Ergens rond mijn 24ste besefte ik: tot nog toe heb ik eigenlijk zo’n beetje alles in mijn leven gedaan om mijn moeder een plezier te doen. Goede cijfers halen op school, een taal studeren in de stad die zij voor me uitkoos. Haar altijd alles vertellen wat ze wilde horen en zorgvuldig verzwijgen wat ze niet wilde weten. Niets van haar verwachten wat ze niet kon geven, zoals troost, knuffels of begrip. De kritiek en wrede opmerkingen die ze naar mijn hoofd slingerde stoïcijns verdragen. En vooral: mijn eigen gevoelens onderdrukken en de hare angstvallig in de gaten houden.

Ontvang psychologische inzichten over opvoeden in je inbox

Elke donderdag op de hoogte blijven van deskundige, toegankelijke inzichten voor het dagelijks leven? Psychologie Magazine helpt je verder.

Ja, ik ontvang graag de nieuwsbrief

Want ze gedroeg zich wel stoer, maar wij kinderen wisten beter. Ze was een gespannen kettingrookster en vaak uit haar humeur; vermoedelijk zou ze nu gediagnosticeerd worden als depressief. Ze had in de oorlog in een jappenkamp gezeten en was daar op haar 16de haar moeder verloren, onder barre omstandigheden. Ze moest dus eindeloos ontzien worden.

Weet je wat, dacht ik als jongvolwassene, vanaf nu ga ik alleen nog maar doen wat ik zelf wil. Maar wat wilde ik eigenlijk? Ik kon niets anders verzinnen dan het tegenovergestelde van wat mijn moeder mij openlijk en non-verbaal had opgedragen.

Log in om verder te lezen.

Meer lezen over parentificatie?
Marinka Kamphuis, Te vroeg volwassen. Over parentificatie, Boom uitgevers, € 24,95