Een prettig voorkomen van de geliefde is natuurlijk een pre, maar let u ook op de precieze vorm van de schedel van uw partner? Tot aan het begin van de twintigste eeuw verschenen er regelmatig populaire boekjes waarin beschreven stond aan welke schedelkenmerken je een betrouwbare echtgenoot kunt herkennen.

Het analyseren van het karakter op basis van uiterlijkheden, wordt ook wel fysiognomie genoemd en was al populair bij de oude Grieken. Vooral vergelijkingen met dieren deden het toen goed. Iemand met een volle bos haar had al snel een ‘leeuwennatuur’, terwijl een bleek gelaat en blonde krulletjes je een ‘schaapachtig’ karakter gaven.

Aan het eind van de achttiende eeuw ontwikkelde de Zwitser Johann Caspar Lavater een systematische techniek om gelaatsprofielen te analyseren. Met behulp van zijn silhouettenmachine deed hij uitspraken over intelligentie, werklust en weekhartigheid op basis van voorhoofden, neuzen en bovenlippen. Deze techniek was zo populair dat ook Goethe het profiel van zijn geliefde liet analyseren en Darwin bijna werd afgewezen voor een expeditie met het schip de Beagle, omdat zijn neus niet voldeed aan de Lavateriaanse eisen.

De Oostenrijkse arts Franz Joseph Gall kwam in de negentiende eeuw met een nieuwe theorie, die later bekend zou worden als

Log in om verder te lezen.
de frenologie. Op basis van inzichten in de anatomie van de hersenen stelde Gall dat psychologische eigenschappen als muzikaliteit, vriendschap, moraliteit en taalgevoel hun zetel hebben in het brein. Als een eigenschap goed is ontwikkeld, zou ook het bijbehorende hersengebied groter moeten zijn. En dat had effect op de vorm van de schedel.

Rond 1840 werd de wetenschappelijke belangstelling voor de frenologie minder. De leer werd minder serieus genomen, omdat veel mensen zonder opleiding stad en land doortrokken om schedels op te meten en geld te vangen voor karakteranalyses.

Door deze kwakzalverij wordt frenologie nog steeds gezien als een pseudowetenschap. Maar was Franz Joseph Gall wel zo gek? Zijn stelling dat het brein het ‘orgaan van de ziel’ is, was revolutionair in een tijd waarin men vond dat de geest boven alles staat. Zijn lezingen werden in 1801 door de keizer van Oostenrijk zelfs verboden, omdat ze te materialistisch van aard waren. In feite was Gall zijn tijd ver vooruit. We weten nu dat psychologische eigenschappen zijn terug te vinden in het brein. Het is echter veel complexer dan Gall destijds veronderstelde – maar wat kon hij, zonder pet-scans en moderne apparatuur? Niet één gebiedje is verantwoordelijk voor muzikaliteit of het geheugen, maar een netwerk van verschillende gebieden. En hoewel talent voor taal wel samengaat met een goed ontwikkeld taalcentrum in het brein, is dit meestal niet te zien aan de omvang van het gebied, maar aan het aantal zenuwverbindingen. Helaas voor Gall is een talenknobbel op de schedel nog nooit aangetroffen. n

Volgende maand: De pilotentest

• Met dank aan het Archief en Documentatiecentrum Nederlandse Psychologie (adnp)