Het is lente. En Yvonne Mulder woont in het bos. In een fijn huis vol boeken, kunst en mooie meubels – schoonheid is aan haar welbesteed. Maar dat de vogels in haar tuin om het hardst de zon toezingen, ontgaat haar. Yvonne Mulder hoort nauwelijks nog iets.

Twintig jaar geleden – ze was 51 – merkte ze dat haar gehoor slechter werd. Ze kreeg een gehoorapparaatje en jaarlijkse controles. Vijf jaar later werd bij zo’n routinecontrole vastgesteld dat haar linkeroor plotseling sterk achteruit was gegaan. Nader onderzoek maakte duidelijk dat er links achter in haar hoofd, op haar gehoorzenuw, een tumor zat. Goedaardig, maar wel op een foute plek, dicht tegen de hersenstam aan.

De tumor werd operatief verwijderd, via een ‘luikje’ dat achter haar oor in de schedel werd geboord. Slakkenhuis en gehoorzenuw moesten eruit, anders konden de artsen de lastpak niet bereiken. De achtergebleven holte werd keurig opgevuld met buikvet en de wond genas voorspoedig. Operatie geslaagd, maar sindsdien is ze links dus volledig en onomkeerbaar doof. Zelfs een cochleair implantaat, waarmee doven via elektrische stimulatie van de gehoorzenuw weer kunnen horen, heeft geen zin; er zit immers geen gehoorzenuw meer die gestimuleerd kan worden.

Rechts kan ze nog wel horen, maar dat oor blijft gestaag achteruitgaan. Zonder gehoorapparaat hoort ze er nog maar zo’n 35 procent mee van wat een normaal oor opvangt. Wat betekent dat ze vooral hoort dát er iets gezegd wordt; wát er gezegd wordt, is regelmatig gissen. ‘Ik vul zelf veel aan, vanuit de context,’ zegt ze. ‘In een een-op-eengesprek gaat dat meestal aardig, zolang het thema van het gesprek niet plotseling verandert.’

Ongewild afhankelijk

Het thema van ons gesprek is duidelijk: de gevolgen van slechthorendheid voor je sociale leven. Daar heeft Yvonne Mulder het nodige over te melden, want voor haar gehoorverlies was ze een uitgesproken ondernemend type. Extravert, altijd op pad, actief in haar eigen bedrijf en in diverse besturen. Een netwerkster pur sang.

Tegenwoordig leidt ze een heel ander leven. ‘Van sociaal dier naar muurbloem,’ zo omschrijft ze het zelf. Borrels, diners, lezingen en feesten zijn geen bron van genoegen meer, maar frustrerende aangelegenheden. Want ze moet er steeds ‘Sorry, wat zei je?’ zeggen, en dat vindt iedereen vervelend; zijzelf incluis.

Ook is het naar om steeds te moeten vragen of je ergens anders mag zitten, of de achtergrondmuziek uit kan, of de ander in je ‘goede’ oor wil praten, of er misschien een spotlicht op de spreker kan zodat je zijn mond kunt zien bewegen – al die kleine gunsten die je van een ander moet vragen. Het maakt een mens afhankelijk; minder zelfredzaam dan Yvonne Mulder gewend was te zijn.

Om kort te gaan: het is niet leuk meer om in grotere gezelschappen te verkeren. Zelfs niet als het gaat om oude vrienden, mensen met wie zij en haar echtgenoot al jaren optrekken. ‘Dan lachen ze ineens, en jij hebt de clou gemist. Verschrikkelijk! Ik kon altijd overal over meepraten; kunst, politiek… En nu loop ik constant een beetje achter. De anderen zijn alweer tien stappen verder voor ik ergens op kan inspringen. Ik heb dus geen inbreng meer in zulke groepen. Dat mis ik.’

Zelfs een rustig een-op-eengesprek zoals wij hier nu voeren, is vermoeiend. Want hoe geoefend ze inmiddels ook is in spraakafzien – ontbrekende klanken aanvullen door liplezen – het kost altijd nog meer energie dan een gesprek puur op het gehoor. ‘Het is alsof je een tekst in een vreemde taal leest. Je moet een vertaalslag maken, de boodschap is niet meteen duidelijk. Dat maakt me ook traag in mijn reacties.’

Maar voor we verder praten, wil ze één ding kwijt: dat dit geen huilverhaal moet worden. ‘Ik heb ondanks die doofheid vijftien goede jaren achter de rug. Er is nog genoeg waarvan ik kan genieten: kunst, poëzie, de kleinkinderen…’

En: ‘Het moet ook niet klinken alsof ik anderen van alles verwijt. Als je doof bent, raak je makkelijk in een isolement, maar de enige die dat kan voorkomen is de dove zelf. Je moet er zelf voor zorgen dat je mensen blijft zien. Het initiatief ligt voor negentig procent bij jou.’

Klap in het gezicht

Dus daar zitten we dan, op haar initiatief rustig aan de eettafel bij haar thuis. Geen anderen om ons heen, geen achtergrondmuziek – ‘Ik heb stápels muziek liggen, maar ik luister er nooit meer naar. Alles klinkt blikkerig.’ Ze heeft me recht tegenover haar laten plaatsnemen, met mijn gezicht naar het raam. Zo kan ze iedere beweging die mijn mond tijdens het gesprek maakt, moeiteloos registreren. Het valt me nauwelijks op dat ze slecht hoort.

Ja, zegt ze als ik dat constateer, slechthorendheid is een onzichtbare handicap. En dat kan heel fijn zijn, want je wilt niet altijd opvallen. Maar die onzichtbaarheid kan ook tegen je werken. ‘Mensen vergeten snel dat je slecht hoort. Dan krijg ik bijvoorbeeld weer de opmerking “Wilde je me niet meer kennen?” omdat ik niet heb teruggegroet in het dorp. Maar ik merk alleen dat iemand iets tegen me zegt als ik ze aankijk. Een groet in het voorbijgaan komt bij mij gewoon niet aan.’

Inmiddels weet ze dat ze heel expliciet moet zijn als ze om een gunst vraagt. ‘Ik herinner me nog goed hoe ik tijdens een feestelijk diner vlak bij het orkest was neergezet. Ik stapte op een vrouw af die ik kende om te vragen of zij met mij van plaats wilde ruilen, maar die antwoordde: nee, ik ga hier niet weg. Achteraf realiseerde ik me dat zij waarschijnlijk gewoon vergeten was dat ik slecht hoor. Ik had het erbij moeten zeggen. Maar op dat moment ervoer ik haar reactie als een klap in mijn gezicht.’

Soms roept haar doofheid zelfs agressie op. Zoals die keer in de supermarkt dat ze niet hoorde dat de caissière haar nog een vraag stelde. ‘Of ik zegeltjes wilde waarschijnlijk. Ik reageerde niet en dat hield op. Waarop een vrouw in de rij boos riep: “Mevrouw, kunt u geen antwoord geven, we staan hier allemaal te wachten!” Dat onbegrip is heel vervelend.’

Dui-de-lijk ar-ti-cu-le-ren

Maar zelfs mensen die prima op de hoogte zijn, houden niet constant rekening met haar gebrekkige oren. ‘Mijn man vergeet het ook vaak. Dan praat hij bijvoorbeeld met een hand voor zijn mond. Moet ik weer zo’n gebaar maken van “hand weg”. Niet fijn. Je wilt anderen niet steeds corrigeren.’

Ook had haar echtgenoot in het begin de neiging harder te gaan praten tegen haar, en heel duidelijk te articuleren. ‘Dat doen mensen vaker als ze met doven praten. Goed bedoeld, maar heel vervelend. Want harde geluiden zijn naar als je een gehoorapparaat draagt, en als mensen overdreven gaan articuleren kun je aan hun lippen niet meer afzien wat ze zeggen.’

Overigens is het voor haar man ook een last dat ze slecht hoort, haast ze zich toe te voegen. ‘Hij kan niet meer zo makkelijk in het voorbijgaan iets tegen me zeggen. Je praat minder makkelijk, alles wordt soberder.’

Ze geeft me een vel waarop hij op haar verzoek wat observaties heeft genoteerd. Zo schrijft hij dat een dove partner ‘een spagaat van gevoelens’ oplevert: enerzijds groot medeleven, anderzijds irritatie over de praktische misverstanden die er het gevolg van zijn. De spontaniteit verdwijnt, een goed gesprek moet echt georganiseerd worden. Nog een schrijnende constatering: dat degene met het gehoorverlies onbelemmerd kan blijven praten, maar dat de gesprekspartner vaak niet goed wordt gehoord. Het gevolg, schrijft haar man, is ‘dat de communicatie minder gevoelvol wordt’.

Er klinkt gerommel in de keuken, er moet iemand binnengekomen zijn. Yvonne Mulder merkt niets. Net als ik overweeg haar erop te attenderen, stapt haar echtgenoot de woonkamer binnen. Ze registreert zijn aanwezigheid pas als ze hem ziet.

Ja, antwoordt ze als ik haar er later naar vraag: ze schrikt vaak van mensen. ‘Ik had me dat eigenlijk niet zo gerealiseerd, maar het gebeurt me inderdaad geregeld. Onlangs nog, toen een kleinkind plotseling voor mijn neus stond. Ik wist dat ze zouden komen, maar ik had hun auto natuurlijk niet gehoord.’

Hè, suf!

Toch heeft ze niet het idee dat ze in huis angstiger is sinds ze slecht hoort. Op straat wél. Ze fietst nog, maar bij iedere hoek stopt ze en stapt ze af. ‘Ik kan niet horen of er een auto achter me zit, en me omdraaien is lastig omdat ik sinds die operatie ook een slecht evenwicht heb.’

Haar man zou om die reden eigenlijk liever zien dat ze niet meer fietste, maar dat gaat haar toch te ver. ‘Ik doe het graag, ik denk dat ik zo meteen ook lekker een eindje ga rijden. Dat heb ik nodig na zo’n ochtend als deze. Ik merk dat ik moe word, ik kan je minder goed volgen. Daarom heb ik me ook aangewend niet meer dan één ontmoeting per dag in te plannen.’

Het is tijd om te gaan. We lopen naar de hal, ik kijk nog even naar de kunstwerken boven de trap en maak er zijdelings een opmerking over. Natuurlijk verstaat Yvonne Mulder die niet, ik sta met mijn rug naar haar toe. Maar ze weet wel dat ik iets heb gezegd en kijkt me vragend aan. Een ongemakkelijk gevoel overvalt me. Dat ik na twee uur praten over doofheid zo onnadenkend voor me uit babbel! De beleefdheid vergt dat ik mijn opmerking herhaal, maar het was iets onnozels; eerlijk gezegd weet ik niet eens meer precies wat ik zei. We hebben net een goed gesprek gehad, maar inderdaad – de spontaniteit in het voorbijgaan verdwijnt.

[/wpgpremiumcontent]