John Irving komt over als een gedistingeerde oude man. Hijzelf is aan de kleine kant en zijn chique wollen pak valt groot, waardoor hij lijkt weg te vallen in dat kostuum. Het is typisch John Irving: als privépersoon wil hij maar één ding, en dat is verdwijnen. ‘Mijn persoonlijke ervaringen doen er niet toe,’ zegt hij. ‘Mijn eigen leven is, net als dat van de meeste mensen, slechts een samenraapseltje van toevalligheden. Verder leef ik uiterst saai en gedisciplineerd; het vermelden niet waard. Nee, dan veel liever de verbeelding: dat is het grootste goed dat we als mens hebben, en waarom ik boeken schrijf. Ik wil verhalen verzinnen die beter zijn dan het echte leven: ontroerender, afschuwelijker, grappiger, samenhangender, voorbestemder, bevredigender.’

Coachfinder

Vind een betrouwbare coach via Coachfinder

Coaching is een belangrijke stap in zelfontwikkeling. Maar de juiste coach vinden blijkt nog niet zo eenvoudig. Coachfinder helpt je in je zoektocht naar een coach die bij je past.

Vind je ideale coach

Inderdaad, John Irving zal laconiek reageren als we komen te spreken over zaken als zijn vader die hij nooit heeft gekend, en zijn eerste seksuele ervaring, op zijn elfde, met een oudere vrouw. Des te emotioneler en heftiger zijn Irvings romans: die barsten altijd van de excentrieke personages en indringende verwikkelingen. Ook voor zijn nieuwste, In een mens, heeft hij weer een intens onderwerp gekozen: onderdrukking – en bevrediging – van seksuele verlangens.

Hoofdpersoon is de biseksuele Billy Abbott, die in zijn vroege tienertijd verliefd wordt op een jongen uit het schoolworstelteam en seksueel wordt ingewijd door een transseksuele bibliothecaresse. En passant is Billy’s vader al jaren spoorloos, blijkt zijn opa maar wat graag de jurken van zijn oma te dragen, wordt ene Tom verliefd op Billy maar Billy niet op Tom, gaat Tom later als heimelijke homo dood aan aids, en blijkt de mooie jongen uit het worstelteam zich te hebben laten ombouwen tot vrouw. En dan lichten we nog maar een tipje van de sluier op.

Irving heeft het boek geschreven met een missie, benadrukt hij. ‘Ik wil laten zien hoe hypocriet het is dat mensen die tot een seksuele minderheid behoren, constant worden gemarginaliseerd en gewantrouwd. Ieder mens heeft zijn eigen, persoonlijke seksuele wensen, maar echt toegestaan wordt dat niet. Het is ronduit treurig: een afwijkende seksuele voorkeur is nog steeds zo ongeveer het laatste wat mensen van elkaar accepteren – terwijl het toch zoiets diep persoonlijks is. Er bestaat een seksuele haat die geen grenzen kent, zeker in Amerika. Wij Amerikanen lijden aan wat ik een collectief “verbiedingssyndroom” noem: alles wat buiten de monogame, ­heteroseksuele norm valt, is in feite taboe.’

Was het niet lastig voor u, om u als keurig getrouwde hetero­man in te leven in Billy?

‘Eerlijk gezegd vind ik het veel moeilijker iemand te beschrijven die in God gelooft dan een biseksuele man. Bij die laatste kan ik me meer voorstellen. Ik mag dan hetero zijn, in mijn tienerjaren had ik een fase waarin ik ook homoseksuele gevoelens had. Ik denk trouwens dat veel heteromannen die ervaring hebben gehad, alleen zullen ze het nooit durven toegeven.

Ikzelf liep in elk geval ernstig te twijfelen over mijn seksualiteit. Stiekem was ik smoorverliefd op een paar oudere jongens in mijn worstelteam. Maar ik viel ook op vrouwen – niet meisjes van mijn eigen leeftijd, maar hun móéders.

Wat ik verder verwarrend vond toen ik als jongvolwassene met vrouwen naar bed ging, was dat ik anale seks zo prettig vond. Hun vagina binnengaan durfde ik jarenlang niet – bang als ik was verdwaald te raken in een veel te grote balzaal. Daardoor dacht ik: o mijn god, ik vind het vast zo lekker omdat ik eigenlijk homo ben. Ik schrok, dacht: als ik hier aan toegeef, word ik krankzinnig en loopt het slecht met me af. Vergeet niet dat doktoren en psychologen in die tijd homoseksualiteit als een psychische ziekte bestempelden. Het werd gezien als iets onnatuurlijks waarvan je genezen diende te worden.’

Heeft u dit boek ook geschreven omdat uw zoon homo is?

‘Ik heb het met Everett in mijn achterhoofd geschreven, ja. Hij is nu 23, hij kwam uit de kast op zijn vijftiende. Op school reageerden ze gelukkig goed, maar het blijft toch niet makkelijk te ontdekken dat je “anders” bent. Vooral de eerste jaren is het een verwarrende, eenzame toestand. Zelfs al staat je omgeving achter je, je past nooit helemaal in hun heterowereld, en je moet dan toch in je eentje je weg zoeken. Ik word altijd kwaad op mensen die zeggen: “Jonge homo’s hebben het tegenwoordig heel makkelijk.” Dat is absoluut niet waar.

Het voordeel is wel dat mensen die tot een seksuele minderheid behoren, vaak een sterke persoonlijkheid ontwikkelen. Dat komt doordat anderen je in wezen toch raar vinden, en daardoor moet je extra vaak voor jezelf opkomen en harder vechten voor je plek in de maatschappij.’

Wat zei u tegen Everett toen hij met het grote nieuws kwam?

‘Dat ik nu nog meer van hem hou dan wanneer hij hetero was geweest, omdat ik wist dat andere mensen het hem nu moeilijker zouden maken.’

Uw eerste seksuele ervaring was op uw elfde, met een volwassen vrouw – een beetje vergelijkbaar met wat Billy overkomt in uw boek. Voor Billy is het een heftige ervaring met grote gevolgen; voor u was dat niet zo.

‘Tja, mensen hebben me daarover stapels boze brieven geschreven: “U moet zeggen dat wat u zelf meemaakte, kindermisbruik was en dat het afschuwelijk was.” Begrijp me goed: ik zeg niet dat het oké was wat die vrouw die paar keer met me deed. Maar sorry jongens, ik heb er echt niet onder geleden.’

Er is toch een ongelijke machtsverdeling tussen een volwassene en een kind?

‘Dat kan zijn, maar ze was totaal niet bedreigend voor me. Ik kende haar goed en vond haar in alle opzichten leuk. Ze gaf echt om me. Ik heb het toentertijd helemaal niet als iets verkeerds of vreemds ervaren. Het was gewoon een van de dingen die we samen deden. Pas later, toen ik voor het eerst uit eigen beweging seks had met een vrouw, realiseerde ik me: “Hé, dit heb ik al eens eerder gedaan!” Toen besefte ik dat het niet in de haak was geweest – omdat ik nog te jong was geweest om te beseffen waar ik mee bezig was, en ook omdat die vrouw me had opgezadeld met een geheim: ze had me op het hart gedrukt dat ik er met niemand over mocht praten. Maar kwaad ben ik nooit op haar geweest.’

Wat was u voor jongetje?

‘Vooral eigenzinnig. Ik had wel vriendjes op school, maar ik wilde niet dat ze na schooltijd kwamen spelen. In feite wás ik al schrijver, ook al schreef ik nog niet: ik had een poppenhuis waarin ik plastic soldaatjes zette die allerlei avonturen meemaakten. Ik zette ze rond een tafel en liet ze strategische besprekingen houden. Als mijn moeder toch een speelafspraak met een vriendje voor me had gemaakt, kon ik behoorlijk pissig worden.’

Was u vaak boos?

‘Ik zocht vaak ruzie. Dat had er ook mee te maken dat ik werd gepest vanwege mijn kleine postuur. Ik ging dan meteen op de vuist; waarschijnlijk is toen al mijn opstandigheid begonnen tegen discriminatie en gemarginaliseerd worden. Om de haverklap raakte ik verzeild in vechtpartijen. Op een gegeven moment riep mijn moeder: “John, alsjeblieft, als je je handjes niet thuis kunt houden, ga dan op z’n minst op worstelen, dan win je misschien ooit een keer van die groteren.” Het werkte. Door het worstelen leerde ik mijn woede ook beter beheersen.’

U heeft uw vader nooit gekend. Dat lijkt me ook een reden voor kwaadheid als kind.

‘Sorry, ik moet je opnieuw teleurstellen: ook daaraan heb ik geen trauma overgehouden.’

Maar in uw boeken wemelt het van de afwezige vaders – dat moet er wel op duiden dat de uwe veel voor u betekent.

‘Nee, serieus, hij is echt geen groot issue voor me. Wel is hij altijd een inspiratiebron geweest. Als kind al vond ik het heerlijk om te fantaseren wie mijn vader dan wel was, en later als schrijver was het ook een goudmijn. Het idee dat er een personage vermist wordt, brengt als vanzelf allerlei creatieve ideeën omhoog: wie was dat dan, waarom is hij verdwenen?’

Wat wist u als kind van uw vader?

‘Alleen dat hij piloot was geweest in de Tweede Wereldoorlog. Verder wilde mijn moeder niets over hem kwijt, en mijn opa en oma ook niet. Mijn fantasie sloeg op hol: was hij gesneuveld, had hij iemand vermoord, was hij een afschuwelijk figuur en probeerden ze me tegen hem te beschermen? Ik bedacht allerlei slechte dingen over hem, want als hij een goed mens was, zouden ze niet zo zwijgzaam over hem zijn, redeneerde ik.’

Waarom ging u nooit naar hem op zoek?

‘Als mijn stiefvader een nare man was geweest, had ik dat misschien wel gedaan. Maar ik was tevreden met mijn leven en wilde mijn stiefvader niet afvallen.’

Vond u het niet irritant dat uw moeder u nooit over uw ­vader vertelde?

‘Ja, dat wel. Ze bleef maar herhalen: “Er is niks te vertellen over je vader. Na jouw geboorte ging het gewoon uit tussen ons en zijn we ieder onze eigen weg gegaan, dat was dat.” Ik vond het maar een slap verhaal. Er moet meer achter zitten, dacht ik steeds.’

En, bent u ooit meer te weten gekomen?

‘Ja, toen ik een jaar of zestig was en mijn vader inmiddels was overleden, zochten de drie andere kinderen die hij na mij had gekregen, contact met mij. Zij waren bij hem opgegroeid. Hij bleek een heel aardige, normale man te zijn geweest. Hij had best een band met me gewild, vertelden ze, maar mijn moeder had dat te ingewikkeld gevonden, ze wilde een nieuw leven opbouwen met mij en mijn stief­vader. Achteraf moet ik mijn moeder gelijk geven: er wás inderdaad niet zo veel te vertellen geweest. In mijn boeken heb ik veel spannendere ontbrekende vaders opgevoerd. Zoals eentje die als kind graag in zijn moeders kleren rondliep, en eentje die verslaafd was aan getatoeëerd worden… dát zijn pas interessante figuren. Mijn eigen vader zou als romanpersonage een compleet modderfiguur slaan.’

Maar voor een kind is zijn eigen vader toch sowieso interessant? Vindt u het achteraf niet jammer dat uw moeder hem verborg?

‘Het is het nu eenmaal zo gelopen. Weet je, in je leven zullen altijd dingen blijven schuren. Daar depressief over worden zou onnodig zelfmedelijden zijn. Veel beter is het dat ik er ben voor de mensen die me het meest nodig hebben, in het hier en nu.’

John Irving (70) groeide op in New Hampshire. Hij was 2 toen zijn moeder scheidde van zijn vader, en 6 toen ze hertrouwde met zijn stiefvader. Als tiener was Irving verwoed worstelaar, later werd hij worstelcoach. Na zijn studie Duits publiceerde hij in 1968 zijn eerste roman, De beren los, over een groep rebelse jongeren. Tien jaar later brak hij wereldwijd door met The world according to Garp. Inmiddels heeft hij dertien lijvige romans geschreven. Irving heeft drie volwassen zoons: Colin en Brendan uit een eerder huwelijk, en Everett uit het huwelijk met zijn huidige vrouw Janet. Ze wonen om en om in Vermont, Toronto en hun buitenhuis ten noorden van Toronto.

John Irving, In een mens, De Bezige Bij, € 19,90