Wie ben je?

‘Soms heb ik het idee dat ik wel weet wie ik ben: zelfverzekerd, zeg maar zo’n hopsakee-type. Aanpakken, vrolijk, praatjes voor tien, en ook nog ’ns goed kunnen schrijven. Maar ik heb dus ook momenten dat ik me afvraag of ik volslagen gek ben. Ik kan zeer nare periodes hebben waarin bij mij alle luiken dichtgaan. Geestelijk ben ik nu eenmaal wat wiebelig aangelegd. Ik kan ook in de overdrive gaan en hyper worden.

Soms slaat dat door naar een psychose, dan ga ik rare dingen zien; zit ik tv te kijken terwijl die niet aanstaat. Na de geboorte van mijn eerste kind heb ik zo’n psychose gehad, en tijdens de Oudkerk-affaire zat ik er dicht tegenaan. Niet dat ik hallucineerde, zo erg was het toen niet, maar ik liep wel verwilderd rond, kon niet meer ontspannen. In die periode wilde ik echt even geen Heleen van Royen meer zijn. Ik had het gevoel dat iedereen mij haatte, terwijl ik diep in m’n hart gewoon graag geliefd wil zijn. Had ik het dus even verkeerd aangepakt, ha!

Anyway, tijdens het schrijven van m’n nieuwe boek had ik ook een crisis. Dat boek heb ik in Portugal geschreven, daar zijn Ton en ik dit jaar met de kinderen naartoe verhuisd. Het is altijd een droom van ons geweest in een ander land te gaan wonen, maar ik was even vergeten dat zoiets een enorme verandering is. De zon en het strand en de rust en de villa zijn geweldig, en er lopen schaapherders met hun kuddes, maar ik raakte in een soort shock: “Wat heb ik gedáán? Ik ken hier helemaal níémand! Ik ben helemaal afgesloten.” Iedere dag pakte ik Tons hand: “Belóóf me dat het maar voor één jaar is!” Dat meende ik serieus. Nu wil ik dat-ie me belooft dat we daar blijven, zo geweldig vind ik het.

Maar goed, ik heb toen mijn psychiater in ­Nederland gebeld en antidepressiva gekregen. Dat is wel weer mooi aan mij: stop er een pilletje in en na anderhalve week lacht mevrouw weer. Nu het boek af is, voel ik me kiplekker. Ik ben pillenvrij, heerlijk, ik doe het weer op eigen kracht. Als je pillen moet slikken, voelt dat toch een beetje als een nederlaag. Mij bekruipt dan het gevoel dat je persoonlijkheid niks voorstelt, dat je niet meer dan een chemisch fabriekje bent.

Wat er bij mij allemaal gedempt moet worden? Ongetwijfeld een diep verdriet. Maar daarin ben ik niet uniek, ieder mens zeult verdriet mee. Wat dat betreft maak ik me net als de Franse schrijver Michel Houellebecq geen enkele illusie. Hij herinnert ons aan de naakte feiten van het bestaan: ten diepste zijn we allemaal ongelukkig, eenzaam en ten dode opgeschreven. Eigenlijk zijn we al dood, we moeten er alleen nog naartoe geleid worden.

De enige manier om als mens met die wetenschap te kunnen leven, is door illusies te koesteren. Je kunt gaan feesten, dansen, lachen, seks hebben, naar de plastisch chirurg gaan. Je moet iets tegenover het verdriet zetten dat het leven je onvermijdelijk aandoet. Dus speel ik mee in een bokswedstrijd op tv. En ik schrijf een hilarisch boek, om de mensen even te laten vergeten wat voor een hel het leven eigenlijk is. Ik lach erg vaak, en vaak om mezelf. Ik moet mezelf niet te serieus gaan nemen, want dan kom ik bij die diepere laag waar ik niet wil zitten. Ja, mijn vader pleegde zelfmoord toen ik dertien was. Ik zal heus genetisch zijn belast met zijn somberheid, en door dat hele gedoe van zo’n zelfmoord heb ik natuurlijk ook te lijden gehad. Maar ik vertik het om daar interessant over te gaan doen. Ik wil niet heel belezen doen over zoiets, ik weet het ook allemaal niet, ik doe maar wat in het leven.

Maar wie ik nou ben? Ik weet het eigenlijk nog steeds niet… Ik heb een wild image van seks en vreemdgaan, maar die kant is slechts een klein deel van mij. Over dat vreemdgaan praat ik niet meer, Ton wil dat ik daar niks meer over zeg; het is een veilig ingekapseld onderdeel geworden voor me. Hoe ik dat klaarspeel? Dat is een gave. Maar wat ik wil zeggen, is dat ik dus niet zo wild ben – veel te vermoeiend! – en dat in mijn boeken niet zoveel seks voorkomt als mensen vaak denken. Toen ik laatst in de Portugese zon over de oranje steppe liep te wandelen, voelde ik me zo rustig en zo één met de natuur, dat ik dacht: “Ja, nu ben ik wel het dichtst bij mezelf.” Ik ben nu zelfs een moestuin aan het aanleggen in Portugal.’

Wat zou je willen veranderen?

‘Ik droom altijd achterwaarts. Nooit over de toekomst, ik zie wel wat er gebeurt. Maar het verleden, daar kan ik soms mee zitten. Je gezin van herkomst is als een ijzeren bal die je aan je enkels meesleept en die af en toe tegen je voeten klotst. Als het goed gaat, kan een gezin een prachtige samenlevingsvorm zijn, maar het kan ook verstikkend, beperkend en soms zelfs verwoestend zijn.

Ik kan wel zeggen dat het gezin waaruit ik kom, mislukt is, totaal mislukt. Ik denk wel eens: “Stel nou eens dat het niet zo was gelopen. Stel dat we zo’n Bona-familie waren geweest, zo’n gezin waar warmte heerst en onderlinge solidariteit.” Die dingen waren bij ons altijd ver te zoeken. Wij waren verdeeld in kampen. Het was een oorlogssituatie. Het gevoel van veiligheid, dat was er niet. Dat heb ik het meest gemist, denk ik. Ik koos voor mijn moeder, tegen mijn vader, terwijl ik naderhand inzag dat ik hem daarmee tekort heb gedaan. Ik kan soms een enorm gevoel van reparatiedrang krijgen, zo van: kon ik het maar allemaal goedmaken. Maar sommige ­dingen zijn niet recht te breien. Dat is het verdrietige: dat het niet goed is gegaan, dat het nog steeds moeizaam gaat in mijn familie.

Ik probeer het nu beter te doen met mijn eigen gezin, waarschijnlijk net zoals mijn moeder geprobeerd heeft het beter te doen dan haar ouders. Maar ik blijf ook zitten met de vraag wat de beste manier van leven is. Is het goed als je er met name voor anderen bent? Of moet je het juist zo inrichten dat je vooral zelf plezier hebt? Wat het antwoord op die vraag ook mag zijn, ik kan mezelf niet veranderen. Mijn instelling is en blijft die van een survivor. Ik heb aan vroeger sterk overgehouden dat ik het ook allemaal in mijn eentje moet kunnen. Ook al valt iedereen om mij heen dood neer, ik ga door. Ton is anders: die brengt me in Portugal naar het vliegveld en krijgt tranen in z’n ogen. Die heeft mij en de kinderen echt nodig. Terwijl hij weet: “Maar jij zult zonder ons gewoon doorgaan.”

Misschien val ik ook wel mee, hoor. In mijn boek verlaat een moeder haar gezin omdat de verwachtingen van de anderen haar op zeker moment te veel worden. Ze gaat op reis en vergeet de verjaardag van haar zoontje. Toen mijn dochter dat las, zei ze: “Belachelijk mam, van die vrouw! Dat zou jij echt nóóit doen.” Ik was toch wel blij dat ze zo over mij denkt.’

Waar geloof je in?

‘In mijn eigen kracht. Mijn levenslust is groter dan de pijn die ik heb ervaren. Ik denk dat dat voor iedereen wel geldt. De mens heeft zóveel kracht en energie. Soms zie je zwaar gehandicapte mensen die alleen nog maar hun mond kunnen bewegen, zelfs díé gaan door met de zaak. Mensen zeggen vaak: “Als mij dát zou overkomen, zou ik mezelf van kant maken.” Maar de praktijk leert dat mensen dat bijna nooit doen. Al komt hun hele gezin om bij een brand, mensen gaan door. Ergens in ons zit een motor, en die motor is het leven zelf. Tussen stenen en dwars door het asfalt heen zie je altijd weer onkruid groeien.

Mijn vader was misschien te somber om dat te beseffen. Maar misschien gold dat alleen voor het moment waarop hij zelfmoord pleegde. Het kan zijn dat hij vanuit een impuls heeft gehandeld. Als hij een week had gewacht, had hij er misschien anders over gedacht. Ik weet zelf hoe somber je kunt zijn. Daarom moet je je eigen stemming niet al te serieus nemen. Je kunt beter denken: “Het gaat wel over.”’

Wat was een keerpunt?

‘Het uitkomen van mijn eerste boek, De gelukkige huisvrouw. Mijn leven is sindsdien erg veranderd. Ik ben nu schrijver en dat heeft me veel vrijheid gebracht. Ik hoef nu nooit meer op kantoor te werken, ik heb alleen een computer nodig en kan zelfs in Zimbabwe gaan zitten. Daarnaast bén ik nu iemand: mijn naam staat overal groot op, mijn mening doet ertoe, ik kan de Volkskrant bellen en zeggen dat ik ruimte op de opiniepagina wil hebben, dan staat mijn stuk er de volgende dag in.

Toch is het nooit mijn streven geweest schrijver te worden. Ik dacht meer van: “Ik schrijf nu al jaren stukken voor bladen, mensen vinden dat ik een leuke toon heb, laat ik eens een keer een groot verhaal vertellen, kijken of dat lukt.” Toen ik afgelopen jaar in m’n Marlies Dekkers-badpak de eerste duik nam in mijn eigen zwembad in Portugal, dacht ik: “Niet slecht gedaan, Heleen. Dit heb je toch maar mooi even samen met Ton opgebouwd, op je veertigste.”

Mijn boeken verkopen goed en dat geld vind ik zalig, maar ik wil ook graag verhalen vertellen. Ik wil dat ze mooi en spannend en ontroerend en grappig zijn en de aandacht van de lezer vasthouden. Ik schrijf een boek altijd in één Word-document. Als ik dat voor de eerste keer open en ik zie dat lege scherm, dan wrijf ik m’n handen: ha, leuk! Eerst is er niks, en dan ontstaan er ineens mensen van vlees en bloed. Het is een wonderlijk proces waarvan ik enorm geniet. M’n derde boek was voor mij echt de vuurproef. Ik heb nu voor het eerst een verhaal voor honderd procent verzonnen. Daardoor durf ik nu echt van mezelf te zeggen dat ik schrijver ben.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Daar kan ik kort over zijn: verschrikkelijk!!! Het Is Niet Leuk En Je Ziet Het Echt. Kijk maar naar foto’s van tien jaar geleden. Ouderdom ziet er gewoon lelijk uit. Of mannen nog naar me kijken als ik vijftig ben? Misschien dat mannen van zeventig me dan nog leuk vinden. Anders gooi ik het op mijn mooie boeken, en schrijf ik over hoe leuk het is om incontinent te worden.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Dat die wel tegen een stootje kan. Echt grote liefde kan veel hebben. Het perfecte huwelijk bestaat niet, Ton is niet de perfecte man, ik ben niet de perfecte vrouw. We hebben zware stormen gehad. Er zijn denk ik weinig mannen die mij met m’n wiebelige geest aankunnen, maar ook Ton is af en toe onuitstaanbaar. Hij kan héél dominant zijn. We kunnen ruzie krijgen om de stomste dingen, zoals de gebruikte capsules die hij altijd in ons Nespresso-apparaat laat zitten. Soms wordt het me te gortig, dan ben ik helemaal klaar met hem: sodemieter toch op! We hebben van die periodes dat we elkaar steeds minder aandacht geven, totdat er eentje aan de bel trekt: “Hallo! Ik ben geen meubelstuk!”

Vroeger wilde ik tien keer trouwen, net als Elizabeth Taylor. Maar liefde gaat niet over spannende avonturen en geilheid, het gaat over rotsvast vertrouwen, over duurzaamheid, veilig­heid en warmte. Of ik nou in de gevangenis terechtkom of in het ziekenhuis, Ton zal er voor mij zijn. Niet dat ik de allerbelangrijkste persoon voor hem wil zijn, daar gaat het mij niet om. Ik zou het geen probleem vinden als er nog een vrouw in zijn leven was voor wie hij heel belangrijk was. Waar het mij om gaat, is dat ik hem kan bellen en dat ik altijd met hem kan praten. Hij is er. Bij hem kan ik helemaal mezelf zijn.’

De ontsnapping, Pimento, € 19,90[/wpgpremiumcontent]