veel mensen vonden het onsympathiek en ondankbaar dat hij naderhand besloot een claim in te dienen voor de misgelopen 4.875.000 euro. ‘Ik zou gewoon blij zijn met die 125.000 euro,’ was de algemene reactie – en aanvankelijk ook de mijne.

Maar naarmate ik er langer over nadacht, kreeg ik er meer begrip voor. ­Bedenk dat de kandidaat niet overduidelijk en vol overtuiging misgreep, maar per ongeluk. Het is zoiets als een auto-ongeluk krijgen wanneer je eigenlijk met de trein wilde gaan. Dan denk je steeds: had ik nou maar… Zulke situaties waarin iets nét mislukt, roepen knagende ‘als ik maar’-gedachten op (in psychologisch jargon: counterfactual thinking).1 Dat maakt het extra frustrerend en moeilijk om je erbij neer te leggen.

Het lijkt erop dat onze miljoenen­kandidaat daar in eerste instantie wel in slaagde. Pech gehad, zei hij. Misschien had hij de indruk dat hij geen keus had – de notaris was onverbiddelijk – dus hij zou zich erbij moeten neerleggen. Het grappige is dat mensen dat ook ­altijd dóén wanneer een negatieve uitkomst onveranderlijk is.

Maar toen kwam er een advocaat die zei: er is nog wat aan te doen. Hij zei dat ze sterk stonden als ze een claim indienden. En dat hij pas een honorarium hoefde als ze wonnen. Verplaats je even in de kandidaat: je hebt 125.000 euro, die raak je niet kwijt. Je hebt kans op de rest van die vijf miljoen, en als je niet wint kost de advocaat je geen cent. ­Natuurlijk doe je het. Er is niks te verliezen!

Of toch wel? De centrale vraag voor mij is: waar word je gelukkig van? Onderzoek laat zien dat we niet gelukkiger worden van het winnen van een loterij.2 Uit weer ander onderzoek3 blijkt dat we ons moeilijker neerleggen bij een nare situatie of een slechte beslissing wanneer we het idee hebben dat er nog iets aan te doen valt. Bij een onveranderbare negatieve uitkomst vinden we een manier om ons ermee te verzoenen: dankzij ons psycho­logisch afweersysteem maken we het beste van relatiebreuken (‘het was toch niet de grote liefde’), mislukte carrières (‘paste niet echt bij me’) en andere rampspoed zoals het mislopen van vijf miljoen (‘geld maakt niet gelukkig’, ‘wie het kleine niet eert’). Maar de psychologische spin doctor die daarachter zit, komt pas in actie als er geen keus meer is en de uitkomst vaststaat; dán vinden we een manier om er vrede mee te hebben en gaan we verder met ons leven.

Niet de miljoenenkandidaat. Hij zal nog geruime tijd niet genieten van wat hij wél heeft: door deze hernieuwde miljoenenjacht blijft zijn aandacht steeds gericht op wat hij is misgelopen. Bovendien haalt hij zich ook de hoon van ­anderen op de hals, dat-ie niet gewoon blij is met ruim een ton.

In mijn optiek had hij advies moeten vragen aan een psycholoog, niet een ­advocaat. Een psycholoog had hem uitgelegd dat je niet gelukkig wordt van wat je hebt, maar van wat je doet. ­Accepteren dat het soms tegenzit en je aandacht richten op wat je wél hebt, is een belangrijk onderdeel daarvan.

Bronnen: [1] N. Roese, J. Olson, Counterfactual thinking: The intersection of affect and function, Advances in experimental social psychology, 1997 / [2] P. Brickman, D. Coates, R. Janoff-Bullman, Lottery winners and accident victims: Is happiness relative? Journal of Personality and Social Psychology, 1978 / [3] D. Gilbert, J. Ebert, Decisions and revisions: The affective forecasting of changeable outcomes, Journal of Personality and Social Psychology, 2002