Ondanks alle moderne huishoudelijke apparaten die juist tijdbesparend moeten werken. Wat is hiervan de oorzaak? Driekwart van de Nederlandse mannen levert naast hun betaalde werk een behoorlijk aandeel in de zorg thuis: gemiddeld 9,5 uur per week. Bijna alle werkende vrouwen zorgen naast hun werk voor het huishouden en eventuele kinderen.

TEST
Doe de test »

Is het tijd voor een nieuwe baan?

Gemiddeld besteden zij daaraan ruim 17,5 uur per week, ruim vier uur méér dan twintig jaar geleden. Tussen hun vijfentwintigste en hun vijftigste hebben mannen en vrouwen het tegenwoordig veel drukker dan vroeger, meldt het Sociaal Cultureel Rapport 1996. Voor beide partijen werden de zorgtaken tijdrovender.

Dat meer mannen thuis de handen uit de mouwen steken en dat het gemiddelde aandeel van mannen in de zorg is gestegen, zal weinig verbazing wekken. Maar hoe komt het dat ook werkende vrouwen méér tijd kwijt zijn aan kinderen en huishouden dan vroeger? De bijdrage van mannen vermindert die van vrouwen blijkbaar niet evenredig. Waarom geven werkende vrouwen de zorg niet meer uit handen – aan hun mannelijke partner, aan betaalde hulp, aan huishoudelijke apparatuur?

Om met de laatste vraag te beginnen: de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) heeft becijferd dat het gebruik van diepvriezers, magnetrons, wasdrogers en naaimachines in de praktijk inderdaad niet leidt tot tijdsbesparing. Vrouwen met deze apparaten besteden evenveel tijd aan de maaltijden en de zorg voor kleding als vrouwen zonder deze apparaten.

Helemaal onverwacht was de volgende uitkomst van het onderzoek: vrouwen die een wasdroger bezitten, besteden zelfs méér tijd aan het wassen en drogen van kleren dan vrouwen die er geen hebben staan! Een mogelijke verklaring is volgens de OSA dat droogtrommel-bezitters mensen zijn van het type dat sowieso veel aandacht besteedt aan kleding. In de laatste twintig jaar zijn we veeleisender geworden wat betreft onze persoonlijke hygiëne. Was het vroeger min of meer normaal om eens per week een bad te nemen, haren te wassen en schone kleren aan te trekken, tegenwoordig zijn dat voor een grote groep mensen dagelijkse vanzelfsprekendheden. En juist die mensen zullen eerder een wasdroger aanschaffen.

Een andere verklaring die aangeeft waarom de wasdroger-bezitters meer tijd kwijt zijn aan de was, is dat ze waarschijnlijk vaker gaan wassen wanneer ze eenmaal zo’n handige droger hebben staan. Ze doen makkelijker even een wasje tussendoor, want het kan zo de droger in. Kortom, ze worden vanzelf veeleisender wat wassen en drogen betreft, gewoon omdat het kán. Intussen neemt die wasdroger eigenlijk alleen werk uit handen dat weinig tijdrovend is: slechts het ophangen. Verder doet de machine wat anders vanzelf zou gebeuren. Daarbij komt dat steeds meer kleding volgens het wasvoorschrift van de fabrikant niet in de droogtrommel mag: duurdere merken ondergoed en t-shirts zijn daar goede voorbeelden van. Een soortgelijk argument kan ook voor andere apparaten gelden. Ze zijn wel handig, maar hun bezitters benutten ze niet zo zeer om tijd te besparen, alswel om de zorg te intensiveren.

De mens als scharrelaar

Het is denkbaar dat er een soort minimumhoeveelheid zorg bestaat, die wij moeten besteden aan onze directe woonomgeving om ons er behaaglijk te voelen. Een stelling van bioloog Midas Dekkers wijst in die richting. ‘De mens is van nature een scharrelaar’, zegt hij, ‘en al onze moderne apparatuur verandert daar niets aan.’ In het boekje Over de Lijn schrijft Dekkers: ‘Al zouden we aan een half uur per dag voldoende hebben om al ons eten te kopen, te bereiden en op te eten, toch besteden we nog net zoveel tijd aan ons eten als onze overgrootmoeder in haar tijd deed zonder koelkast, aardgas en magnetron. De uren die zij besteedde aan inmaken, vuur stoken en vis ontschubben, verdoen wij met gesnuffel in kookboeken, het aflopen van speciale slagertjes, het experimenteren met nieuwe sausjes en het culinair aftroeven van de buren. Zelfs het boodschappen doen duurt met al die keus in de supermarkt niet korter dan vroeger in al die buurtwinkels vol kletspraatjes. Maar die babbels vindt een scharrelaar nu juist zo leuk.’

Het zorgen zit ons in het bloed en het bloed kruipt waar het niet gaan kan. We kunnen wel dénken dat we een hekel hebben aan het huishouden, maar de tijd die we besparen op simpele, mechanische klussen besteden we niet aan werk of hobby’s. Of we maken van het zorgen een hobby. Er schijnen zelfs weer vrouwen te zijn – moderne, hardwerkende vrouwen – die borduren. Omdat het zo ontspannend is.

De machinale afwas

Helaas heeft de OSA geen vaatwassers in het onderzoek betrokken. Een interessant thema, die vaatwasser. Mensen die er géén hebben, zijn vaak mordicus tegen. Goede gesprekken, intimiteit tussen gezinsleden en het verantwoordelijkheidsgevoel van kinderen voor de eigen bijdrage aan het huishouden, zouden ernstig te lijden hebben onder een machine die de afwas na het eten overneemt. Vooral het laatste: kinderen moeten leren dat ze ook hun steentje moeten bijdragen aan het huishouden en afdrogen is daarvoor een voor de hand liggende en bovendien gezellige gelegenheid. Vaatwasser-bezitters kunnen echter lyrisch worden over het gemak dat dit apparaat oplevert. Maar bespaart het ook tijd?

In het boek Werk & Moederschap citeerde ik zelf ooit een werkende vader: ‘Mijn vrouw kookt en ik was af. Sinds we een afwasmachine hebben, ben ik natuurlijk veel sneller klaar. Dan ga ik maar de kookplaat schoonmaken. De ergernis verlegt zich van het volle aanrecht naar die kookplaat.’ Wat meespeelde, voegde hij er in het gesprek aan toe, was dat hij zich een beetje schuldig voelde als hij te snel klaar was met zijn taak en al lang in de zitkamer zat, terwijl zijn vrouw nog bezig was met het naar bed brengen van de kinderen. Het gaf hem een prettiger gevoel als hij en zijn vrouw ongeveer gelijktijdig hun zorgtaken hadden volbracht.

Vader zit aan zijn tax

Een ander verrassend onderzoeksresultaat van de OSA was dat de tijd die mannen aan kinderen en huishouden besteden, toeneemt naarmate hun vrouwelijke partners meer tijd aan die activiteiten kwijt zijn. De hierboven geciteerde kookplaat-poetser geeft een indicatie in welke richting een verklaring kan worden gezocht. Moderne mannen voelen zich onbehaaglijk wanneer hun vrouw thuis veel meer zorguren maakt dan zijzelf. Het is niet langer fair om haar alles alleen te laten doen, wat het vroeger met de traditionele taakverdeling wel was. Toen waren de rollen duidelijk: de man verdiende het geld, de vrouw zorgde thuis. Nu zonneklaar gebleken is dat vrouwen ook geschikt zijn voor de arbeidsmarkt, kunnen mannen het zich moreel niet langer permitteren om thuis met de spreekwoordelijke pantoffels en pijp achter de krant te duiken. De moderne jonge vader doet iets huishoudelijks of tenminste iets vaderlijks als hij thuis komt uit zijn werk: de boodschappen, koken, de kinderen ophalen of de wc schoonmaken.

Jonge vaders met fulltime banen hebben het tegenwoordig dan ook het drukst van alle bevolkingsgroepen. Hun totale werk- en zorgpakket neemt in veel gevallen zelfs meer tijd in beslag dan dat van de gemiddelde werkende moeder. Vaders met een kind onder de zes draaien in totaal gemiddeld 58 uur per week, becijferde het Sociaal Cultureel Planbureau in 1994, waarvan bijna 38 uur betaald. Moeders draaien gemiddeld 56,5 uur, waarvan gemiddeld bijna vijf uur betaald.

Natuurlijk zijn er grote verschillen tussen moeders en zal een vrouw met een flinke deeltijdbaan het drukker hebben dan een niet-werkende vrouw of een vrouw met een klein bijbaantje. Maar wat de vaders betreft lijkt de conclusie van het SCP gerechtvaardigd, dat ‘een herverdeling van huishoudelijke en gezinstaken zonder een herverdeling van betaalde arbeid niet erg voor de hand ligt.’ De vaders zitten wel zo ongeveer aan hun tax, wat tijd betreft. Een jonge vader die ik eens voor Libelle interviewde, een fulltime werkende advocaat, zei: ‘De grootste stress in mijn leven zit ‘m niet in mijn werk, maar in de inspanning die het kost om mijn gezin nog enigszins fatsoenlijk en normaal te behandelen.’ Met fatsoenlijk en normaal bedoelde hij kennelijk: volgens de hedendaagse opvattingen van betrokken vaderschap en partnerschap.

De huishoudelijke hulp

Een ander opvallend fenomeen is dat er vaker betaalde hulp aanwezig is in huishoudens waar de mannen een groot aandeel in de zorgtaken hebben. Van de ‘niet-participerende bevolking’ (lees: huisvrouwen) heeft elf procent een hulp in dienst; van de werkende vrouwen heeft een kwart betaalde hulp in huis. En van de zorgende vaders die Vincent Duindam, als psycholoog verbonden aan de Universiteit Utrecht, onderzocht, heeft 41 procent een huishoudelijke hulp. Mannen zijn blijkbaar eerder dan vrouwen geneigd om huishoudelijk werk af te schuiven op een betaalde kracht. Hoe meer zij bijdragen aan de zorgtaken, des te eerder zij aan deze neiging toegeven. Een zorgende vader bewijst immers toch wel dat hij van goede wil is en zich niet drukt.

Huishoudelijke hulp spaart absoluut tijd, concludeerden de OSA-onderzoekers. Toch vermoed ik dat er met hulp in de huishouding iets dergelijks aan de hand is als met apparaten: de meetlat wordt automatisch hoger gelegd door het zo moeiteloos behaalde resultaat. Waar een onzichtbare hand de vloeren blinkend schoon schrobt, mogen geen kruimels blijven liggen. Terwijl de keukenvloer van een doe-het-zelver best een beetje mag plakken voordat er wordt ingegrepen.

Prestatiedrang

Competitie kan ook een rol spelen. Als een vrouw niet langer onbetwist degene is die thuis de lakens uitdeelt, kan zij daarop reageren door met een extra inspanning te laten zien dat zij het huishoudelijk werk toch het beste kan. ‘Ze kan miesmuizen hoor’, zei een man tegen onderzoeksters Attie de Jong en Cora de Olde in het rapport Hoe ouders het werk verdelen van het Ministerie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. ‘Dan heb ik me op zaterdag bijvoorbeeld een rotje gewerkt om de boel hier schoon te krijgen, en dan komt ze thuis van ‘goh, wat is het hier lekker fris’, en vervolgens gaat ze m’n keuken nog een keer soppen.’ Zo’n vrouw lijkt te zeggen: ‘Leuk geprobeerd jochie, maar laten we wel wezen mijn manier is natuurlijk superieur.’

Andersom hebben ook moderne vaders de neiging om te laten zien hoe goed ze presteren op het nieuwe terrein dat ze betreden, dat van de zorg. Pedagoge Jeannette Doornenbal beschrijft in haar boek Ouderschap als onderneming dat er bij veel vooruitstrevende gezinnen waarin man en vrouw de taken eerlijk proberen te verdelen, een soort consensus lijkt te bestaan dat de man de beste opvoeder is van de twee. Hij zou meer emotionele afstand hebben tot de kinderen en daardoor autoritatief kunnen zijn: liefdevol, maar wel met gezag.

Doornenbal concludeert echter dat dit soort vaders excelleert over de rug van de moeders. De vaders missen informatie over hun kinderen wanneer de moeders, die emotioneel dichter bij het nageslacht staan, niet in de buurt zijn. En met weinig moeite is voor te stellen dat vrouwen uit overwegingen van tact hun mannelijke partners openlijk prijzen om hun vaderschap, maar hun eventuele kritiek bewaren voor onderonsjes met vriendinnen.

Overigens meldde het SCP in 1994 dat vaders meer tijd zijn gaan besteden aan kinderen onder de vijf jaar, maar dat de tijd die zij doorbrengen met oudere kinderen gelijk is gebleven. Moeders zijn daarentegen meer tijd gaan besteden aan al hun kinderen, ongeacht de leeftijd. Het SCP verklaart deze toename van zorg uit de grotere psychologische betekenis die het hebben van kinderen voor hun ouders heeft. Kinderen ‘nemen’ is een bewuste en positieve keuze geworden en daardoor ligt er meer accent op de waardering van het opvoeden en zien opgroeien van kinderen. Ook mannen zijn hier gevoelig voor. Maar naarmate de kinderen groter worden, zijn zij toch geneigd de zorg te laten verslappen. Een beetje meer concurrentie van de mannen kan geen kwaad, zou je bijna zeggen.[/wpgpremiumcontent]