… dat zelfkritiek opbouwend moet zijn. Ongezonde perfectionisten ranselen zichzelf af als ze een fout maken, gezonde perfectionisten oordelen eerlijk maar mild over zichzelf. Ze steken hun energie liever in de vraag waardoor het fout ging en hoe het volgende keer beter kan.

… wanneer doorgaan onzinnig wordt. Een van de grote fouten die perfectionisten maken, is te denken: als een beetje van iets goed is, is meer ervan beter. Niet dus! Een tekst één keer op fouten checken levert een enorme kwaliteitsverbetering op, daarna neemt de opbrengst snel af. Sta dus geregeld stil bij de vraag of je inspanningen nog wel in verhouding zijn tot de opbrengst.

… hoe zinnig hulp of feedback vragen is. Het is geen teken van zwakte; je laat er juist mee zien dat je leergierig bent. Vaak wordt je werk er alleen maar beter van als je het al in een vroeg stadium voorlegt aan iemand wiens oordeel je vertrouwt. Bang dat je de reacties niet aankunt? Spreek van tevoren met jezelf af dat je er inhoudelijk niet op in hoeft te gaan – het is voldoende om vriendelijk ‘bedankt’ te zeggen en alles na afloop nog eens rustig te overwegen.

… dat orde geen doel op zich is. Een goed georganiseerd archief is goud waard; een archief dat zoveel subcategorieën kent dat gegevens wegbergen een lastige klus wordt, vreet vooral tijd. Vraag jezelf dus af, steeds als je zucht naar orde de kop opsteekt, wat de meerwaarde hier is.

… dat niemand op alle terreinen kan uitblinken. De tienduizend-urenregel van de Amerikaanse psycholoog K. Anders Ericsson leert dat je pas echt goed wordt in dingen waarin je veel tijd én gerichte training steekt. Het is dus per definitie onmogelijk om ‘overal’ goed in te zijn.

Bron: Jeff Szymanski, The perfectionist’s handbook