De twaalfjarige Michael speelde thuis altijd ijverig piano. Maar nadat hij met zijn ouders een concert had ­bijgewoond van de wereldberoemde pianist Arthur Rubinstein, besloot hij het instrument nooit meer aan te raken; zo goed als Rubinstein zou hij toch nooit worden.

Het streven naar het allerbeste is ons met de paplepel ingegoten. Wanneer kinderen ontdekken dat ze hun ouders blij maken met goede prestaties, leggen ze – op zoek naar waardering – de lat telkens iets hoger. Dat houdt niet op na de kindertijd, want wie opvalt door goede prestaties, oogst succes. Geen topsporter is dan ook tevreden met minder dan het maximale resultaat, geen arts denkt tijdens een operatie dat hij nu eens níét zijn uiterste best zal doen – want dat is het verschil tussen winnen en verliezen, tussen leven en dood.

Gedrevenheid is de norm

Waarom kleeft er zo’n naar smaakje aan perfectio­nisme? Waarom ervaren mensen het als een last om de beste te willen zijn? Sommige bedrijven, zoals de advocatuur, bloeien dankzij de inzet van perfectionisten, weet Lieke (27), die zelf als juriste bij een van de meest vooraanstaande advocatenkantoren werkt. ‘Als je niet het perfecte levert, lig je eruit. Die boodschap is heel helder op mijn werk. Meestal werk je ’s avonds door, in extreme gevallen tot half twee ’s nachts.’

Lieke herkent deze gedrevenheid. Vaak denkt ze dat haar werk nóg iets beter kan. ‘Stel dat ik op een avond een afspraak met een vriendin heb, dan kan ik best eerder naar huis gaan om een rapport nét even wat beter te maken.’

Uit een onderzoekje dat we hielden op onze site blijkt dat we in het algemeen eerder lijden onder ons streven naar perfectie, dan dat we er de vruchten van plukken: 57 procent van de mannelijke respondenten noemt zich perfectionistisch en van hen blijkt 58 procent daar regelmatig tot dagelijks last van te hebben.

Bij vrouwen ziet zelfs 66 procent zichzelf als perfectionistisch, van wie 63 procent dat als een last ervaart. Opvallend is dat mannen vooral hoge eisen stellen aan de mensen om hen heen: bijna de helft vindt eigenlijk dat anderen zich net zoveel zouden moeten inzetten als zijzelf. Bij vrouwen is dit 37 procent. Vrouwen vinden het vooral belangrijk om zélf het maximale te presteren, en iets meer dan eenvijfde van de vrouwen streeft naar het allerbeste omdat ánderen dit van hen verwachten.

Als mannen op hun werk een lastige opdracht krijgen, pakken ze die met beide handen aan, zegt 57 procent. Vrouwen aarzelen in zo’n geval: het liefst doen vrouwen werk waarvan ze zeker weten dat het ze gaat lukken. Van moeilijke opdrachten raken ze wat gestrest, geeft iets meer dan de helft toe.

Niemand is volmaakt

Streven naar het allerbeste hoeft op zich niet slecht te zijn. Het gaat pas mis als we denken dat het oordeel over onze prestaties een oordeel is over onszelf. Het verlangen om goed te presteren verandert dan in een eis, want onze eigenwaarde is in het geding.

Kinderen die van hun ouders leren dat ze er alleen toe doen als ze uitstekende prestaties leveren, zijn gevoeliger voor dergelijk perfectionistisch gedrag. Ieder kind doet zijn best om waardering te krijgen van zijn ouders, maar als een kind leert dat er alleen van hem gehouden wordt als hij presteert, kan het deze voorwaardelijke liefde aan zijn resultaten gaan koppelen. Wordt een kind gestraft voor slechte prestaties, dan zal het de angst ontwikkelen dat het nooit aan de ouderlijke verwachtingen kan voldoen.

Na zich meer dan twintig jaar over dit fenomeen te hebben gebogen, concludeert psycholoog en professor dr. Paul Hewitt van de Universiteit van British Columbia: van perfectionisme word je doodongelukkig. Het argument dat perfectionisme je de mogelijkheid geeft om het maximale te bereiken, wuift hij weg. Hewitt: ‘Een van mijn patiënten, een depressieve student, was ervan overtuigd dat hij een tien moest halen voor een toets. Hij studeerde dagenlang en haalde inderdaad een tien. Maar na afloop van de toets was de jongen nog depressiever dan daarvoor. Als hij perfect was geweest, vertelde hij me, had hij niet zo hard hoeven studeren.’

Gezonder is het om te willen excelleren, aldus Hewitt. Topsporters verlangen om uit te blinken, maar zij verlangen er niet naar om perfect te zijn. ‘Het verlangen naar volmaaktheid is ziekelijk, want geen mens is volmaakt.’

Hewitt is van mening dat perfectionisme leidt tot minderwaardigheidsgevoelens, depressies, stress en zelfs eetproblemen. Hij onderscheidt drie typen perfectionisten. Het eerste, de ‘self-oriented perfectionist’, streeft naar het maximale en neemt zichzelf voortdurend de maat. Type twee, de ‘other-oriented perfectionist’, stelt onrealistisch hoge eisen aan anderen en is geïrriteerd als deze niet aan zijn of haar verwachtingen voldoen. Hierdoor lopen relaties snel stuk.

Het laatste type, de ‘socially prescribed perfectionist’, denkt dat de omgeving verwacht dat hij of zij perfect is. Dit type perfectionisten is erg gevoelig voor depressie en zelfmoord, waarschuwt Hewitt. Ze worden geplaagd door de kwellende gedachte nooit goed genoeg te zijn in de ogen van anderen.

Meesterwerken

In de visie van Hewitt is élke vorm van perfectionisme ongezond. En ook al is niet iedere perfectionist meteen depressief of suïcidaal, er kleven wel degelijk ‘ongemakken’ aan deze karaktereigenschap. De wetenschappelijke literatuur schetst een beeld dat een perfectionist over het algemeen moeite heeft met relaties, hoge eisen stelt aan zichzelf, zeer gestructureerd is en last heeft van faalangst. Hij laat zich leiden door de ‘alles-of-niets-gedachte’, piekert veel over wat er beter had gekund en geeft snel de moed op. Niet bepaald ingrediënten voor een gelukkig en tevreden leven.

Maar is perfectionisme inderdaad zo vervelend en negatief? De Amerikaanse filmregisseur Stanley Kubrick was een beruchte perfectionist die weigerde om werk uit handen te geven: hij selecteerde ieder shot, elke bijrol, en zelfs over de promotie en distributie besliste de regisseur zelf. Maar dankzij die gedrevenheid heeft hij ons wel een oeuvre van meesterwerken nagelaten – Lolita, A Space Odyssey en A Clockwork Orange bijvoorbeeld. En alleen omdat Arthur Rubinstein de lat zo hoog legde voor zichzelf, werd hij een van ’s werelds grootste pianisten.

Perfectionisme is óók een positieve karaktereigenschap, meent Joachim Stoeber van de Universiteit van Kent dan ook. Uit onderzoek dat Stoeber vorig jaar publiceerde, blijkt dat perfectionisten over het algemeen nauwgezet werken, doorzettingsvermogen hebben, doorgaans tevreden zijn met hun leven en een actieve manier ontwikkeld hebben om met problemen om te gaan.

Wel degelijk vaardigheden om trots op te zijn, dus. ‘Het streven naar perfectie kan zelfs gezien worden als een gezond verlangen naar voortreffelijkheid,’ zegt Stoeber. ‘Het kan heel nuttig zijn, bijvoorbeeld bij examens, wanneer het mensen een boost geeft extra hun best te doen.’

Volgens Joachim Stoeber zijn er twee soorten perfectionisme: aangepast (adaptief) en niet-aangepast (maladaptief) perfectionisme. Een niet-aangepaste perfectionist wil de top bereiken, maar wordt voortdurend gekweld door de angst om te falen. Een aangepaste perfectio­nist wil ook hoge doelen bereiken, maar is niet uit het veld geslagen als dit niet lukt.

Geen handicap

Er is te lang gekeken naar perfectionisme als een stoornis, meent ook Robert B. Slaney, psycholoog aan het Penn State College of Education in Pennsylvania. In het verleden zijn tal van onderzoeken gedaan waarin perfectionisme leek samen te hangen met negatieve eigenschappen als moeite met relaties, faalangst, uitstelgedrag en hoge eisen stellen aan jezelf. Slaney onderzocht welke van deze eigenschappen nu werkelijk toe te rekenen zijn aan perfectionisme.

Slaney vond inderdaad dat perfectionisten hogere eisen aan zichzelf stellen, gestructureerder leven dan de meeste mensen en vaker kampen met angstige gevoelens. Maar ook dat zij doorzetten als er gepresteerd moet worden, waar anderen eerder geneigd zijn het bijltje erbij neer te gooien. Tot zijn verbazing bleek bovendien dat perfectionisten in hun relaties helemaal niet zoveel verschilden van anderen. De aan­name dat hun relaties eerder zouden stuklopen door hun hooggespannen verwachtingen en eisen, bleek niet te kloppen.

Waar komen de verschillen tussen Hewitts en ­Slaneys uitkomsten dan vandaan? Hewitt legde zijn vragen voor aan mensen die ongelukkig waren – mensen met eetproblemen, bijvoorbeeld – en die het streven naar het allerbeste ook als kwalijke eigenschap ervoeren. Slaneys perfectionistische proefpersonen daarentegen, vonden hun hoge eisen helemaal niet zo problematisch. ‘We vroegen ze of ze bereid waren hun perfectionisme op te geven, als dat zou kunnen. Tot onze verbazing was niemand daartoe bereid.’

Perfectionisme is dus niet per definitie een negatieve eigenschap. Er is niets mis met de wil het beste uit jezelf te halen, mits je eisen realistisch zijn en je jezelf toestaat af en toe te falen. Arthur Rubinstein was niet bang om risico’s te nemen, en zijn gedrevenheid om het beste te bereiken maakte hem tot een uitmuntende muzikant. Hij groeide uit tot een van de grootste pianovirtuozen van de twintigste eeuw. Die status heeft hij bereikt met hard werken, én met vallen en opstaan.

Perfect uiterlijk

Maureen van Althuis (27), fotomodel: ‘Die éne foto, dat is mijn enige kans! Met dat gevoel heb ik vaak voor de lens van de fotograaf gestaan. Altijd bang dat ik niet mooi lachte of geen goede pose had. Of ik voelde me te dik, of mijn haar piekte. Ik voelde me vreselijk gespannen en dan lukt niets meer.

Ik ben heel perfectionistisch over mijn uiterlijk. Als ik uitga, dan moet mijn haar goed zitten, mijn ogen moeten stralen en mijn huid moet egaal zijn. Ik kan een feestje rustig afzeggen als ik een onrustige huid heb. Ontdek ik op zaterdag dat ik iets te zwaar ben, dan zeg ik alle afspraken voor die week af om fanatiek te gaan sporten en lijnen. Vroeger had ik nog veel meer last van mijn perfectionisme.

Naast mijn modellenwerk heb ik allerlei banen gehad, maar nooit voor lang: ik haakte telkens af als het moeilijk werd. En als ik aan een cursus begon, stopte ik halverwege, want écht goed zou ik toch niet worden. Eigenlijk was ik niet bereid te leren – ik was alleen maar bezig met dat perfecte einddoel. Toen een nieuwe baan weer op een teleurstelling dreigde uit te lopen, realiseerde ik me dat het niet aan het werk lag, maar aan mezelf. Ik moest de lat gewoon minder hoog leggen.

Als ik nu een nieuwe opdracht krijg, ben ik niet gefocust op het allerbeste resultaat – ik begin gewoon. En dan blijkt dat ik een goede prestatie weet te leveren. Dat is voor mij zo’n opluchting. Waarom ik met mijn uiterlijk niet zo ontspannen kan omgaan? Werk is vervangbaar, je uiterlijk niet. Als je collega’s je werk niet goed vinden, kun je een andere baan zoeken. Als je minder aantrekkelijk wordt, kun je dat niet verbloemen. Mijn uiterlijk is mijn visitekaartje. Ik kan daardoor moeilijk met minder genoegen nemen.’

Nooit tevreden

Stijn Smissaert (47), kunstenaar: ‘Ik verkoop zelden een kunstwerk, want ik ben bijna nooit tevreden. Het afmaken van een kunstwerk is voor mij een groot probleem. Steeds ben ik bang dat het werk niet goed genoeg is, of dat ik het mezelf te gemakkelijk heb gemaakt.

Ik heb een bepaald ideaal in mijn hoofd, over stijl en compositie, maar dat bereik ik zelden. Een bevriend kunstschilder heeft eens tegen me gezegd: “Als je jezelf tien dagen opgesloten hebt met je kunstwerk en je bent er dan nóg tevreden over, is het werk echt goed. Dan maakt het niet uit wat anderen ervan vinden.” Daarom staan er in mijn atelier vooral schilderijen die ik nog moet afmaken.

Natuurlijk ben ik ook bang om van anderen bevestigd te krijgen dat het niks is. Ik zeg van tevoren dat het nog niet af is, of ik wijs aan wat niet klopt aan het schilderij. Als iemand zegt dat het mooi is, dan hoor ik het niet eens. Ik blijf maar gefixeerd op fouten die anderen niet eens zien. Zo schilderde ik eens een jongen. Zijn voet was raar, het leek wel een klomp, maar anderen zíen dat niet eens.

Ik ben eens midden in de nacht begonnen aan een schilderij in een totaal andere stijl dan gewoonlijk. Na twee uur was het werk af. Mijn vriendin vond het geweldig. “Het is precies goed zo,” zei ze. Maar dat geloofde ik niet, ik vroeg me meteen af of het niet te oppervlakkig was. Nadat ik het schilderij een paar weken niet gezien had, was ik verbaasd over het goede resultaat; ik had de fixatie op wat níét goed was, losgelaten. Maar toen ik er langer naar keek, zag ik de fouten weer.’[/wpgpremiumcontent]