Drie dagen en nachten bracht hij door op een plek waar eigenlijk geen mens kan leven. De Utrechtse bergbeklimmer Wilco van Rooijen bereikte op 1 augustus van dit jaar de top van de gevaarlijkste berg ter wereld, de K2 in Pakistan. Nadat een ijslawine de touwen op het steilste stuk net onder de top had weggeslagen, bleef Van Rooijen op de ijskoude top achter. Zonder slaapzak, zonder eten, zonder drinken, zonder extra zuurstof. Zijn Ierse teamgenoot Gerard, met wie hij zich ingroef in de sneeuw, zou het niet overleven. Van de klimmers die vlak na de lawine de afdaling waagden, zouden er elf verongelukken, vaak weggegleden langs de spekgladde ijswand.

TEST
Doe de test »

Big Five test: wat is je persoonlijkheidstype?

In de ijle lucht en met twintig graden onder nul had ook Van Rooijen geen andere optie dan uiteindelijk toch de levensgevaarlijke afdaling te maken. Ernstig verzwakt, uitgedroogd, bijna sneeuwblind en met ernstige bevriezingsverschijnselen aan zijn voeten bereikte hij na drie dagen het kamp.

Zijn eenzame avontuur in de kou trok de aandacht van miljoenen mensen. Wat bezielt die man? vroegen velen zich af. Collega-klimmers werden op radio en tv uitgehoord over de bergsport. Of ze niet met een helikopter van die berg gehaald hadden kunnen worden, vroeg een verslaggever van NOVA. ‘Wij klimmen niet om overal met een helikopter te worden opgehaald,’ antwoordde klimmer Hans van der Meulen, eraan toevoegend dat een helikopter niet eens op die hoogte kán landen.

Waarom mensen daar willen zijn, in die mens­onvriendelijke omgeving? Van der Meulen: ‘Omdat de natuur daar overweldigend is. Het is de enige plek op aarde waar je helemaal op jezelf bent aangewezen. Ook op die hoogte besef je wat het gevaar is, maar daardoor leef je voor honderd procent.’ Al kan ook hij zich voorstellen dat anderen vinden dat het gekkenwerk is. ‘Dat vindt mijn moeder ook.’

Log in om verder te lezen.

Flirten met de dood

De expeditieleden die de afgelopen zomer de K2 beklommen, waren op één na mannen. Net als de meeste oceaanzeilers en poolreizigers, trouwens. Waarom verleggen vooral zij hun fysieke grenzen op deze manier? Zijn ze bereid meer risico te nemen dan vrouwen? Op de beruchte K2 overlijdt gemiddeld één op de vier klimmers. Het is niet vreemd dat psychologen het gedrag van deze avonturiers heel lang hebben verklaard uit zucht naar sensatie. Bergbeklimmers zijn adrenalinejunkies die ervan houden te flirten met de dood, zo werd lang gedacht.

De Amerikaanse socioloog Jennifer Hunt ging nog verder in haar verklaring. Ze concludeerde dat extreme sporters een slechte relatie met hun vader hebben en met hun riskante onderneming hun gekwetste mannelijkheid willen bewijzen.

Natuurlijk zijn er fysieke aspecten die de verschillen tussen mannen en vrouwen verklaren. Mannen hebben meer kracht in hun spieren, meer zuurstof tot hun beschikking, meer uithoudingsvermogen. Bovendien hebben ze minder angst. De oorzaak van dat alles is het mannelijk hormoon testosteron, waarvan zij veel meer bezitten dan vrouwen.

In gevaarlijke situaties ondervinden beide seksen een grote toename van hormonen en neurochemicaliën die hen in staat stellen het gevaar te overwinnen. Maar bij mannen zetten deze stoffen aan tot actie, terwijl in de vrouwelijke hersenen vooral de cognitieve en emotionele functies worden aangesproken. Simpel gezegd gaan in risicovolle situaties vrouwen denken en mannen doen. Daardoor zijn mannen meer geneigd zich zonder al te veel nadenken in het gevaar te storten. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat mannen veel vaker sensatiezoekers zijn en over het algemeen veel meer risico nemen dan vrouwen. Zucht naar sensatie en risico nemen worden dan ook bijna altijd genoemd in verband met de psyche van de bergbeklimmer.

Drukke straat oversteken

Onzin, zegt de Australische sportpsycholoog ­George Eric Brymer. Hij doet al jaren onderzoek naar de beweegredenen van bergbeklimmers, wildwaterkanoërs en andere beoefenaars van extreme sporten. Psychologische verklaringen hebben zich volgens hem veel te lang gericht op het gevaar, de risico’s, en de vraag waarom iemand zoveel risico wil nemen. Maar risico, zo zegt Brymer, speelt nauwelijks een rol. Hij vergelijkt de extreme sporter met iemand die een heel drukke straat wil oversteken. Die laatste weet dat er kans is aangereden te worden. Daarom kijkt hij goed om zich heen en wacht op het juiste moment. Het doel is om aan de andere kant te komen, niet om het gevaar te zoeken.

Een ervaren skiër weet wat hij doet als hij een zwarte helling afdaalt; als je als beginner alleen im Pflug kunt skiën, met je ski’s in V-vorm, moet je niet de hoogste piste af. Zo weet ook een geoefende klimmer precies wat hij moet doen. In een radio-interview omschreef Van Rooijen zijn expeditie vlak voor het vertrek als een operatie waarbij niets aan het toeval zou worden overgelaten. De risico’s die hij en de andere expeditieleden nemen, staan in reële verhouding tot hun kennis, ervaring en fysieke kracht. De beklimming van een berg als de K2 is een onderneming waarin bijna een jaar voorbereiding gaat zitten en waarvoor jarenlange ervaring is vereist. In tegenstelling tot iemand die een sport beoefent waarbij een gebroken enkel het grootste gevaar is, neemt een bergbeklimmer juist helemaal geen risico; hij weet dat de kleinste misstap zijn dood kan betekenen.

Spirituele verandering

Bergbeklimmers zijn niet roekeloos. Uit psychologische onderzoeken komen ze, samen met anderen die hun fysieke grenzen tot het extreme verleggen, naar voren als heel stabiel. De bekendste test om dat te meten is de Big Five-test, die kijkt naar de vijf belangrijkste persoonlijkheidseigenschappen. Op twee van die eigenschappen scoren extreme sporters opvallend hoog. Op de schalen ‘extravert versus teruggetrokken’ en ‘emotioneel stabiel versus neurotisch’ scoren zij hoog op extraversie en het allerlaagst op neurose. Risicosporters hebben daarmee een relatief stabiele persoonlijkheid. Ook in de mate waarin ze sensatie zoeken, scoren ze relatief laag.

In talloze biografieën en interviews geven klimmers, diepzeeduikers, wildwaterkajakkers en base-jumpers (die van hoge gebouwen of rotsen springen) aan dat een fysieke uitdaging bovenal een geestelijke verrijking is, als voedsel voor de ziel. Of zoals een 42-jarige klimmer in een onderzoek vertelt: ‘Andere angsten verdwijnen. Angsten waarvan andere mensen dagelijks last hebben, zoals spreken in het openbaar, bang om jezelf te durven zijn, bang om voor gek te staan. In de bergen lijken die angsten volkomen idioot en totaal onbelangrijk.’

Volgens sportpsycholoog Brymer maken klimmers en andere extreme sporters een grote mentale, emotionele en spirituele verandering door. In zijn boek over extreme sporten Extreme dude! citeert hij een arts die op latere leeftijd begon met klimmen. ‘Mijn wereld werd begrensd door de vier ziekenhuismuren. Ik dacht dat ik alles wist, maar door dit avontuur ontdekte ik hoe arrogant dat was. Ik had psychologisch een hoge muur om mezelf gebouwd en ik had iets fysieks nodig om daardoorheen te breken. Een fysieke uitdaging is ook altijd een mentale en emotionele uitdaging, zeker voor mij.’

Het leven in volle hevigheid

Op de vraag of vrouwen dezelfde mentale ervaring hebben bij extreem fysieke uitdagingen als mannen, trokken Australische onderzoekers er drie weken op uit met een groep mannen en vrouwen tussen de 19 en 34 jaar. In die tijd beklommen ze een steile rotswand en een berg, ondernamen ze een lange wandeltocht door de woestijn en maakten ze een moeilijke ski-afdaling.

Na afloop bleek er een groot verschil te zijn tussen de seksen. Vrouwen voelden zich voornamelijk fysiek sterker, mannen mentaal. In tegenstelling tot de vrouwen gaven de mannen na afloop aan dat ze door de expeditie spiritueel waren verlicht. Hierdoor hadden ze het gevoel dat ze ook de problemen in het dagelijks leven nu beter het hoofd konden bieden. De vrouwen die aan het experiment hadden meegedaan, gaven aan vooral trots te zijn op hun lichaam. Voor vrouwen was de inspanning hoofdzakelijk een fysieke klus; voor de mannen had het een overduidelijk effect op hun geestelijk welbevinden.

Natuurlijk is de innerlijke rust slechts een van de aspecten waarom deze waaghalzen doen wat ze doen. Grote delen van de wereld waren nooit ontdekt als er geen wereldreizigers met gevaar voor eigen leven om de Noordkaap waren gevaren of met een opschrijfboekje de woestijn in waren gelopen. De klimmers van nu zijn de ontdekkingsreizigers van vroeger. Er is iets wat mensen drijft om hun grenzen te verleggen en risico’s te nemen. Dat is nieuwsgierigheid, maar ook de intense drang om het leven in volle hevigheid te ervaren. Avonturiers zijn volgens de Amerikaanse psycholoog Frank Farley niet levensmoe, maar juist levenslustig.

Of om met de bekende Amerikaanse klimmer John Harlin te spreken: ‘Beter sterven terwijl je doet wat je het liefste doet, dan nooit echt leven.’