Anne (34) komt over als een intelligente, warme vrouw. Ze heeft een hechte vriendenkring en lijkt beslist geen type met wie je snel ruzie krijgt. Maar als zij haar zus (36) op straat tegenkomt, groeten ze elkaar niet. Ook toen Anne deze zomer een ernstig auto-ongeluk kreeg, hadden ze geen contact. Twee weken later beviel haar zus van haar eerste kind. Anne heeft haar nichtje nog nooit gezien – en stuurde geen felicitatiekaartje.

Training

Leer loslaten

  • Leer accepteren i.p.v. vechten
  • Leer de controle los te laten
  • Leer te leven volgens je waarden
bekijk de training
Nu maar
€ 75,-

Verschil in karakter

Je groeide samen op, deelde hetzelfde nest. Van je broers en zussen leerde je spelenderwijs sociale vaardigheden en assertiviteit. En mede door hun invloed ben je geworden wie je bent. ‘Er bestaat een prachtige Surinaamse uitdrukking: broers en zussen zijn het merg van je bot,’ zegt Else-Marie van den Eerenbeemt, familietherapeut en docent intergenerationele familiedynamiek. ‘Familie is je kracht, maar ook je kwetsbaarheid.’

Die lotsverbondenheid is een van de vier kenmerken die de broer-zusrelatie typeren, schrijft emeritus hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie Frits Boer in zijn bestseller Een gegeven relatie. Boer putte voor dit boek uit wetenschappelijke literatuur, publicaties over de psychotherapeutische praktijk en uit zijn eigen beroepsmatige ervaringen. Een tweede kenmerk is onbevangenheid. Met vriendjes ben je voorzichtiger, want die kun je kwijtraken als je ruziemaakt, maar je broer of zus durf je ongenadig de waarheid te zeggen. Als derde noemt Boer verscheidenheid.

Vredig samen spelen kan in een oogwenk omslaan in slaande ruzie, en omgekeerd. Het laatste kenmerk is ambivalentie. Broers en zussen staan zij aan zij tegenover de rest van de wereld, maar zijn ook elkaars rivalen: ze strijden om de aandacht en liefde van hun ouders. Rivaliteit kan levenslang doorgaan, bevestigt contextueel- en systeemtherapeut Gerrie Reijersen van Buuren. Als voorbeeld noemt ze voortdurende competitie tussen volwassen kinderen over wiens gezin het succesvolst en gelukkigst is.

In september 2015 vroeg Psychologie Magazine aan lezers die het contact met hun broer of zus verbroken hadden, wat de reden daarvoor was. Struikelblokken bleken onder meer de erfenis, psychische problemen van een van beiden, misbruik, financiële kwesties, onenigheid met partners en jaloezie. Maar het meest genoemde argument was: ‘Onze karakters verschillen te veel.’ Ook gaven lezers aan dat ze zich vaak gekwetst voelden door hun broer of zus, dat ze geen steun of liefde van hem of haar kregen, of dat ze zichzelf niet konden zijn bij de ander.

Ongemakkelijk

‘Als kinderen lagen wij elkaar al niet echt,’ zegt Anne, die een jaar geleden brak met haar zus. ‘Toch probeerden we wel samen leuke dingen te doen, we vonden dat we als zussen een goed contact moesten hebben. Maar ik voel me niet op mijn gemak bij haar. En zij kan niks met mij. We praten voortdurend langs elkaar heen. Zij benadert de dingen praktisch, ik gevoelsmatig. Wat ook meespeelt: bij haar lijkt alles van een leien dakje te gaan, terwijl ik veel nare dingen meemaak. Daar gaat zij, vind ik, heel ongevoelig mee om. Ze kwetst me met haar reacties. Ik word er niet gelukkiger van als zij in mijn leven is.’

Haar moeder, met wie Anne een sterke band had, is overleden. Haar vader en jongere broer zijn niet blij met de complicaties die uit de breuk voortvloeien. Gezellig met z’n allen bij het kerstdiner aanschuiven of een familiefeestje vieren zit er immers niet in. ‘Mijn vader vindt het heel erg,’ zegt Anne. ‘En anderen noemen het soms ronduit monsterlijk. Vriendinnen zeggen tegen mij: “Zo bén jij helemaal niet.” Dat is waar. Maar ik kan hier geen midden in vinden.’

Ouders als splijtzwam

Hoeveel volwassen broers en zussen nemen zo’n rigoureuze beslissing? Volgens internationale schattingen door onder meer psychologen en therapeuten is dat 5 tot 10 procent. Harde cijfers zijn er nauwelijks: wetenschappelijke research hiernaar is nog een braakliggend terrein.

Wel publiceerde Netwerk Notarissen eind 2014 de resultaten van een onderzoek naar familiebanden onder achthonderd Nederlanders. Liefst 38 procent van hen had gemiddeld al twaalf jaar geen contact meer met een of meer familieleden. In 67 procent van die gevallen ging het om broers en zussen. Ze verbraken het contact vaak na een ruzie (48 procent) of nadat beide ouders waren overleden (17 procent).

Een snel rekensommetje levert op dat een kwart van de mensen een broer of zus heeft die hij niet meer ziet. Dat lijkt nogal veel. Toch zou dit cijfer best kunnen kloppen, denkt Gerrie Reijersen van Buuren. Ze ziet het bewijs in haar praktijk. De meeste problemen zijn volgens haar terug te voeren op de houding van de ouders.

"Ik vind het heel verdrietig dat mijn zus en ik elkaar niet liggen, maar ik mis haar niet."

-

‘Het gaat mis als vader en moeder samen geen goede coalitie vormen: als partners én als ouders. Want dan zoeken ze vaak troost of loyaliteit bij een kind.’ Dat beroep op de steun van het ene kind kan tot gevolg hebben dat de andere kinderen zich minder gezien en erkend voelen en vormt zo een splijtzwam.

In de relatie tussen ouders ligt dus vaak de kiem voor hommeles tussen broers en zussen, zegt Else-Marie van den Eerenbeemt. ‘Een echtscheiding waarbij de kinderen van elkaar worden gescheiden, is een belangrijke oorzaak. Dat is traumatisch. Je ziet vaak dat ze dan als volwassenen het conflict gaan herhalen. Ze vechten alsnog de ruzie van hun ouders uit. De een kiest partij voor de vader, de ander staat aan moeders kant. Ze staan keihard tegenover elkaar en verliezen daardoor ook nog eens hun broer of zus.’

Lievelingskind

Ook ‘het lievelingskind’ kan een trigger zijn. Vooral als één dochter de oogappel van vader of moeder was, klimmen haar zusjes nogal eens op de barricades. Moeders lieveling is vaak de dochter die haar veel hielp en het daardoor mogelijk maakte dat zij kon werken. ‘Ik heb veel vrouwen gesproken die zich als tweede moeder voor hun broers en zussen hadden opgeworpen, maar daarover later allerlei verwijten van hen kregen. Terwijl die klachten bij de ouders thuishoren. Dat kan tot zoveel verbittering leiden dat de broers en zussen elkaar niet meer willen zien.’

Uit onderzoek aan de universiteit van Californië in 2005, waarvoor vierhonderd ouders drie jaar lang werden gevolgd, bleek dat 65 procent van de moeders en 70 procent van de vaders een lievelingskind heeft. Elk kind wil dat lievelingetje zijn. De jaloezie en rivaliteit die daaruit voortkomen, kunnen de verstandhouding tussen broers en zussen blijvend beïnvloeden. Het is niet uitzonderlijk dat door deze, vaak onuitgesproken, gevoelens de bloedband op volwassen leeftijd verwatert of vergiftigd raakt. Dat kan zelfs nog gebeuren als die kinderen allang de middelbare leeftijd hebben bereikt.

En nu ík

Ook de verdeling van de erfenis kan hele families uit elkaar drijven. ‘De verrekening van de liefde,’ noemt Van den Eerenbeemt het, die een boek over dit onderwerp schreef: Wie krijgt de gouden armband van moeder? De messen worden geslepen, zeker als er een zondebok of een zondagskind was. Het zondagskind dat volgens de anderen altijd al meer kreeg, begint verwachtingsvol aan de verdeling van de erfenis.

Terwijl de zondebok denkt: en nu ík. ‘Je begrijpt niet waarom een stoel of een poppenserviesje ertoe leidt dat twee zussen elkaar 25 jaar niet meer willen zien. Maar het gebeurt,’ zegt Van den Eerenbeemt. ‘Het gaat natuurlijk helemaal niet om dat serviesje, maar om emoties. Wie begreep moeder het best, wie kreeg de meeste liefde?’

Als een broer of zus bijvoorbeeld het leeuwendeel van de mantelzorg voor een ouder op zich nam, is het belangrijk dat de andere gezinsleden dat nu erkennen, zegt ze. ‘Die erkenning betekent alles.’ Als vaders horloge vervolgens zonder geruzie naar het mantelzorgende kind gaat, versterkt dat het gevoel van beloning.

Zelfs als broers en zussen een prima relatie hebben, kunnen hun partners nog roet in het eten gooien. Van den Eerenbeemt: ‘Want partners zeggen bijvoorbeeld dat ze je zus niet kunnen uitstaan. Of dat je broer nooit meer welkom is. Maar ja, het blijft wel je broer. Dus wat dan?’ Zo’n patstelling leidt tot forse loyaliteitsconflicten.

Je wilt het contact met je broer of zus niet verliezen, maar ook je partner niet kwijtraken. Vaak gaat zo’n relatie dan ‘ondergronds’: broers en zussen vinden manieren om buiten hun partner om toch contact te houden. ‘Mensen doen graag alsof ze geen last hebben van een breuk,’ zegt Van den Eerenbeemt. ‘Maar ik zie in mijn praktijk hoeveel verdriet het geeft als die band verloren gaat. Dat moet je niet onderschatten.’

Met stief- of halfbroers en -zussen ligt dat anders, vindt ze. ‘Die band weegt minder zwaar. Natuurlijk kan je stiefbroer de liefste broer van de wereld zijn. Maar dat is toch meer een vriendschap, een keuze. Met broers en zussen heb je geen keus. Je blijft met elkaar verbonden.’

Natuurwet

Hoe belangrijk die verbondenheid is, realiseren mensen zich vaak pas later in hun leven. Door scheidingen, ziekte van ouders en sterfgevallen dringt tot hen door hoe waardevol de relatie met een broer of zus eigenlijk is. Zij zijn de enigen die alle stadia van je leven meemaken en maken deel uit van je identiteit. Dat biedt houvast en herkenning.

Reijersen van Buuren en Van den Eerenbeemt stellen beiden dat je de relatie met een broer of zus niet werkelijk kunt verbreken. Ook niet als je elkaar niet kunt luchten of zien. ‘De familieband blijft bestaan, dat is een natuurwet,’ zegt Reijersen van Buuren. ‘Je kunt een ex-partner hebben, maar geen ex-broer of een ex-vader.’ Moet je daarom altijd contact blijven houden? Er zijn goede redenen om, al dan niet tijdelijk, uit zelfbescherming afstand van een broer of zus te nemen, zoals bij verslavingsproblematiek, criminele carrières en psychisch of seksueel misbruik.

Reijersen van Buuren: ‘Maar ik pleit er in het algemeen voor om dingen samen uit te spreken. Dat kan verhelderend en verbindend werken. Spreek uit wat jullie verlangens waren, wat je nodig hebt van elkaar en wat je niet meer voor elkaar kunt betekenen.’ Reflecteren op de gedeelde jeugd helpt om de oorzaak te ontrafelen.

‘Broers en zussen hebben dezelfde vader en moeder, maar die zijn voor elk kind andere ouders. In erkenning krijgen en gezien worden kunnen hemelsbrede verschillen zitten. De een werd altijd geknuffeld door een vader, de ander nooit. Voor het ene kind is moeder heilig, voor het andere niet. Dat wordt dan later uitgevochten in broers- en zussenrelaties. Als zoiets uitgepraat wordt, verbetert de verstandhouding. Vertel dat je het zelf ook moeilijk vond dat jij het lievelingetje was. Of dat je je daarover schuldig voelde.’

Volwassenen zouden de verschillen tussen elkaar moeten respecteren. ‘Je hoeft niet elkaars vrienden te zijn. Maar je kunt niet om elkaar heen, dus maak er het beste van. Want je komt elkaar hoe dan ook weer tegen. Bijvoorbeeld als een van je ouders overlijdt.’

Deur op een kier

‘Ik vind het heel verdrietig dat mijn zus en ik elkaar niet liggen, maar ik mis haar niet,’ zegt Anne. ‘In het begin vond ik het vreselijk als we elkaar voorbijliepen zonder iets te zeggen, maar nu berust ik erin. Ondertussen probeer ik er niet aan te denken dat mijn vader ooit doodgaat. We hebben afgesproken dat hij 100 wordt.

Maar als het eenmaal zover is, denk ik wel met mijn zus te kunnen overleggen over zakelijke dingen. Mijn oma zegt soms: “Kind, dit kan toch niet zo doorgaan?” Tja, waarom niet? Dat de deur dicht is, betekent voor mij niet dat hij echt nooit meer open kan. Maar zoals ik er nu in sta, denk ik: laat hem voorlopig maar dicht.’

Zo werkt het toch, ook al lig je elkaar niet

  1. Klop bij de juiste persoon aan. Zit een voorval of (voorkeurs)behandeling uit je jeugd je nog steeds dwars? Probeer eerst na te gaan waar de oorzaak lag. Maak je broer of zus geen verwijten die eigenlijk voor je ouders zijn bedoeld.
  2. Accepteer de verschillen. Je broer of zus hoeft niet je beste vriend te zijn. Maar het contact verloopt wel een stuk makkelijker als jullie net zo beleefd en vriendelijk met elkaar omgaan als met andere kennissen.
  3. Houd de deur open. Botert het echt niet? Probeer toch contact te houden, al is het maar één kaartje of telefoontje per jaar. Wie weet ontstaat er weer ruimte. 40% wil opnieuw contact.

Kan het contact nog hersteld worden?

In 34% van de gevallen waarin het contact tussen broers en zussen werd verbroken, is dat op zeker moment weer hersteld. Van mensen bij wie het contact niet is hersteld, zou zo’n 40% de banden best weer willen aanhalen.

Van hen stelt wel bijna de helft (44%) als voorwaarde dat er dingen veranderen in de relatie; bijna 10% wil dat de ander het initiatief neemt voor een verzoening en ruim 20% wil zelf wel, maar is bang dat dat niet geldt voor zijn of haar broer of zus.

Van de 60% die het contact niet wil herstellen, vindt ruim 35% dat er te veel is gebeurd; bijna 40% heeft gewoon geen behoefte aan contact; bijna 10% wil zijn broer of zus zelfs nooit meer zien en 25% houdt wél de deur open voor een verzoening in de toekomst.

Bron: Online onderzoek Psychologie Magazine, september 2015, ingevuld door 1666 lezers met een (ooit) verbroken of verwaterde relatie met broer of zus.