Kindertelefoon, met Emma!’

‘Hoi, met mij. Wat is tongen?’

‘Dat kan ik je wel uitleggen. Mag ik vragen hoe oud je bent?’

‘Tien.’

‘Goed. Tongen is hetzelfde als tongzoenen. Het begint meestal met een kus op de mond. Bij tongzoenen doe je allebei je mond een beetje open. Je kunt dan met jouw tong de tong van de ander aanraken en er een beetje mee spelen.’

‘Getver! Dan kun je toch geen lucht meer happen!’

‘Maak je geen zorgen. Tijdens het zoenen kun je gewoon door je neus blijven ademen. Waarom wil je eigenlijk weten wat tongzoenen is?’

‘Mijn zus heeft dat gedaan maar ik durfde haar niet te vragen wat het was.’

‘Ik snap het. Wou je verder nog iets vragen?’

‘Nee, bedankt. Doei!’

‘Dag!’

Met een glimlach hangt Emma hangt op. Ze is al vier jaar vrijwilliger bij de Kindertelefoon en heeft gesprekken als deze al oneindig vaak gevoerd. ‘In het begin is het wel even wennen, hoor; die plastische vragen. Leg maar eens aan een jongen van acht uit wat beffen betekent. Best lastig. Zeker als hij het woord “vagina” niet kent en begint te giechelen bij “doos” of “spleetje”.’

Seksualiteit is al jarenlang een favoriet

onderwerp onder kinderen die contact zoeken met de Kindertelefoon; 15,9 procent van de gesprekken draait erom. Het meest populaire belonderwerp is relaties en alles wat daarbij komt kijken: vriendschap, verliefdheid, verkering, bi- en homo­seksualiteit (16,9 procent). Verontrustend is het stijgende aantal gesprekken in de categorie geweld, machtsmisbruik en dwang. Belde 10 ­procent hierover in 2000, inmiddels is dat in de grote steden al 20 procent. Emma: ‘Laatst had ik een jongen aan de lijn die vertelde dat zijn vader zijn moeder vaak slaat. Natuurlijk vond zijn moeder dat vreselijk, maar toch wilde ze de vader steeds een nieuwe kans geven. Tot het pasgeleden voor haar ook genoeg was. Ze deed aangifte bij de politie. De jongen was opgelucht, maar ook wel bang voor wat er met zijn vader zou gebeuren. Misschien moest hij wel naar de gevangenis. Dat zijn natuurlijk best heftige dingen voor een jongetje van tien.’

Strenge selectie

In totaal bellen jaarlijks een half miljoen kinderen met de Kindertelefoon. Meisjes bijna twee keer zo vaak als jongens. De laatste jaren zijn de bellers steeds jonger geworden: 54 procent is jonger dan dertien, 38 procent is tussen de 13 en 15 jaar oud. In principe wordt de telefoon opgenomen in de regio waarvandaan gebeld wordt. Dat is handig, want Friese vrijwilligers kunnen kinderen met een zachte g minder goed verstaan dan hun zuidelijke collega’s. Bovendien is het op deze manier makkelijker om door te verwijzen naar regionale hulpinstellingen.

De twintig vestigingen van de Kindertelefoon worden gerund door een handjevol betaalde coördinatoren en zo’n 750 vrijwilligers. Daar zijn mensen bij die het naast hun gewone baan doen, er zijn huismoeders, opa’s, oma’s, maar ook studenten. Gemiddeld zitten ze één keer per week een paar uur aan de telefoon.

Om aangenomen te worden als vrijwilliger, moet je solliciteren. De selectie is streng. Wie na een selectieweekend geschikt lijkt, mag meedoen aan de opleiding. ‘Die opleiding is vrij intensief,’ vertelt Remko van der Drift, als coördinator van de Kindertelefoon in Utrecht een van de betaalde krachten. ‘Dat moet ook wel, want in een paar weken moet je iemand klaarstomen voor serieus werk. Je kunt behoorlijk heftige dingen te horen krijgen en daar moet je natuurlijk wel mee om weten te gaan.’

De training bestaat voor een groot deel uit rollenspellen. ‘Wij laten mensen niet alleen de rol van telefonist spelen, maar ook die van het kind. Dat werkt heel goed. In de rol van kind voel je goed wat voor soort feedback fijn is om te krijgen. Dan merk je ineens dat het niet prettig is wanneer de ander meteen advies geeft.’

Geen adviezen

Luisteren is dé kernwaarde van de Kinder­telefoon. ‘Veel kinderen vinden het fijn dat ze eindelijk rustig hun verhaal kwijt kunnen,’ legt coördinator Van der Drift uit. ‘Volwassenen hebben vaak de neiging om de boel meteen te relativeren. Dan zeggen ze: “O, dat had ik ook vroeger. Dat gaat wel weer over,” of: “Je moet gewoon een beetje voor jezelf opkomen”. Goed bedoeld natuurlijk, maar kinderen kunnen er weinig mee.’

Dus een kind belt met een serieus probleem, bijvoorbeeld een leraar met losse handjes, en de Kindertelefoon heeft alleen een luisterend oor in de aanbieding? ‘Veel mensen vinden dat vreemd, ja. Maar natuurlijk roepen we niet alleen “oh en ah” aan de telefoon. Natuurlijk geven we tips en adviezen als kinderen daarom vragen. Ook bespreken we oplossingen voor hun problemen. Maar het idee is wel dat de oplossing zoveel mogelijk vanuit het kind zelf moet komen. In het geval van de grensoverschrijdende leraar zullen we wel aangeven dat het strafbaar is, maar we proberen vooral te achterhalen wat het kind zelf zou willen en kunnen doen. We sturen ze dus niet direct naar de politie. Vaak bedenken kinderen uit zichzelf wel een soort plan. Bijvoorbeeld dat ze een tante of buurvrouw in vertrouwen kunnen nemen.’

Emma: ‘Ik moest wel even wennen aan het feit dat je niet altijd een redder in nood kunt zijn als je bij de Kindertelefoon werkt. Want dat idee had ik stiekem wel een beetje toen ik me aanmeldde. Het is vooral een kwestie van luisteren, begrip tonen, de juiste vragen stellen en eventueel verwijzen naar een hulpverleningsinstantie.’

Hoe doe je dat: een kind emotioneel ondersteunen en het ondertussen prikkelen tot nadenken? Veel komt neer op gesprekstechnieken. In het kort: open vragen zijn heilig. Met gesloten of suggestieve vragen stuur je de beller namelijk te veel in een bepaalde richting. Stiltes zijn niet erg; die geven een kind de ruimte om zijn gedachten op een rijtje te zetten. Vat het gesprek van tijd tot tijd samen, communiceer open, wees eerlijk en – heel belangrijk – geef een kind complimentjes. Van der Drift: ‘Gesloten vragen zijn de doodsteek voor een goed gesprek. Stel dat een kind vertelt dat hij gepest wordt. Dan kun je natuurlijk een serie vragen afvuren: “Ren je weg als je wordt aangevallen? Scheld je terug?” Waarschijnlijk krijg je dan een paar ja-nee-antwoorden en dat is het dan. Veel verder kom je als je vraagt hoe de beller reageert in een pest­situatie. Of hoe hij zich voelt. Dan vul je het niet in voor het kind en laat je ruimte over voor zijn eigen verhaal.’

Een heel ander onderdeel van de training is de ‘sekszak’. De sekszak is een tas met erotische toys waar de vrijwilligers om beurten in grabbelen. Het is de bedoeling om zonder te kijken te beschrijven wat je voelt. Van der Drift: ‘De sekszak is een hilarisch programma-onderdeel, maar ook erg nuttig. Door puur op de tast een dildo of cockring te omschrijven leer je om heel precies te formuleren hoe iets eruitziet en hoe het werkt. En dat is dan weer handig voor aan de telefoon. Daar heb je immers ook geen plaatjes om naar te wijzen.’

Een variant op dit erotische onderdeel is het trainingsgedeelte waarbij mannen worden ­geïnstrueerd over typische vrouwenzaken en andersom. Van der Drift: ‘Er bellen wel eens pubermeisjes die willen weten hoe je een tampon inbrengt. Daar hebben onze mannelijke vrijwilligers natuurlijk geen ervaring mee en dus is het belangrijk om ze dat uit te leggen. Overigens vragen de meeste meisjes om een vrouw aan de telefoon als ze over zo’n vrouwenonderwerp bellen. Daar doen we natuurlijk niet moeilijk over.’

Plaagbellers

De Kindertelefoon opereert volledig anoniem. Ze hebben geen nummermelder en ook op de telefoonrekening van de beller (meestal die van hun ouders) worden gesprekken naar de Kinder­telefoon niet vermeld. Die anonimiteit geldt ook andersom; de Kindertelefoon opereert vanuit geheime locaties en de vrijwilligers hebben een schuilnaam, of ‘telefoonnaam’, zoals ze dat zelf noemen. Emma heet dus eigenlijk anders. ‘Ieder­een mag zijn eigen telefoonnaam kiezen. De regel is dat je nepnaam begint met dezelfde letter als je echte naam. Het lijkt misschien overdreven, maar ik vind het wel prettig. Je krijgt namelijk wel eens vervelende kinderen aan de telefoon die je uitschelden of grappen maken met je naam. En dat komt toch net iets minder hard aan als het je echte naam niet is.’

De Kindertelefoon heeft regelmatig last van ‘plaagbellers’: kinderen die uit pure baldadigheid alleen maar een beetje staan te schreeuwen in de hoorn. Of kinderen met flauwekulvragen. De Kindertelefoon kan de telefoonlijn van deze bellers tijdelijk blokkeren. Daarnaast zijn er ook zogenaamde ‘testbellers’. Soms bellen kinderen namelijk ogenschijnlijk voor de grap, maar is er wel degelijk iets aan de hand. Ze beginnen dan met een grap, waar een serieus verhaal achter blijkt te zitten. Emma: ‘Ik probeer altijd door de reden van het telefoontje heen te prikken. Laatst belde er een meisje dat lacherig vroeg wanneer Sinterklaas jarig was. Ik hield een heel verhaal en toen riep ze heel resoluut: “Ach, die stomme Sinterklaas, daar geloof ik ook helemaal niet in!” Ik vroeg waarom ze dan toch zo geïnteresseerd was in de beste man. Het bleek dat het meisje nooit Sinterklaas gevierd had thuis en dat er wel meer leuke feestdagen werden overgeslagen. Ik heb nog een hele tijd met haar aan de telefoon gehangen.’

Soms zijn er ook écht vervelende telefoontjes. Bedreigend zelfs. Emma: ‘Er belde eens een jongen die zei dat hij wist wie ik was en waar ik zat. Ik wist wel dat dat niet kon – de locatie is immers geheim – maar je weet het natuurlijk nooit.’

Vreemd genoeg is dit incident de enige keer dat Emma haar werk mee naar huis nam. Meestal heeft ze daar geen moeite mee. Zelfs de meest heftige verhalen laat ze van zich afglijden zodra ze de deur dichtdoet. Hoe kan dat? ‘De Kindertelefoon doet niet aan procesmatige hulp. Het blijft doorgaans bij één gesprek. Kinderen willen vaak wel meer, hoor. Dan bellen ze terug en vragen ze naar je, maar daar gaan we eigenlijk nooit op in. We willen niet dat kinderen afhankelijk van ons worden, en verwijzen ze in zo’n geval door naar een hulpverlenende instantie. Door het eenmalige karakter van het contact bouw je geen echte band op en kun je het makkelijker loslaten.’

 [/wpgpremiumcontent]