Een generatie wordt door sociologen meestal opgevat als een groep mensen die onder dezelfde historisch-maatschappelijke omstandigheden zijn opgegroeid, en dientengevolge bepaalde ervaringen, normen en waarden delen. Weinig aandacht is er echter voor hoe de generatiegenoten er zelf over denken. Identificeren mensen zich met bepaalde generaties? Zo ja, wat vinden zij kenmerkend voor hun generatie? Wat vinden ze van de andere generaties? Is er sprake van een generatiekloof? De Tilburgse sociologen Isabelle Diepstraten, Peter Ester en Henk Vinken proberen op deze vragen antwoord te geven in het boek Mijn Generatie, waarin ze verslag doen van het onderzoek dat zij deden voor de Geassocieerde Pers Diensten. Zij bestudeerden zowel de objectieve verschillen tussen de vijf leeftijdsgroepen, als de wijze waarop de generaties zelf deze verschillen beleven.

De generaties van deze eeuw

Diepstraten, Ester en Vinken baseren zich voor de indeling van generaties op het generatiemodel van de socioloog Henk Becker, dat hij in 1992 beschreef in zijn boek Generaties en hun kansen. Becker onderscheidt vijf generaties in het Nederland van deze eeuw. Deze generaties worden gevormd door gemeenschappelijke ervaringen tijdens de formatieve periode: de periode van het vijftiende tot vijfentwintigste levensjaar, waarin men extra gevoelig is voor indrukken uit de omgeving. De historische gebeurtenissen uit de jeugd en de sociaal-economische omstandigheden waaronder men opgroeit, bepalen de verschillen in normen en waarden tussen generaties.

De vooroorlogse generatie is geboren tussen 1910 en 1930. Zij groeide op tijdens de economische crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog. Als gevolg van de massale werkloosheid en de oorlog is deze generatie gericht op financiële zekerheid, soberheid en spaarzaamheid, heeft ze een hoog arbeidsethos en houdt zich verre van politiek extremisme.

De stille generatie, geboren tussen 1930 en 1940, is opgegroeid in de jaren van de wederopbouw na de oorlog. Hard werken en zuinigheid stond net als bij de vorige generatie hoog in het vaandel. Door de economische voorspoed van de tweede helft van de jaren vijftig, had deze generatie echter betere onderwijskansen en goede mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Vandaar de naam ‘stille generatie’: de riante positie op de arbeidsmarkt onderdrukte eventueel maatschappelijk protest.

Dit gold niet voor de protestgeneratie, geboren in de grote geboortegolf tussen 1940 en 1955. Zij herkende zich niet meer in het burgerlijke waardenpatroon van de voorafgaande generaties. Opgegroeid in een periode van ontzuiling en ontkerkelijking, benadrukte zij waarden als democratisering, politieke betrokkenheid, seksuele vrijheid en emancipatie. Deze generatie nam voor het eerst massaal deel aan het hoger onderwijs.

De verloren generatie is geboren tussen 1955 en 1970. De formatieve jaren van deze leeftijdsgroep worden bepaald door de economische malaise en jeugdwerkloosheid van eind jaren zeventig en begin jaren tachtig, vandaar de term ‘verloren’. Deze generatie schopt minder dan haar voorgangers tegen de gevestigde orde aan en heeft een nuchtere kijk op de samenleving.

De pragmatische generatie ten slotte, is geboren na 1970. De jeugd van tegenwoordig is opgegroeid in de jaren negentig, waarin pragmatisme en efficiency centraal staan. Grootse ideologieën zeggen deze generatie weinig. Door de economische groei en de geringe omvang van deze generatie, zijn haar onderwijsmogelijkheden en kansen op de arbeidsmarkt relatief gunstig. Voor een deel zit deze generatie nog op school of studeert.

Saamhorigheid

Bovenstaande typeringen klinken heel aannemelijk, maar rekent de gemiddelde Nederlander zich inderdaad tot een generatie? Diepstraten, Ester en Vinken legden deze vraag voor aan vijfhonderd mensen, en concluderen dat het generatiebesef inderdaad sterk is. Bijna driekwart van de Nederlanders vindt zichzelf tot een generatie behoren. Dit besef is vooral sterk bij de drie oudere generaties. Van de verloren generatie rekent slechts de helft zich tot een generatie.

De leden van de oudste en de jongste generatie blijken zichzelf voornamelijk te duiden aan de hand van hun huidige levensfase: ‘Wij zijn de bejaarden’, of ‘Wij zijn de jeugd van nu.’ Verder typeren vooral de ouderen zichzelf, overeenkomstig de theorie van Becker, aan de hand van een historische gebeurtenis uit hun jeugd, zoals de economische crisis van de jaren dertig of de oorlog. Ook noemen zij regelmatig andere historische zaken, zoals ‘de paardentram, de pont bij Graven’ (man, 81 jaar, vroeger nachtwaker in een museum), en ‘het rijke roomse leven’ (vrouw, 67 jaar, voorheen verpleegkundige). De protestgeneratie kenmerkt zichzelf als de naoorlogse generatie van baby boomers. In mindere mate wijzen ze op de culturele veranderingen van de jaren zestig: ‘provo, beatles’ (man, 49 jaar, timmerman), ‘flower power, seksuele revolutie’ (man, 49 jaar, marketingbedrijf).

De twee jongste generaties noemen zelden een historische gebeurtenis als kenmerkend voor hun generatie, maar beschrijven meer bepaalde kenmerken van de generatie zelf. De verloren generatie verwijst bijvoorbeeld vaak naar waarden zoals vrijheid en individualisme en beschrijft zichzelf door middel van stijlen, zoals disco of post-hippie. Slechts af en toe verwijzen ze naar maatschappelijke ontwikkelingen, zoals ‘nee tegen kernwapens, komst computers’ (vrouw, 31 jaar, goudsmid) en ‘de pil’ (vrouw, 32 jaar, verkoopster in een drogisterij). Opvallend is dat de verloren generatie zichzelf niet ziet als een generatie van recessie en werkloosheid, zoals Becker haar omschrijft.

De pragmatische generatie verwijst vaak naar het computertijdperk en net zoals de verloren generatie, naar stijlkenmerken, en dan vooral naar de house-muziek. De ‘pragmatische jongeren’ herkennen zich ook in de etiketten die de media hen opplakken: regelmatig noemen ze zichzelf de ‘patat-generatie’.

Het besef tot een generatie te behoren, blijkt voordelen op te leveren. Mensen die zichzelf tot een generatie rekenen vinden dat ze betere kansen op werk en inkomen hebben gehad dan jongere generaties, vinden dat ze meer gehoord worden door de politiek en hebben meer politieke interesse. De onderzoekers concluderen dat generatiebesef een vorm is van maatschappelijke betrokkenheid. Het geeft een gevoel van gedeelde ervaringen, van saamhorigheid en veiligheid en voorkomt sociale isolatie. Met een generatie achter je, sta je nooit alleen.

Verloren generatie is hervonden

Rekent het grootste deel van de Nederlanders zich tot een generatie, minder binding voelt men met bepaalde groepen binnen die generatie. De rock ’n rollers, de provo’s, de punkers en de gabbers worden door hun generatiegenoten wel vaak als boegbeeld van hun generatie genoemd, maar slechts een op de vijf nuchtere Nederlanders liet zelf zijn haren groeien of liep met een veiligheidsspeld in zijn oor. De vooroorlogse generatie rekende zichzelf nog het vaakst tot een bepaalde groep, en dan noemen ze vooral kerkelijke groeperingen of jeugdbewegingen: ‘rooms-katholieke jonge vrouwenbeweging’ (vrouw, 74 jaar, huisvrouw), of ‘samen de natuur in met de padvinderij’ (vrouw, 62 jaar, marktonderzoeker). De jongere generaties noemen weer meer stijlgroepen: ‘beatle haardracht, lange wollen sjaals in twee kleuren’ (man, 49 jaar, marketingmanager, ‘vale en kapotte spijkerbroeken’ (vrouw, 40 jaar secretaresse), ‘hip-hop, rap’ (man, 18 jaar, scholier).

Nederlanders blijken zeer tevreden over ‘hun tijd’. De meesten vinden hun eigen periode de leukste om in op te groeien. Hiervoor hebben ze geen speciale reden; ze zeggen meestal dat ‘de eigen tijd gewoon wel goed was’. Alleen de verloren generatie was liever in de jaren zestig opgegroeid. Gaat de term ‘verloren’ dan toch op?

Een van de belangrijkste conclusies van het onderzoek van Diepstraten en haar collega’s is echter dat de verloren generatie helemaal niet zo verloren is. De leden van deze generatie hebben de langste opleiding genoten, op de vooroorlogse generatie na sluit het niveau van hun opleiding het beste aan bij het werk dat ze doen, meer dan 83 procent heeft een betaalde baan, bijna de helft van deze generatie zit in de hoogste inkomensgroep, en ze zijn tamelijk zeker over hun toekomstige inkomen. Dat deze generatie niet direct een vaste baan kreeg toen ze ging werken, heeft ze inmiddels weer ruimschoots ingehaald. Becker zelf zegt dan ook in zijn nieuwste boek, het vorig jaar verschenen De toekomst van de verloren generatie, dat deze typering op sommige punten bijgesteld moet worden.

Als er al een generatie is die verloren dreigt te gaan, dan is het de pragmatische generatie, die werd getroffen door bezuinigingen op onderwijs en op de oudedagsvoorzieningen. ‘De overheid is door het slopen van het Nederlands onderwijssysteem en het afbreken van de sociale zekerheid de grootste factor voor het belemmeren van onze toekomst: dit moet snel stoppen!’ (man, 21 jaar, student HTS-elektrotechniek en parttime medewerker PTT-post). Deze generatie heeft minder uitzicht op een vaste baan voor het leven. ‘Vroeger werd je voor vast aangenomen en alleen ontslagen als je grove fouten maakte, tegenwoordig krijg je alleen maar een tijdelijk contract waarbij ze je na afloop zonder problemen kunnen dumpen’ (man, 21 jaar, student). Andere generaties delen de mening dat de jongste generatie minder goede arbeidskansen heeft. ‘De jongeren hebben te maken met het fenomeen van uitzendbureaus en tijdelijk werk; in mijn ogen zijn dit dingen die, hoe mooi ze ook worden voorgeschoteld, slecht zijn voor het algemeen geluk van de mensen’ (man, 38 jaar, proces-operator). Ironisch genoeg zijn het de leden van de protestgeneratie – de generatie die zich indertijd inzette voor gelijke kansen – die nu de dienst uitmaken en, zoals Diepstraten en collega’s het noemen, ‘vanuit hun pluchen zitting het klapstoeltje bedachten’.

We moeten echter nog even wachten voordat we de bordjes gaan verhangen en de jongste generatie gaan bestempelen als de nieuwe verloren generatie. Het is nog niet zeker of er werkelijk sprake is van een generatie-effect, of dat het meer te maken heeft met de leeftijdsfase waarin de pragmatische generatie zich bevindt. Omdat een deel van deze generatie nog studeert of net z’n eerste treden zet op de arbeidsmarkt, kunnen de pessimistische geluiden ook voortkomen uit ‘startersproblemen’, die verdwijnen wanneer de pragmatici een goede baan hebben met een pensioensregeling en in de politiek zelf de lakens uitdelen.

Conservatisme

De normen en waarden van de oudere generaties botsen regelmatig met die van de jongere. Dit komt onder andere tot uiting in de kritiek van oudere mensen op de moderne cultuur, die gekenmerkt zou worden door ‘zinloos geweld’, ‘elkaar afzeiken’, ‘ontlezing’ en ga zo maar door. Een recente variant is die van milieuminister Pronk, nog net lid van de stille generatie, die oproept tot ‘nieuwe soberheid’ en ‘consuminderen’, waarbij grenzen worden gesteld aan het ongebreidelde consumptiepatroon. Dit beeld klopt met de de typeringen van de generaties: een lid van de stille generatie die soberheid en spaarzaamheid hoog in het vaandel heeft, tegenover de generaties die opgroeiden met fast-food en wegwerpartikelen. Een van de duidelijkste verschillen tussen generaties in het onderzoek van Diepstraten, is dan ook te zien in een ‘consumentistische’ houding tegenover materiële zaken. De pragmatische generatie is het veel vaker eens met de stellingen ‘Als ik iets moois zie, wil ik het direct kopen’ en ‘Het ligt niet in mijn aard alleen maar nuttige dingen te kopen.’ De overgrote meerderheid van de vooroorlogse en de stille generatie zegt alleen dingen te kopen die ze nodig heeft.

Een ander veelgehoord punt van kritiek op de huidige jongere – dat hij of zij alleen maar zappend op de bank zit en nooit een boek leest – wordt echter door dit onderzoek ontzenuwd. Weliswaar heeft meer dan eenderde van de pragmatische jongeren de laatste twee maanden geen boek opengeslagen, maar de andere generaties deden dat ook niet. Bovendien kijken leden van de vooroorlogse en stille generatie vaker televisie dan jongeren.

Als er een punt is waar generaties volgens het clichébeeld van elkaar zouden verschillen, is het conservatisme. Diepstraten, Ester en Vinken onderscheiden hierin economisch conservatisme en cultureel conservatisme. Zij concluderen dat de generaties niet verschillen in economisch conservatisme. Nederland is in zijn geheel ‘verrechtst’: de vrije marktwerking wordt grotendeels ondersteund en de klassenstrijd is gestreden.

De meningen van de generaties lopen wel uiteen op het gebied van cultureel conservatisme. De onderzoekers hebben het begrip cultuur opgedeeld in drie factoren: burgerlijke vrijheden, traditionele vrouwenrollen en keuzen over leven en dood. De protestgeneratie en de verloren generatie zijn, zoals verwacht mag worden van kinderen van de jaren zestig en zeventig, over het algemeen het meest progressief. Zij vinden het vaakst dat iedereen mag schrijven wat hij wil en dat iedereen mag demonstreren wanneer hij wil, dat vrouwen en mannen even geschikt zijn om kinderen op te voeden en dat mensen het recht hebben om zelf een eind aan hun leven te maken. De oudste generaties zijn het meest conservatief, en de pragmatische generatie doet haar naam ‘zapgeneratie’ eer aan: zij pikt eclectisch wat van haar gading is. Zo is deze generatie op het punt van euthanasie minder progressief dan haar voorgangers, maar op het gebied van abortus weer toleranter. Ze vindt dat iedereen mag demonstreren, maar openlijk het koningshuis bekritiseren, vindt een groot deel weer te ver gaan. Ze vinden het normaal dat vrouwen in een bedrijf leiding geven aan mannen, maar vinden van alle generaties het vaakst dat een goede opleiding voor een jongen belangrijker is dan voor een meisje.

De generatiekloof

Paul van Vliet verwoordt in een van zijn vroegere programma’s de mening van de kinderen van een overjarige ex-hippie. Papa rookt een stickie, en bladert in zijn Grote Beatles-boek. ‘Papa is blijven hangen aan de sixties. Papa is blijven steken in de tijd. Papa werd niet ouder, dan de flower power. Papa is een bezienswaardigheid.’ Gezien de verschillen in normen en waarden tussen de generaties, kan een dergelijke generatiekloof bijna niet uitblijven. Maar terwijl Van Vliet spreekt over de welbekende kritiek van de kinderen op hun ouders, wordt er in de media juist veel kritiek geleverd op de jongere generaties. Er wordt in dit verband wel gesproken van een omgekeerde generatiekloof, waarbij niet de jongeren, maar de ouderen een kloof tussen de generaties signaleren.

Diepstraten, Ester en Vinken onderzochten hoe de generaties over elkaar denken en of er sprake is van een generatiekloof. Aangezien mensen de neiging hebben de wereld in te delen in een ‘in-group’ en in ‘out-groups’, waarbij volgens de attributietheorie aan de eigen groep positievere eigenschappen worden toegeschreven dan aan de out-group, zou het niet verwonderlijk zijn als generaties elkaar ook stereotiepe (negatieve) eigenschappen toeschrijven. Het blijkt dat generaties inderdaad niet wars zijn van enige stereotypering. Eigenschappen als eigenwijs, ongeduldig, egoïstisch en onverschillig worden door elke generatie toegeschreven aan jongere generaties. De pragmatische generatie kan deze kenmerken niet doorschuiven en dat verklaart misschien waarom ruim veertig procent deze kenmerken op zichzelf van toepassing vindt.

De typeringen goede manieren, behoudendheid en verantwoordelijkheidsgevoel worden toegeschreven aan oudere generaties. De meeste Nederlanders vinden van hun eigen generatie dat ze flexibel, kritisch en idealistisch is. Deze resultaten zijn in overeenstemming met de genoemde attributietheorie.

Vooral jongere generaties blijken het slachtoffer van negatieve stereotyperingen. Jongeren, en dan vooral de leden van de pragmatische generatie, voelen zich dan ook vaker gediscrimineerd. Van de pragmatische generatie vindt de helft dat ze als tweederangs burgers behandeld worden. De overheid krijgt hiervan vaak de schuld. ‘Bekijk de maatregelen van het ministerie van onderwijs en verder commentaar lijkt me overbodig’ (man, 21 jaar, student), ‘Wij mogen op school niet meer meebeslissen’ (vrouw, 20 jaar, student).

Ook ouderen worden achtergesteld, aldus 37 procent van alle generaties. Dit vindt men tot uiting komen in oudedagsvoorzieningen, de gezondheidszorg en maatschappelijke desinteresse. ‘Wij ouderen moeten zo lang mogelijk zelfstandig blijven, maar ze breken wel mooi de thuiszorg af’ (man, 72 jaar, vroegere chef technische dienst slachthuis), ‘Kijk naar het ouderenbeleid: de bejaardenpartijen worden in de Tweede Kamer niet voor vol aangezien door de grote jongens’ (vrouw, 58 jaar, medewerkster kartonnage).

Redelijke harmonie

Ondanks de stereotypering die over en weer bestaat, is er geen sprake van haat en nijd tussen de generaties (zie ook Psychologie september 1997). De verschillende leeftijdsgroepen spreken redelijk mild over elkaar, en er is zelfs sprake van enige solidariteit tussen de generaties. De oudere generaties vinden dat ze de jongeren die druk zijn met gezin en werk, best af en toe kunnen bijstaan, jongeren vinden niet dat de ouderen ‘alles opmaken’ zodat er niets meer over is voor de volgende generaties en vinden ook niet dat de ouderen hun plaats op de arbeidsmarkt moeten afstaan aan jongeren. Diepstraten en collega’s vinden dit laatste zelfs een teken van altruïsme, omdat jongeren ervoor pleiten dat ouderen blijven participeren in de maatschappij, zelfs als dit ten koste gaat van hun eigen plekje.

Heftige meningsverschillen tussen de generaties spelen zich nog altijd af in gezinnen waar ouders niet gecharmeerd zijn van de neusring en de house-herrie van hun kroost. Dit zijn echter meningsverschillen over stijlvoorkeuren, die door de Nederlanders niet als blijvende generatieverschillen worden beoordeeld. Toen de protestgeneratie ging solliciteren, hees ze zich ook in het pak en werden de haren geknipt, en zo zal het ook met de neusring gaan.

De term generatiekloof kan dus voorgoed worden opgeborgen in het jaren zestig-archief. De waarden en normen van de protestgeneratie verschilden dermate van die van hun ouders, dat daar werkelijk een kloof ontstond. De generaties erna verschillen echter niet fundamenteel in waarden van de vorige generaties. Als er een klein kloofje bestaat, is dat eerder tussen de generaties van vóór en van na de ‘revolutie’ van de jaren zestig.

De generaties van deze eeuw gaan dus in redelijke harmonie het volgende millennium in. Laten we met eerbied voor grijze haren het advies van een lid van de oudste generatie opvolgen: ‘Elke generatie heeft problemen, maar ze moeten met overleg en in samenwerking overwonnen worden’ (man, 81 jaar, voorheen huisschilder).

1910 – 1930

Agnes Vos (1923), vooroorlogse generatie: ‘Ik ben inderdaad wel beïnvloed door de economische crisis en de oorlog. Ik kom uit een katholiek gezin van negen kinderen. Mijn vader zat in de wijnhandel, dus toen eind jaren twintig de crisis uitbrak, was het zuinigjes aan. Het was een moeilijke tijd. Je kreeg wel wat ondersteuning van de staat, maar dat was heel weinig.

Te veel om van dood te gaan, te weinig om van te leven. En ik heb ook lang last gehad van het ‘hongerwintersyndroom’, dat je geen eten kunt weggooien. Maar daar ben ik overheen gestapt, hoewel het nog steeds een beetje pijn doet. Nu gooi ik het in de gft-bak, dan heb ik toch het gevoel dat het goed terecht komt.

Toen de oorlog over was, was ik 23 jaar. Nu moet alles anders, dacht ik. Maar dat viel vies tegen, de politieke partijen gingen gewoon in dezelfde groeven door. Terwijl in de oorlog enorme veranderingen hadden plaatsgevonden. Zo gingen de katholieken en de communisten veel met elkaar om. Dat was na de oorlog opeens afgelopen. Maar ik ben pas later politiek stelling gaan nemen. Ik ging na de oorlog werken als psychologisch assistente bij de Psychologische Dienst. Dat was wel de norm: hard werken, je moet je brood verdienen.

En spaarzaam, dat ben ik ook. Ik moet mezelf nog wel eens overhalen toch iets te kopen. Maar wat betreft normen en waarden, heb ik niet het gevoel dat ik ver af zit van de volgende generatie. Mijn dochter en neven zeggen wel eens: ‘Wij zitten dichter bij jullie dan bij de generatie na ons.’

1930 – 1940

Jaap Slager (1932), stille generatie: ‘Ja, ik kan me wel vinden in de beschrijving van de ‘stille generatie’. Ik ben in 1954 begonnen met werken en er was inderdaad werk zat. Geen enkel probleem. Ik woonde op Schouwen-Duiveland en zat in de weg- en waterbouw. We hadden net de watersnoodramp achter de rug, en daarna werd het hele eiland ondersteboven gekeerd vanwege de herverkaveling: nieuwe afwateringssystemen en een totaal nieuw wegenpatroon. Alles wat krom was, hebben we recht gemaakt. Ook persoonlijk kreeg ik te maken met de ramp. Wij zaten er middenin. Wij woonden op het hoogste punt in het dorp en nog stond het water bijna anderhalve meter hoog in huis. In het dorp zijn toen 32 mensen verdronken.

De oorlog heb ik minder bewust meegemaakt, ik was zeven jaar toen de oorlog uitbrak. Incidenteel vielen er bommen in de buurt en dan moesten we in de schuilkelder. Voor jonge jongens is dat ook wel weer spannend.

Mijn generatie heeft een hoog arbeidsethos, zonder meer. Wij werkten hard en hadden weinig arbeidsconflicten met de baas. Dat was de gewoonte. Niet zoals de protestgeneratie na mij, die hebben een hoop herrie geschopt. Maar daar is weinig van terecht gekomen. Zij stonden op de barricades, maar behoren nu deels zelf tot de gevestigde orde en halen veel geld binnen.’

1940 – 1955

Christien Boeles (1945), protestgeneratie: ‘Ik was niet iemand die voorop liep in de protestbeweging, maar ik zat er wel middenin. Zo was er bijvoorbeeld de studentenbeweging in Amsterdam, die zorgde voor democratisering van het ouderwetse onderwijssysteem. En ik heb me altijd beziggehouden met emancipatorische dingen. Ik schreef bijvoorbeeld boekjes voor vrouwen in het kader van de VOS-cursussen; Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving. Ik voelde me ook wel verantwoordelijk voor mensen in de Derde Wereld, vooral na mijn reis naar Nicaragua midden jaren zeventig. Daarna was ik zes jaar lid van het Palestinacomité. En veel demonstreren: de Nieuwmarktdemonstratie tegen de aanleg van de metro, de fietsdemonstratie op het Museumplein, vredesdemonstraties tegen de atoombom. Ik zit in een orkest dat muziek maakt bij dergelijke politieke manifestaties, het Amsterdams Volks-, Salon- en Amusementsorkest.

Voor mij was het niet vanzelfsprekend dat ik de weg volgde die mijn ouders voor mij uitgestippeld hadden. Voor mijn vader was dat pad: trouwen met een plattelandsdokter en kinderen krijgen. Mijn moeder wilde graag dat ik een praktische opleiding – fysiotherapie – volgde, als appeltje voor de dorst wanneer je man zou komen te overlijden. Ik heb die opleiding ook wel gedaan, maar ging later naar Zweden, studeerde sociologie en antropologie. Ik heb me verzet tegen hun normen en waarden, in de zin dat ik nieuwe wegen heb gezocht.’

1955 – 1970

Karen Hamerlynck (1968), verloren generatie: ‘Ik heb niet het gevoel dat ik beperkt ben door de tijd waarin ik ben opgegroeid.

Wel geloof ik dat het anders was voor mij dan voor mijn ouders: zij hebben nooit het probleem van werkloosheid gekend. De economische omstandigheden in de jaren tachtig, toen ik de keuzes moest maken die er toe doen, waren wat lastiger. Mijn opleiding werd toch overschaduwd door mensen die zeiden dat het ‘moeilijk zou zijn een baan te vinden’ en dat je ‘verstandige keuzes’ moest maken. Ik heb psychologie gestudeerd en als tweede studie geschiedenis, en ik herinner me dat mijn moeder met een artikel kwam aanzetten dat psychologen en historici per definitie geen werk konden vinden. Ik besefte wel dat het niet echt handige studies waren om te volgen. En dan wilde ik ook nog de journalistiek in, een beroep dat veel anderen ook ambieerden. Een vaag soort ongerustheid heb ik dus wel gekend. Ikzelf heb redelijk geluk gehad, ik had na drie maanden een baan.

Ik merk ook dat mijn generatie heel laat kinderen krijgt. Dat heeft misschien ook te maken met dat onrustige gevoel. Alsof wij eerst onze toekomst zeker wilden stellen.

Aan de andere kant hadden wij het makkelijker, omdat we na een generatie kwamen die de weg voor ons heeft vrijgevochten. Wij hebben de vruchten geplukt van het feminisme, van de seksuele revolutie. Daar hebben we niets voor hoeven doen.’

1970 –

Dai Forterre (1972), pragmatische generatie: ‘Ik denk niet dat vroegere generaties meer ideologieën hadden dan mensen tegenwoordig hebben. Dat beeld wordt graag geschapen. Maar de jaren-zestigers die graag prat gingen op hun ideologische achtergrond, zijn toch de Ed van Thijnen van nu; die zijn ook puur pragmatisch. Nee, ik beschouw mezelf en m’n vrienden niet als minder ideologisch dan onze ouders, ik heb zeker duidelijke principes. Ik probeer bijvoorbeeld niet alles in geld uit te drukken. In mijn eigen bedrijfje, ik heb een computerdesignbureau, wil ik dat mensen tevreden zijn en probeer ik iets extra’s voor ze te doen zonder dat ik direct aan geld denk. Ik reken mezelf wel tot een generatie, maar de gemeenschappelijke achtergrond zit voornamelijk in heel kleine dingen. Rapmuziek en hip-hop bijvoorbeeld, of Bassie en Adriaan en de plaaggeeest, of Ren je Rot. En ook wel in grote gebeurtenissen, zoals de val van de Muur. Maar eigenlijk heb ik verschillende soorten generatiegenoten, van voetbal, of van school. En generalisaties als Generatie-Nix en zo, daar herken ik me helemaal niet in. Ik vind dat salontafelpraat.’

Sociologen hebben de bewoners van deze eeuw opgedeeld in vijf generaties: de vooroorlogse, de stille, de protest, de verloren en de pragmatische generatie. Maar wat vinden de mensen er zelf van? Kan men zich met zijn generatie vereenzelvigen? Hoe denken de generaties over elkaar? En wat is er eigenlijk gebeurd met de generatiekloof?[/wpgpremiumcontent]