De researchpsycholoog die boeddhist werd, heeft een verhaal dat hij graag aanhaalt. Het gaat over een man op een dak in New York, een suïcidale man. Hij wil van dat dak af springen. Agenten praten op hem in en sluipen ondertussen naar hem toe. Als ze zo dichtbij zijn dat een van de agenten de wanhopige man kan beetpakken, springt hij alsnog. Toch laat de agent hem niet los. Hij houdt deze man in doodsnood vast, met gevaar voor eigen leven. Zijn collega’s trekken beide mannen ternauwernood terug het dak op.

‘Waarom deed de agent dat? Waarom liet hij niet los om zijn eigen hachje te redden?’ Het antwoord is wat grondlegger van de contemplatieve psychologie Han de Wit (69) al zijn hele carrière als wetenschapper bezighoudt, en misschien wel wat hem uiteindelijk boeddhist maakte: de agent zei dat hij het niet laten kon. ‘Hij kon het niet laten, want zo stond hij in het leven. Net als de mensen die in de oorlog onderduikers in huis namen: ze konden het niet anders doen. Wat maakt dat, in precies dezelfde situatie, de ene mens zich door moed laat leiden en de ander door angst? Wat maakt dat de ene mens zachtmoedig blijft in pijnlijke situaties, en de andere verbitterd raakt? Dat wilde ik weten.’

En? Wat is het verschil tussen deze twee soorten mensen?

‘Nee nee, pas op, het zijn geen twee soorten mensen, hoor,’ zegt hij aan de ronde tafel in zijn werkkamer thuis, en hij strekt zijn arm uit over tafel. ‘Het gaat over jou en mij. In elk leven zijn er fases waarin het wél lukt, en fases waarin het minder lukt. Het gaat om een verschil in houding.’

Wat is het precies, dat lukt in zo’n goede fase?

‘In goede fases lukt het om je niet af te sluiten. Dat is het belangrijkste wat ik ontdekt heb. In goede fases ben je helder van geest, sta je open, is er levenslust, levensmoed. Die agent op het dak kon, doordat hij zich niet afgesloten had, handelen vanuit fundamentele menselijkheid, vanuit verbondenheid. Dat kan ­alleen als je niet gebukt gaat onder levensangst. En daar hebben we nogal eens last van.’

U zegt: mensen organiseren hun ongeluk zelf.

‘Een simpel voorbeeld. Stel, een goede vriend raakt bevriend met een ander en jij ziet hem steeds minder. Je wordt jaloers. Je bent er verdrietig over, sterker nog, je bent kwaad op hem. Maar boos zijn op die vriend – wat we doen in zo’n fase waarin het niet zo goed lukt – maakt niet dat die vriend gaat denken: weet je wat, dat is toch eigenlijk zo’n aardig persoon die nou zo boos tegen mij doet, ik zal eens wat meer aandacht aan hem besteden. Nee, die ander denkt: ik zie die vriend steeds minder, en dat is maar goed ook. Je doet jezelf er pijn mee, je doet de ander er pijn mee, niemand heeft er iets aan – dat noem ik het organiseren van je eigen ongeluk.’

Maar verlaten worden dóét toch ook pijn?

‘Ja. Toch hebben alle partijen er meer aan als je zou kunnen denken: deze vriend vindt bij die ander iets dat hij bij mij niet vindt. Ik hou van hem, ik vind het jammer dat ik hem niet zoveel meer zie, maar ik gun hem het beste. Als je elkaar dán weer tegenkomt, kun je op een constructieve manier met elkaar omgaan.’

Dat vraagt wel iets van ons ego.

‘Daar gaat het inderdaad om. Het gaat mis als je de ander gaat zien als iemand die jou een genoegen moet doen. En je kwaad wordt zodra hij dat niet doet. Dat is een egocentrische vorm van omgaan met elkaar: jij doet mij een ­plezier, ik doe jou een plezier. Er is dan geen werkelijke toewijding voor elkaars geluk. In het boeddhisme is er een heel mooie definitie van liefde: liefde is het verlangen om de ander gelukkig te zien of te maken. Dat is een heel ander gevoel dan “Verdomme, nou gaat er ook nog een vriend aan de andere kant van de wereld wonen, er wordt ook nooit rekening met mij gehouden.”’

Het boeddhisme: zo dicht als het de wetenschappelijke psychologie nu nadert, zo ver weg stond het nog in de jaren zestig, de tijd waarin De Wit zijn theorieën begon te ontwikkelen. De Wit kwam er via een ongebruikelijke route bij uit. Oorspronkelijk zat de psycholoog aan de ‘harde’ kant van de wetenschap. Hij studeerde theoretische psychologie en als onderzoekspsycholoog was hij in de leer bij de bekende methodoloog Adriaan de Groot, een van de belangrijkste ­Nederlandse psychologen van de twintigste eeuw. Het behaviorisme regeerde: onderzoek moest gedaan worden door gedrag van anderen te observeren en te meten. Zien is geloven, meten is weten. Maar Han de Wit miste in die manier van onderzoeken iets belangrijks. Iets wat volgens hem niet viel te negeren.

‘Ik had het idee dat je menselijk gedrag niet voldoende kunt verklaren als je het deel dat zich in het hóófd afspeelt, er niet bij betrekt. Dat was vloeken in de kerk; van die zogenaamde black box, zoals de behavioristen de geest noemden, moest je afblijven. Dat was iets voor vage psychotherapeuten, daar kon je geen degelijk onderzoek naar doen. Je kunt immers niet zien wat er in iemands hoofd omgaat. Je kunt wel met vragenlijsten mensen uitnodigen iets te vertellen over hun emoties, gedachten of motivatie natuurlijk, maar wie zegt dat die antwoorden waar zijn? Dat het klopt als iemand opschrijft als hij “een beetje van streek” is of “tamelijk ongerust”? En wie zegt dat mensen zélf steeds goed onder woorden kunnen brengen wat ze voelen? Nee, de denkprocessen van de mens, daar konden we hooguit over speculeren. Ik denk dan: als je de Noordpool wilt beschrijven, is het ook wel handig om er een keer heen te gaan. Ik wilde begrijpen wat er gebeurt in ons hoofd. Om zo te begrijpen hoe geluk werkt.’

Hoe kun je objectief onderzoek doen naar iets wat van binnen zit?

‘Dat kan dus op net zo wetenschappelijke wijze als de behavioristen voorstond, ontdekte ik toen ik op onderzoek uit ging in velden buiten de academische psychologie. In de grote spirituele tradities van de wereld – van de woestijn­vaders van de katholieken tot aan de boeddhisten – vind je een objectieve onderzoeksmethode voor het onderzoeken van je eigen gedachtenwereld: door consequent je gedachten te observeren. Waar in het behaviorisme de onderzoeker de bewegingen van de mens observeert, is het hier je waarnemingsvermogen dat de bewegingen van je geest opmerkt en observeert. Je doet in feite hetzelfde als een etholoog die naar beestjes zit te ­koekeloeren.’

Kreeg u dat aan de man?

‘Ik werd gewaarschuwd dat ik mijn wetenschappelijke carrière wel kon vergeten, als ik dat pad van zogenoemd “introspectief onderzoek” op zou gaan. Maar in feite staan deze methoden helemaal niet zo ver van de empirische psychologie af. Dat beginnen psychologen nu te zien, maar toen hoefde je daar nog niet mee aan te komen. Het grappige was: De Groot, die bekendstond als een uiterst empirische man, had er wel schik in. Ook hij was geïnteresseerd in die zogenaamd onmeetbare denkprocessen.’

Waar De Wit bij De Groot in de leer was gegaan omdat hij de beste onderzoeker in de academische wereld was, ging hij nu op zoek naar de beste onderzoeker in de traditie van introspectief onderzoek. Iemand die uiterst geoefend was in het observeren van de bewegingen van de geest. Zo kwam hij uit bij Chögyam Trungpa Rinpoche, een ­Tibetaanse meditatiemeester in Amerika. Terug in Nederland verbond hij met zijn onderzoek de academische psychologie met de spirituele tradities in een nieuwe stroming: de contemplatieve psychologie.

Wat kunnen we hebben aan de contem­pla­tieve psychologie?

‘Leren hoe te leven. Hoe om te gaan met het leven in z’n voor- en tegenspoed. Welke levenshouding is het meest bevorderlijk voor je eigen levensgeluk en dat van een ander?’

En, hoe leren we hoe te leven?

‘Iedereen kent wel die momenten waarop je met totale toewijding, met zelfvergetelheid zelfs, iets aan het doen bent. Als je een plantje in de aarde aan het zetten bent bijvoorbeeld, of je kind aan het rondzwieren. Je bent totaal betrokken op dat moment, en niet bezig met de was die straks nog gedaan moet. Een egoloze houding noemen ze dat in de boeddhistische psychologie, waarin je de afstand tussen jezelf hier en de ­wereld daar helemaal niet voelt. Die momenten zijn heel schoon. Je bent vrij van angst. Ze zijn misschien zeldzaam en van korte duur, maar iedereen voelt dat ze belangrijk zijn: juist op deze momenten ben je op je best. Vol vitaliteit, levenskracht, inspiratie. Dan doet zich de vraag voor: waarom kan ik niet steeds zo leven?’

Waarom niet?

‘Het antwoord dat in alle grote spirituele tradities gegeven wordt is: omdat we onszelf terugnemen uit de situatie waarin we zitten. Een soort mentale beweging van “ik hier – en de situatie daar”. Dat noemen ze in veel tradities een egocentrische wending. Van een egoloze naar een egocentrische houding dus. Je trekt je terug op jezelf. Je ziet ­jezelf als centrum en vraagt je af: is die wereld daar wel veilig? Of: valt daar iets voor mij te halen?’

Is dat het streven, om dat terugnemen niet meer te hebben?

‘Ja. We moeten af van die zelfbescherming.’

Is zelfbescherming ook niet heel nuttig?

‘Het is heel nuttig om je lichaam te beschermen. Als er een auto aankomt, moet je vooral wegspringen. Maar het beschermen van je ego, dat staat in menselijk contact alleen maar in de weg. Laatst hoorde ik een man tegen een ­ander zeggen “En? Hoe is het met je vrouw?” Die vrouw was al twee jaar overleden, dat was hem kennelijk ontschoten. Toen de man zich dat realiseerde, schrok hij en raakte hij zichtbaar helemaal met zichzelf in de knoop: wat een blamage! Hoe kon hij deze fout verdoezelen? Dat is zo’n egocentrische wending. Ondertussen stond die ander daar maar.’

Kun je leren om zulke wendingen niet meer te hebben?

‘Ja. Of beter gezegd, je kunt leren datgene weg te nemen wat verbondenheid met anderen in de weg staat. Mijn huidige leraar Sakyong Mipham Rinpoche zegt: het gaat om hoe je samenleeft. Menselijke relaties zijn oorspronkelijk gebaseerd op kindness, warmte, toe­genegenheid. Kijk maar naar de eerste relatie die je hebt in je leven, met je ­ouders. En al wordt de wederzijdse welwillendheid tussen mensen op de proef gesteld door jaloezie, woede of angst, en kan zij zich misschien niet altijd ­manifesteren, het is wat we uiteindelijk allemaal het liefste willen: prettig samenleven.’

Han de Wit (1944) was onderzoeks­psycholoog aan de Universiteit van ­Amsterdam. Later werkte hij als ­theo­retisch psycholoog aan de Vrije ­Universiteit. Daar ontwikkelde hij de contemplatieve psychologie en verwierf er internationaal bekendheid mee. In 1975 werd hij leerling van de ­beroemde Tibetaanse boeddhistische meditatiemeester Chögyam Trungpa. Sinds 1977, het jaar waarin hij ook ­promoveerde, geeft De Wit zelf ­onderricht in de boeddhistische visie en ­meditatiebeoefening.

Hij schreef onder meer De verborgen bloei, zijn basiswerk over de contemplatieve psychologie, en Het open veld van de ervaring. Onlangs ­verscheen van Han de Wit Wijsheid in emotie (Ten Have, e 19,95).

Nee[/wpgpremiumcontent]