‘Ja, waaróm werk je eigenlijk altijd?’ zegt Tijs. Hij klinkt verbaasd over zijn eigen vraag. Waarom heeft hij die nog nooit eerder gesteld aan Stella, zijn vriendin, zijn huisgenoot, de moeder van hun twee dochters?

Zijn vraag is het besluit van een tirade aan haar adres over haar telefoon die nooit uitstaat, haar laptop die altijd open staat, haar late vergaderingen en haar stapels dossiers op hun keukentafel.

‘Waarom, waarom…’ stelt Stella uit. ‘Mijn bedrijf is mijn passie,’ zegt ze dan, en: ‘Mijn werk heeft betékenis, ik bedoel: al die blije mensen. En we leven ervan, hè, wij alle vier.’

‘Nou, ik verdien toch ook wat?’ zegt Tijs. Daarmee slaat hij een heilloze weg in en ik onderbreek hem.
‘Waar ga je heen, Tijs? Wou je salarissen vergelijken? Er een wedstrijd van maken?’

Hij kijkt gepijnigd. ‘Nee,’ zegt hij, ‘ik weet heus wel dat Stella het meest verdient, maar dat hoeft ze me niet elke keer in te wrijven.’

‘Wilde je dan dat het gesprek over jou zou gaan, over je gekwetste gevoelens? Over je… frustratie?’ Tijs haalt zijn schouders op.

‘En je begon zo goed met een vraag aan Stella. Het gesprek ging over háár. En ze gaf antwoord. Een belangrijk antwoord, denk ik. Heb je het gehoord?’

Therapeuten moeten kunnen luisteren. We luisteren naar de woorden die onze cliënten uitspreken en we luisteren naar de intonatie waarmee ze die woorden uitspreken.

Het woord ‘betekenis’ sprak Stella net een fractie schriller uit dan de rest. Dat leg ik uit en dan kijk ik naar Stella.

‘Betekenis, je werk geeft betekenis. Daarom werk je zoveel. Begrijp ik dat goed?’

‘Zei ik dat?’ aarzelt ze en ik knik en zeg even niks. ‘Nou ja, het is wel zo. Mijn klanten zijn blij met me. Met ons, natuurlijk, ik doe het niet alleen.’ Stella leidt een medische kliniek met vijftig medewerkers.

‘Maar hoe ontleen jij persoonlijk betekenis aan je werk?’

‘Ik…’ Haar stem stokt. ‘Jeetje, die komt binnen. Ik wilde zeggen: ik voel eindelijk een keer in mijn leven dat ik iemand ben.’

‘Omdat je klanten blij zijn?’

‘Nee, omdat ik doe wat ik wil. Wat ik moet doen. Ik werd vroeger altijd tegengewerkt. Door mijn ouders, mijn ex.’ Ze kijkt even vlug opzij naar Tijs. ‘Niet door jou.’

Nu kijk ik naar Tijs. ‘Welke woorden pik je op uit wat Stella net heeft gezegd?’

‘Dat ze eindelijk iemand is,’ zegt hij meteen. Bravo. Hij heeft goed geluisterd. Tegen zijn vriendin zegt hij zacht: ‘Maar voor mij ben je sowieso iemand, schat, daar hoef je echt niet zo hard voor te werken.’ Hij legt een hand op haar knie.

‘Dat is fijn,’ zegt ze stoer. En dan, zacht: ‘Maar ik moet mezelf vooral steeds bewijzen aan mezelf.’
Ze kijken elkaar aan op zo’n manier dat ik me bijna te veel voel in mijn eigen spreekkamer.

Kijk ook op psychologiemagazine.nl/drlove: daar beantwoordt ‘Dr. Love’ Jean-Pierre van de Ven vragen over de liefde