Zomer 1960

Mijn vader trekt een streep in het zand, vlak voor mijn voeten. Een meter of tien terug wacht mijn vijf jaar oudere zus achter zo’n zelfde streep. Daar weer achter, als briesende paarden, mijn twee grote broers, respectievelijk tien en negen jaar ouder dan ik. Ze staan vlak bij elkaar, ook achter hun eigen streep.
De Noordzee ruist, de zon schijnt.
Breed lachend sprint mijn vader met z’n sterke sportieve kuiten bij ons weg.
Hij maakt een finishlijn.
Zijn arm gaat de lucht in. ‘Een…twee…DRIE!’ roept hij. De arm zwiept omlaag.

Training

Rust in je hoofd

  • Wees vriendelijk voor jezelf
  • Vind meer innerlijke rust
  • Inclusief dagboek-app
bekijk de training
Nu maar
€ 67,50

Zes kinderen, waarvan ik de vierde ben.

Drie broers, twee zussen. Een moeder die na elke zwangerschap hoopte dat ze ‘het lek boven water zou krijgen’, dat dit de laatste zou zijn. De twee oudsten schelen vijftien maanden, maar tussen de volgende vier zit steeds ongeveer vijf jaar. Het lek openbaarde zich dus in een tamelijk evenwichtig patroon. De eerste twee zoons werden respectievelijk in en vlak na de oorlog geboren. De volgende was een dochter, in 1950. Het tij zat inmiddels mee. Er werd een mooie luxe kinderwagen aangeschaft. Daarna kwam ik, gevolgd door nog een zus en nog een broer. Tussen de oudste en de jongste zat maar liefst twintig jaar. In die tijd was een gezin van die omvang al uitzonderlijk. Voorbehoedsmiddelen raakten geleidelijk in zwang, maar daar werd door mijn ouders weinig of geen gebruik van gemaakt.
‘Je vader had er wel tien gewild.’

Mijn moeder noemde mij liefkozend ‘een kleine zelfstandige’.

Waarschijnlijk gaf ik nauwelijks problemen. Ik ruimde ongevraagd mijn kamer op, gaf weinig heisa aan tafel, deed het goed op school, was gehoorzaam.
En lief.
Dat laatste zal vast en zeker ook weleens tegen me gezegd zijn: ‘Je bent lief.’ Lief zijn werd een doel op zich. Als je je moeder maar geen overlast bezorgde, want die had het druk en voelde zich beknot, werd aan huis gekluisterd door haar kroost, zag andere vrouwen zich maatschappelijk ontplooien en scheurde ooit uit pure drift over de uithuizigheid van mijn maatschappelijk succesvolle vader haar huishoudschort in tweeën. Wie heeft er trouwens tegenwoordig nog een huishoudschort?
‘Ik ben de liefste, hè mama?’ vroeg ik te pas en te onpas. Tot hilariteit maar ook ergernis van mijn broers en zussen. Ik was ervan overtuigd dat mijn grootste kwaliteit lag in het lief zijn, en hield stug vast aan die zelfbenoemde ereplaats in de rangorde der lieven. Zo onderscheidde ik me van al die ouderlijke aandacht opeisende concurrentie.
Het is dodelijk vermoeiend om altijd lief te willen zijn. Vooral als er een eerzuchtige, pinnige, ambitieuze controlefreak in je schuilt.

Ik gil al meteen na de start.

Ik ren, maar voel de onmacht in mijn beentjes. Vijf meter voor de finish laat ik me verzenuwd schaterlachend in het zand vallen. Mijn zus heeft me dan al ingehaald, en de twee broers werpen zich grommend zij aan zij over de finish.

De snelste ben ik niet.
Maar wel de liefste.
Ja toch, mama?

Martine Soeters-Wassenaar

Lees hier ook de andere vijf familieverhalen:

  1. Broers
  2. Vierde
  3. Anders
  4. Een gever
  5. Kruisraketten en mediteren
  6. Dire Straits-gezin