Ondanks het druilerige weer zijn we al uren aan het wandelen. En, zoals meestal, praten we over ons werk. Vandaag vooral over zelfmoordpreventie.

Is elk mens in staat tot gruwelijke dingen?

Zelfs bij de vriendelijkste, ‘normaalste’ persoon kan iets knappen, weet forensisch psycholoog I...

Lees verder

‘De jonge vrouw was al een tijdje bij ons opgenomen,’ vervolgt ze. ‘Een eerste depressie. Geen behandeling sloeg aan, maar ze had net nieuwe medicatie. Ik dacht: nu komt er licht.’ Ze schraapt haar keel. ‘Ik wist niet dat ze zo wanhopig was. Een totaal verkeerde inschatting.’

Even lopen we zwijgend door in de regen die aarzelend uit de grauwe hemel komt. ‘Misschien dichten we onszelf ook te veel macht toe,’ zeg ik na een tijdje. ‘We willen iemand natuurlijk in leven houden. Zijn of haar levenslust teruggeven. We doen alles wat we kunnen, maar soms ligt het simpelweg buiten ons bereik. Is de taak te groot.’

‘We zijn God niet,’ glimlacht ze. ‘Ik vind het ook niet erg dat die mensen in mijn hoofd blijven. Hoe pijnlijk ook, ze horen bij me. We hebben allemaal wel een eigen kerkhofje achter ons huis.’

Terwijl ik naar huis fiets, denk ik aan al die kerkhofjes achter de huizen. En hoe we daar allemaal anders mee omgaan. De verdachten die ik onderzoek, hebben vaak flinke kerkhoven en veelal tochtige, koude huizen.

Tussen die twee lijkt een verband te bestaan. Of zoals een onderzochte laatst tegen me zei: ‘Niemand heeft ooit naar mij omgekeken, dus ik trek me ook van niemand wat aan.’

Zelf probeer ik te leven met mijn eigen kerkhof. Ik heb geprobeerd het te negeren. Maar dan keert het zich tegen me en droom ik van het vogeltje uit mijn jeugd.

Als kind trof ik hem zomaar op een voorjaarsmiddag. Op de een of andere ongelukkige manier was hij in de sloot beland. Verloren dreef hij midden in de plas, zijn vleugels plat uitgespreid op het water, zijn kop net erboven.

Direct begon mijn hart te bonken. Dat arme, lieve diertje. Ik ging hem redden! Doortastend brak ik een lange tak van een boom. Sleepte die mee naar de sloot. Maar in plaats van het beestje eruit te vissen, bleef ik met gebalde vuisten staan.

Met de tak aan mijn voeten stond ik daar maar en keek. Net zolang tot het donkere water zich sloot boven de laatste rimpelingen van het stil wegzinkende lijfje. Daarna rende ik huilend naar huis. Tot ver in mijn volwassenheid droomde ik over dat vogeltje.

Toen ik een tijdje een droomboekje bijhield, zag ik het patroon: de droom verscheen altijd als ik worstelde met schuldgevoelens. Tegenover een gescheiden vriendin die ik te weinig belde. Een oude oom waar ik echt langs moest. Soms denk ik: we moeten meer praten over onze kerkhofjes en hoe we ons daartoe verhouden. Het zegt veel over wie we zijn.

Praten over zelfmoordgedachten kan anoniem: chat via www.113.nl, bel 113 of bel gratis 0800-0113.