Wie ben je?

Jessica Durlacher: ‘Het heeft lang geduurd voor ik was wie ik ben. Pas op mijn 23ste begon ik er een beetje in te komen, en in te zien dat het leven iets leuks had. Tot die tijd was het vooral doffe ellende in mijn kop. Alsof er niets echt tot me doordrong. Ik was vaak somber.

Ik voelde me een minuscuul iets, een niets – vergeleken bij alles en iedereen was ik een vlekje. Tot mijn zeventiende was ik alleen maar bezig met slinken. Ook letterlijk werd ik steeds dunner. Ik was als een tekkel die in zijn eigen staart bijt, maar met dat verschil dat ik mijn hele staart al bijna op had. Ik stikte er zowat in.

Tegelijkertijd had ik wel gewoon een leven. Ik deed allerlei leuke dingen en ik had vrienden, maar ik was er niet bij en tegelijkertijd te veel. Ik zag mezelf voortdurend, ik stoorde mezelf. Dat was al begonnen op mijn achtste.

Bij alles wat ik deed, keek ik van een afstandje naar mezelf. Ik had zo’n verhalende stem in mijn hoofd: “Nu doet ze dit, nu zegt ze dat.— Al met al was ik een meisje dat te moeilijk denkend, te gewetensbezwaard, te zwaar op de hand was.

Als oudste thuis had ik een enorm verantwoordelijkheidsgevoel. Ik moest altijd heel veel van mezelf, op het dwangneurotische af. Ik vond bijvoorbeeld dat ik de beste van de klas moest zijn. Voor wie? Voor mijn vader, waarschijnlijk.

Als je zo’n streberig karakter hebt als ik, zoek je naar het moeilijke, dat wat niet bereikt kan worden. Voor mij was dat: serieus genomen worden door mijn vader. Die geestig was, en ontroerend, maar ook een moeilijke man die een kampverleden met zich meedroeg. Hém overtuigen van mijn geweldigheid, dáár lag de opgave.

Pas later besefte ik dat ik al die tijd bezig ben geweest met het verwerven van bestaansrecht. Want dat had ik niet, vond ik zelf. Dat had alleen mijn vader, door de erge dingen die hij als joodse gevangene had doorgemaakt. Hij sprak nooit over Het Kamp, dat was een mysterie bij ons thuis, maar ik merkte wel dat daar de meest verschrikkelijke dingen moesten zijn gebeurd.

Op een zeer letterlijke manier probeerde ik loyaal te zijn aan m’n vader. Dat hongeren was een poging om te laten zien: “Kijk, pap, ik weet wat je hebt doorgemaakt.— Dat gevoel van on the edge leven, dat je nog nét voort kunt – wat hij ook gehad moest hebben in dat concentratiekamp – dat wilde ik ook voelen.

Het duurde tot mijn 23ste eer ik doorkreeg dat ik wel degelijk een beetje macht had. Mijn zelfvertrouwen nam toe, ik begon in te zien dat ik effect had op anderen. Ik besefte bijvoorbeeld dat ik mensen aan het lachen kon maken. En dat er écht iemand verliefd op mij was – iemand, dit keer, die ik zelf ook leuk vond! Uiteindelijk zijn het toch de positieve dingen die bepalen wie je wordt, niet de ellende die je meemaakt.

Ik richtte in die tijd samen met anderen een literair tijdschrift op, waardoor ik terechtkwam in een andere wereld. In die nieuwe wereld kon ik iets dat op waarde werd geschat. Misschien is dat wel de bepalendste ontdekking in mijn leven geweest: dat ik niet zweef in het luchtledige, maar dat ik ertoe doe.

Ik leerde ook dat dat niet vanzelf gaat. Een groot deel van het leven is namelijk theater: als je mensen wilt veroveren, moet je ze laten zien wie je bent. De vorm waarin je jezelf verpakt, hoe je je gedraagt, wat je zegt, wat je niet zegt – dat is essentieel.

Zonder vorm zien mensen niet wie je bent en wat je voelt. Als klein kind denk je dat je ouders precies weten wat je doormaakt, dat je wordt gezien, maar gaandeweg ontdek je dat dat niet waar is: je moet vreselijk duidelijk zijn over wie je bent en wat je vindt en voelt. Misschien ben je je hele leven wel bezig te wennen aan die teleurstelling.

Maar of dat nu de essentie is van wie ik ben? Ik denk dat mijn uiteindelijke kern toch is dat ik altijd heen en weer schiet tussen enerzijds mezelf heel erg bestuderen, en anderzijds ontzettend graag mezelf willen vergeten. D

atgene waarom mensen van je houden, of zich jou ooit zullen herinneren, is niet het overbewustzijn waarmee je jezelf in een kramp houdt; het zijn juist de keren toen je de slappe lach kreeg, of gek deed, of jezelf in iets verloor. Dát zijn de momenten waarop je iemand bent. Gelukkig heb ik nu een beroep gevonden waarin ik én mezelf kan verliezen, én tegelijkertijd in mezelf kan graven.’

Waar geloof je in?

Jessica Durlacher: ‘In vrij zijn. Je moet trouw zijn aan wat jij wilt, op je eigen pad zien te blijven, je eigen helderheid behouden. Maar dat is moeilijk. Als mens heb je snel de neiging om mee te brullen met de massa. Er zijn van die populaire meningen die goed klinken, maar die, als je kritisch nadenkt, gevaarlijk zijn.

In Nederland zijn veel mensen nu bijvoorbeeld blij met Geert Mak. Hij signaleert grote gevaren in de kritiek op de islam, omdat je moslims zo in een bepaalde hoek zou duwen. Hij noemt dat zoiets als de nieuwe variant van antisemitisme. Maar waar is die vreselijke vervolging van moslims hier dan? Mak bagatelliseert de angst voor de islam.

Laten we wel wezen: in die godsdienst zit gewoon iets waardoor een heleboel landen lijden onder verschrikkelijke terreur en dictatoriale bewinden. Die islamopvatting vertegenwoordigt een versteende traditionaliteit die niet strookt met de moderne waarden die wij allemaal zo belangrijk vinden, zoals democratie en vrijheid.

Moeten we daar dan maar begrip voor opbrengen? Kom nou! Vijanden bestaan echt. Het Kwaad kan morgen aan je deur kloppen. Mijn vader is van de ene op de andere dag opgesloten in een concentratiekamp. De alertheid voor dat gevaar heb ik van huis uit meegekregen, en ik zal alles in het leven altijd blijven afzetten tegen het verleden van mijn vader. Dat is mijn toetssteen, en die toetssteen gedoogt geen zwart-witdenken.’

Wat zou je willen veranderen?

Jessica Durlacher: ‘De literatuurkritiek! Er zit een hoop venijn bij de critici, waarom weet ik niet. Sommige kritieken op mijn laatste roman Emoticon waren goed, maar er zaten er ook bij… afschuwelijk!

Ik heb die recensies zelf niet gelezen, maar er schijnt in te staan dat ik niet kan schrijven. De mensen in mijn omgeving hebben die stukjes wel allemaal gelezen en zij waren er ziek van. Op zo’n moment in je leven houd je je rug recht door te denken: “Dit is het boek dat ik heb geschreven, ik heb er met alle overgave drie jaar van mijn leven aan gegeven en ik had het niet anders kunnen of willen doen.

Het enige dat ik weet, is dat Emoticon een heel mooi boek is. Het gaat over het allerverdrietigste in mezelf, in mijn hart. Het is helemaal geen kutboek, ik heb er in vijf maanden tijd 50.000 exemplaren van verkocht, en ik ben niet gek. Natuurlijk heb je tijd nodig om bij te komen van zoiets naars, maar ik ben niet gaan twijfelen aan mijn schrijfkwaliteiten. De enige oplossing is: gewoon doorgaan. Dus heb ik meteen de novelle Schrijvers! geschreven.

Mijn man Leon is overigens precies hetzelfde overkomen. Hij kan helemaal niks volgens de pers. Toen Kaplan uitkwam, schreven ze dat hij volledig mislukt en talentloos is. Nou ja, het boek is inmiddels toe aan de vijftigste druk, en in het buitenland wordt Leon vergeleken met Philip Roth en Saul Bellow, dus waar praten we dan over? Wat voor mij uiteindelijk telt, is de mening van de lezers. Zolang zij mij huilend opbellen omdat ze diep geroerd zijn door Emoticon, kan ik kennelijk nog wel iets.’

Wat was een keerpunt in je leven?

Jessica Durlacher: ‘Ik heb een heel heldere, schokkende herinnering aan de dag dat mijn vader thuiskwam van een sessie bij psychiater Bastiaans. Hij kreeg daar een behandeling waarbij hij met behulp van lsd zijn oorlogstrauma verwerkte.

Ik zie het nog voor me als de dag van gisteren: mijn lieve vader zat op de bank, in een delirium, de hele tijd roepend dat hij “’m— vermoord had. Ik weet niet wie die “’m— was, waarschijnlijk een Duitser. Mijn vader zei dat zó vol haat, het was zo puur, zo gruwelijk. Hij dronk ook almaar druivensap. Bloed, vond ik, mijn vader dronk bloed! Op dat moment kreeg ik een klein glimpje te zien van de hel waarin hij nog steeds leefde.

Vanaf die tijd is hij gaan opschrijven wat hij had meegemaakt. Ons had hij nooit iets verteld over het kamp. Het enige wat we als kind wisten, was dat hij niet tegen lawaai kon, snel boos werd en ontzettend kon uitvallen – en wij al die tijd maar denken dat dat aan ons lag natuurlijk. Dat de waarheid nu boven tafel kwam, voelde als een enorme bevrijding.

Het klinkt kinderachtig, maar het feit dat mensen nu konden lezen wat mijn vader was overkomen, en dat ze daarvan onder de indruk waren, deed mij ongelooflijk veel goed. Eindelijk werd duidelijk waarom hij zo anders was dan andere vaders, en waarom je bij hem een gebruiksaanwijzing nodig had om met hem te kunnen omgaan.’

Hoe is het om ouder te worden?

Jessica Durlacher: ‘Het is verbazend dat ik nu ineens 43 ben. De enige troost is dat de mensen die ik ken, ook allemaal die gekke, nieuwe leeftijd hebben. Ze hebben nu net als ik een leven met verantwoordelijkheden; heel anders dan vroeger.

Maar goed, de mens blijft natuurlijk een vreemd, treurig dier dat strijdt tegen het verval. Al sinds mijn zeventiende ben ik daarmee bezig, dat ik er niet tegen kan als het verval al optreedt. Dus ben ik erg kien op mijn gezondheid. Ik doe er moeite voor om er goed uit te blijven zien. Ik loop hard, rook niet, drink weinig. In dat opzicht ben ik heel braaf, op het truttige af, hoor!

Van binnen word ik niet ouder of “wijzer—, ik blijf altijd acht. Omdat ik mij op m’n achtste zo goed realiseerde dat ik acht was, en leed aan een teveel aan zelfbewustzijn. Dat is mijn kern, daar kom ik iedere keer weer bij uit.

Wat ouderdom en rijpheid wel doen, is dat je je steeds meer op je gemak gaat voelen met jezelf, met wie je bent. Je wordt minder zenuwachtig. Je denkt niet meer voortdurend: “Doe ik op dit moment wel het goede? Moet ik eigenlijk niet iets heel anders doen?— Er komt een bepaald soort prettige rustigheid over je.’

Wat heeft de liefde je geleerd?

Jessica Durlacher: ‘Jezus Christus! We dalen hier wel af in de hellekrochten van mijn ziel, hè? Nou, vooruit dan. Ik denk dat de liefde mij heeft geleerd dat je niet iemand moet zoeken die dezelfde negatieve eigenschappen heeft als jij. Dan groei je niet. Het gaat in liefde om het omarmen van het andere, dat wat je nog niet kende.

Daar ben ik achtergekomen door mijn eerste grote liefde, die leek op allerlei terreinen erg op mij. Het was een cerebraal soort liefde – bij hem zijn gaf datzelfde hypergevoelige op-eieren-lopen-gevoel dat ik altijd bij mijn vader had.

Net als mijn vader vertegenwoordigde hij voor mij een soort geweten, een heel streng, absoluut geweten. Bij hem moest ik allerlei dingen van mezelf. Ik had altijd het gevoel dat ik een voorbeeldleven moest leiden. Ik wilde hem de hele tijd redden, helpen, verlichten, maar zelf ging ik daar uiteindelijk natuurlijk aan onderdoor.

Bij mijn tweede liefde, nu, met Leon, is het allemaal veel intuïtiever. Het is ontspannen, veel meer een keuze voor hoe ik het liefst wil leven. Leon dopt zijn eigen boontjes. Ik hoef me niet te bewijzen, ik doe wat ik doe en dat is goed. Hij is totaal anders dan ik, écht heel anders. Hij denkt in het groot, pakt dingen groots aan, en krijgt dan ook vaak veel terug.

Zo ben ik niet opgevoed, wij bleven altijd voorzichtig op de vierkante centimeter. Door hem heb ik meer ruimte in mijn hoofd gekregen, en dat is heerlijk. Ik vind het spannend om met iemand te leven die de dingen heel anders ervaart. Daardoor besef ik steeds beter wie ik zelf ben.’ n

Schrijvers! (ISBN 90 8531 051 2; € 3,95) is alleen verkrijgbaar bij De Bijenkorf[/wpgpremiumcontent]