Mensen zijn immers ontworpen om achter konijnen aan te rennen en vuurtjes te stoken. Willen we meer geluksstofjes losmaken in ons brein, dan moeten we fysiek actiever worden.

Goed verhaal, hè? En al is er ook kritiek op – lees maar op pagina 26 – Lamberts theorie staat niet op zichzelf. Het lijkt wel of de psychologie eindelijk het lichaam heeft ontdekt.

Lang werden lichaam en geest beschouwd als twee losse onderdelen uit ons bouwpakket, waarbij de psychologie zich enkel richtte op de geest. Was je angstig of depressief, dan moest je daar sinds Freud over praten. Voor het lichaam moest je aan een ander loket zijn – niet bij de serieuze psychologie.

Dat is aan het veranderen. Tegenwoordig kan je therapeut je zomaar opdragen om te gaan hardlopen als je je neerslachtig voelt. Of, zoals Lambert ­betoogt, om te gaan breien en je eigen brood te bakken. Dat de geest niet losstaat van het lichaam, dat besef begint ruim honderd jaar na Freud eindelijk in te dalen.

Zelf ontdekte ik pas dat ik een lijf had toen ik acht jaar geleden een kind kreeg. Tot dat moment was ik ein Kopfmädchen, zoals een vriend me plagerig noemde; ik voelde me een soort inktvisje, met een enorm hoofd en kleine bungelende pootjes eronder. De oerkracht van de bevalling zette dat rare beeld in één klap recht. Mijn lichaam vertoonde een kracht en een doelgerichtheid waar ik alleen maar sprakeloos naar kon kijken – beter gezegd: er was geen ‘ik’ meer die keek; ik wás dat grommende wezen, dat zogende moederdier, met die warme buik en die zachte handen.

Het kostte me bijna dertig jaar om één te worden met mijn lichaam. Dertig jaar – dat vond ik zelf behoorlijk lang, om zoiets basaals te ontdekken. Maar de psychologie heeft er een heel stuk langer over gedaan.