Psycholoog David Canter jaagt op seriemoordenaars

SI, Law & Order, Profiler: op televisie zie je ze tegenwoordig overal. Slimme ­psychologen die een haast bovennatuurlijk inzicht hebben in de menselijke natuur. Met hun verbluffende kennis van de psyche kijken ze dwars door misdadigers heen en ­helpen ze de politie, die vaak volledig in het duister tast, gecompliceerde zaken op te lossen – meestal gepleegd door gruwelijke seriemoordenaars of verkrachters. Is een vrouwelijk slachtoffer gemarteld voordat ze werd omgebracht? Dan heeft de dader waarschijnlijk een getroebleerde relatie met zijn moeder. Werd het slachtoffer aangerand? Grote kans dat de dader zelf in zijn jeugd is misbruikt. Simpel.

Maar hoe gaat het in het echt? Wat dragen psychologen werkelijk bij aan een politieonderzoek? Dat weet niemand beter dan de Britse hoogleraar David Canter. De 69-jarige is pionier op het gebied van wetenschappelijk onderzoek naar daderprofilering en de grondlegger van de investigative psychology, onderzoekspsychologie. Hij getuigde als ­expert in de rechtbank en assisteerde de politie wereldwijd bij allerlei zaken. Zo’n geruchtmakende zaak waarbij de politie hem om hulp vroeg is die van Marianne Vaatstra uit 1999. Eind vorig jaar werd verdachte Jasper S. na grootschalig dna-onderzoek opgepakt voor de moord en ­verkrachting van het 16-jarige meisje.

Canter twitterde: ‘dna-match voor man in de 1999 moord op #Marianne Vaatstra. Een zaak waarin de Nederlandse politie me vroeg te assisteren. Ik ben benieuwd hoe nuttig mijn rapport was.’ Zolang de rechtszaak niet heeft plaatsgevonden, kan Canter niet over de zaak-Vaatstra praten, benadrukt hij meerdere malen voorafgaand aan dit gesprek. ‘Alles wat ik erover zeg, kan het proces beïnvloeden en in gevaar brengen.’

Maar er zijn tal van andere zaken waarover het gesprek wel kan gaan. Canter was naar eigen zeggen de eerste hoogleraar psychologie die een bijdrage leverde aan een politieonderzoek. En de eerste die in Groot-Brittannië een daderprofiel opstelde. In de jaren tachtig maakte hij zijn debuut in de publieke schijnwerpers in de zaak van de beruchte John Duffy, die onder landgenoten bekendstaat als Railway rapist and ­killer. Samen met een vriend ­verkrachtte en vermoordde Duffy vrouwen in de buurt van treinstations. Canters betrokkenheid leidde uiteindelijk tot Duffy’s aanhouding. Hij filterde de man uit een lange lijst van mensen die de aandacht van de politie hadden.

‘De media schreven dat ik een daderprofiel had opgesteld dat op veertien van de zestien punten klopte; dat ik goed had gescoord. Maar dat is een dwaze manier om over daderprofilering te praten. Het punt is dat ik dat niet in mijn eentje deed. Mijn bemoeienis was onderdeel van een verfijnd politieonderzoek. Sommige informatie uit het ­profiel kwam namelijk van getuigen, andere informatie was enkel en alleen beschikbaar door de manier waarop de politie het onderzoek uitvoerde. Ik kon de politie alleen maar helpen om na te denken over het materiaal dat was verzameld omdat ze het onderzoek goed had gedaan.’

‘Nee, absoluut niet. De nuttigste informatie was simpelweg een aanwijzing waar de dader zou kunnen wonen. En hoe de politie hem zou kunnen vinden in haar eigen dossiers: voor welke eerdere delicten hij veroordeeld zou kunnen zijn.

Een psycholoog die meewerkt aan een politieonderzoek is geen Sherlock Holmes of Miss Marple, geen held die buiten het politiekorps staat en dingen doet die de politie niet kan. We moeten af van het idee dat er een individu binnenwandelt dat de zaak voor de politie oplost – een slimme einzelgänger, een soort superheld zoals je op televisie ziet. Dat is misleidend en bovendien ook een belediging voor de politie. In fictie is het goed om een held te hebben, iemand die het oneens is met de hoofdonderzoeker. Maar zo werkt het in de praktijk niet.’

‘Het is een veel meer geïntegreerde manier van werken; iedereen draagt op zijn eigen wijze bij aan het onderzoek. En net zoals onderwijspsychologie bijdraagt aan de lesvaardigheden van ­leraren kan onderzoekspsychologie bijdragen aan de vaardig­heden van de ­politie. Maar net zo min als je van een onderwijspsycholoog kunt verwachten dat hij lesgeeft, kun je van een psycholoog verwachten dat hij een misdaad oplost.’

Misleidend daderprofiel

Canter windt zich op over het beeld dat bestaat van daderprofilering en de rol van de psycholoog. In het gesprek vallen geregeld de kwalificaties ‘volkomen onzin’ en ‘totaal misleidend’. Niet alleen omdat de karikatuur van de slimme buitenstaander die moeiteloos in het hoofd van een schurk kruipt een verkeerde voorstelling van zaken geeft; ook omdat zo’n vertekend beeld ronduit schadelijk kan zijn. Het kan het ­politieonderzoek de verkeerde kant op sturen omdat mensen die als profilers in dienst zijn zich niet baseren op wetenschappelijk onderzoek, maar op meningen. Neem een zaak in Alaska, waar een seriemoordenaar vijf vrouwen ­ombracht. De fbi dacht dat de dader alleenstaand en ongeveer 40 jaar oud was en bij de krijgsmacht zat, schrijft Canter in een van zijn artikelen. In werkelijkheid was de dader begin 30, getrouwd, had twee kinderen en was vlieginstructeur. ‘Wat belangrijk is,’ schrijft Canter, ‘is dat dit het onderzoek vertraagde, omdat deze man oorspronkelijk was uitgesloten van het onderzoek door het profiel dat was opgesteld.’

‘De fbi hield zich bezig met daderprofilering, en Scotland Yard kwam in 1985 bij me omdat ze daarover hadden gehoord. Ze wilden weten of het ergens op sloeg wat de fbi deed.’

‘Bij de fbi hadden ze interessante ideeën. Maar die waren gebaseerd op hun persoonlijke ervaringen, niet op wetenschap. En dat is waar de fbi de mist in ging.’

‘Nou, een van de belangrijkste dingen is het onderscheid dat ze maakten tussen georganiseerde en niet-georganiseerde seriemoordenaars. Iets wat je ook in veel Hollywood-films ziet. Volgens de fbi staat een seriemoordenaar die plant, en zorgvuldig is wat de moord betreft, waarschijnlijk bekend als een voorzichtig en goed opgeleid persoon, terwijl een ongeorganiseerde plaats delict juist wijst op iemand die niet zo slim en goed georganiseerd is.

Maar als je de zaken van seriemoordenaars nauwkeurig bestudeert – wat ik heb gedaan – zie je dat er helemaal geen duidelijk onderscheid is tussen die twee typen. Iemand is niet helemaal het ene type of het andere; veel seriemoordenaars hebben kenmerken van beide typen. Wanneer je een seriemoordenaar bent en wegkomt met een aantal moorden, moet je namelijk altijd vrij goed georganiseerd zijn, dus het is sowieso een dwaze opvatting.’

‘Je kunt, zoals de fbi deed, tot een conclusie komen op basis van logische aannames en je eigen ervaringen. Maar het kan ook op basis van gegevens en bewijs. Het is het verschil tussen deductie en inductie: een fictionele detective als Sherlock Holmes gebruikt zijn eigen slimheid en intuïtie, maar in werkelijkheid moet je gegevens verzamelen over misdrijven en criminelen en daaruit vervolgens informatie extraheren. Als je dat doet, kom je er plotseling achter dat dingen vaak veel ingewikkelder in elkaar steken dan je denkt.’

Sleepnet uitgooien

Een mooi voorbeeld van hoe misleidend ‘gezond verstand’ kan zijn komt uit een van Canters artikelen. Als je ­iemand zoekt die verzekeringsfraude begaat, zul je geneigd zijn je te richten op mensen met financiële problemen. ­Logisch, lijkt het. Maar als je achteraf naar de beschikbare gegevens kijkt en allerlei zaken op een rijtje zet en onderzoekt wat nu wérkelijk de financiële omstandigheden zijn van mensen die fraude plegen, zegt Canter, zie je dat slechts een minderheid van hen geldproblemen heeft. Hij probeert dit soort zogenaamde profiling equations – wat onthult de misdaad over degene die hem pleegde? – daarom op een wetenschappelijke manier op te lossen. Een veelbelovende methode daarbij is gebruikmaken van de plekken waar ­misdrijven worden gepleegd, ook wel geografische daderprofilering genoemd.

‘Alles wat mensen doen is gebaseerd op wat ze weten van hun omgeving. Dat geldt ook voor criminelen. Bij geografische daderprofilering is het alsof je de film terugspoelt: als je weet waar de misdaden zijn gepleegd, krijg je een idee van wat een crimineel weet over het gebied waarin hij opereert en waar hij zich mogelijk ophoudt.’

Hoe bizar en gruwelijk sommige misdrijven ook zijn, zegt Canter, er steekt toch een sterke logica achter crimineel gedrag. Criminelen opereren altijd vanuit een basis – soms is die vast, soms mobiel, zoals een truck. Ze proberen te voorkomen dat ze worden gesnapt en willen zo effectief mogelijk handelen. Hun eerste delict plegen ze daarom op een veilige afstand van hun basis; daarna gaan ze ergens anders heen omdat het gebied waar ze net zijn geweest ‘besmet’ is. Maar ze gaan niet zo ver weg dat ze de buurt niet kennen en daardoor kwetsbaar zijn en de kans lopen gepakt te worden.

Als je iemands misdrijven op een kaart zet en vervolgens de twee plekken neemt die het verst uit ­elkaar liggen, legde Canter in een artikel uit, vind je zo ongeveer in het midden waar de pleger zich ophoudt. Dat geldt zeker niet voor alle zaken, maar wel voor verrassend veel: voor driekwart van de seriemoorden en -verkrachtingen, en de helft van de inbraken. Canter ontwierp speciale software, Dragnet (sleepnet), die door de politie wordt gebruikt om daders te lokaliseren.

Een zaak waarbij een vergelijkbare soort software werd gebruikt, is die van de Mardi Gra bomber – inclusief spelfout – een afperser die in Londen bommen achterliet. De dader concentreerde zich op twee gebieden, zo bleek uit analyses. De politie richtte haar ­surveillance vervolgens op de geldautomaten in deze gebieden, waar de man geld pinde van de afpersingen. Zo kon ze hem in de kraag vatten. Later bleek, aldus Canter, dat de dader zelf in het ene gebied woonde en zijn ex-vrouw in het andere.

Helden- en wrekertypes

Canter doet ook wetenschappelijk onderzoek om crimineel gedrag beter te begrijpen. Hij is ontsteld over de manier waarop misdadigers zichzelf ervan kunnen overtuigen dat hun daden acceptabel zijn. In de Britse krant The Independent schreef hij over de zaak van de Oostenrijker Josef Fritzl, de man die zijn dochter jarenlang gevangenhield in de kelder onder zijn huis en zeven kinderen bij haar verwekte. Fritzl had via zijn advocaat geklaagd dat hij werd afgeschilderd als monster. Canter: ‘Hij beweerde dat hij ze had kunnen vermoorden maar ervoor koos dat niet te doen, en dat hij daarom een goede vader is. Dat geeft een ijzingwekkende indicatie hoe rationeel, maar vol zelfbedrog dit monster is.’

Om criminele denkstijlen te doorgronden bestudeert Canter de details van allerlei zaken, zoals seriemoorden, verkrachtingen en fraudezaken. Zo vond hij onlangs in een onderzoek onder 71 veroordeelden aanwijzingen dat daders zichzelf in vier rollen herkennen: de professional (‘Het was een routineklus), het slachtoffer (‘Ik had niet door wat er gebeurde’), de held (‘Het was wat een echte man zou doen’) en de wreker (‘Ik móést het doen’).

‘Een typologie zoals die van de seriemoordenaars houdt in dat iemand het ene type is of het andere. En dat er maar weinig verschillende typen zijn. Een goede analogie valt te maken met kleuren. Het is handig om eraan te denken in termen van rood, blauw, groen en geel. Maar dat betekent niet dat je maar vier kleuren hebt. Elke combinatie is mogelijk, zoals oranje en paars. Dus wij doen onderzoek naar thema’s die spelen, maar we accepteren dat elke misdaad of dader een soort mix kan zijn.’

‘Zulke achtergrondinformatie kan de politie helpen crimineel gedrag beter te begrijpen. We hebben het hier dus over een academische discipline die toegepaste relevantie heeft. Maar er is nog een lange weg te gaan voordat de politie hier kennis van neemt. Ook varieert het van land tot land en van afdeling tot afdeling hoe serieus de politie dit neemt. We hebben veel meer wetenschappelijke kennis dan de politie ­gebruikt. Deze week had ik een conferentie in Londen, en van de tachtig vakgenoten die daar aanwezig waren, waren er ongeveer vijf met wie de politie samenwerkt. Dus over het algemeen geldt: dit soort onderzoek helpt de politie niet zo veel als zou kunnen.’

Net als in de film?

– De bijdrage van een psycholoog aan het politieonderzoek is dat hij een profiel van de dader opstelt. Integendeel, zegt David Canter, de psychologie kan hulp bieden tijdens alle fasen van een onderzoek, bijvoorbeeld al bij de manier waarop het wordt opgezet. ‘Er werd me eens gevraagd wanneer een psycholoog betrokken zou moeten worden bij een onderzoek. Ik zei: “Voordat het begint.”’

– Een psycholoog moet in het hoofd van de dader kruipen. Sommige informatie is nuttiger dan andere, zegt Canter. Weten welke psychopathologie de dader heeft, helpt de politie minder dan de plek waar een dader zich bevindt of welke misdrijven hij eerder heeft ­gepleegd, zodat de politie hem kan vinden in haar dossiers. Uit onderzoek blijkt dat bij een overval de bestuurder van de vluchtauto vaak al eerder heeft vastgezeten voor voertuiggerelateerde misdrijven, zoals carjacking. Degene die de slachtoffers bedreigt, heeft vaker een strafblad met geweldsdelicten.

– Een psycholoog is een slimme einzelgänger. In werkelijkheid maakt een psycholoog deel uit van het onderzoeksteam, waarin iedereen op een eigen manier bijdraagt. Canter: ‘We moeten af van het idee dat de psycholoog op eigen houtje een misdaad oplost.’

– Psychologische kennis is alleen nuttig bij geruchtmakende zaken zoals seriemoord. Zeker niet: psychologie kan ook helpen bij meer ‘alledaagse’ zaken als inbraken en brandstichting.

De psychologie van crimineel gedrag

Aan de universiteit van Surrey zette David Canter twintig jaar geleden het vakgebied investigative psychology op. Het richt zich op de ­psychologie van crimineel gedrag en de manier waarop deze kennis kan bijdragen aan politieonderzoek en rechtszaken. Dat varieert van de methodes waarmee de politie verdachten ondervraagt en op leugens probeert te betrappen, tot de vraag of verschillende misdrijven zijn ­gepleegd door een en dezelfde dader en de vraag hoe de politie alle informatie waarover ze beschikt het beste kan ordenen.

Volgens ­Canter is er overlap met forensische psychologie, een tak die al langer bestaat. Maar, zo schrijft hij in een wetenschappelijk artikel: ‘Forensische psychologie is breder en houdt zich vooral bezig met de manier waarop daders worden behandeld als ze eenmaal zijn ingerekend; onderzoekspsychologie gaat over het opsporen van misdadigers en onderzoeksfeiten die kunnen helpen bij de verdediging of vervolging van verdachten.’

Wie is David Canter?

Hoogleraar David Canter (1944) is verbonden aan de universiteit van Huddersfield. Hij begon zijn carrière als omgevingspsycholoog en ­zette in de jaren tachtig The Journal Of Environmental Psychology op. Ook is hij oprichter van het Centre for Investigative Psychology aan de universiteit van Liverpool. Canter werkte mee aan documentaires, ­televisie- en radio-uitzendingen en schreef een aantal boeken voor het grote publiek over criminaliteit, zoals Mapping Murder en Criminal Shadows; dat laatste won de Gold Dagger Award voor non-fictie.[/wpgpremiumcontent]