Zo valt het me op dat ik, steeds wanneer ik rondloop met mijn kind in de draagdoek, ontroerde blikken kruis. Mensen glimlachen dromerig naar me voor ze de ogen neerslaan. Een vrouw in de supermarkt haalt haar telefoon tevoorschijn om ons te fotograferen. Een boomlange getatoeëerde man steekt een knuist vol zegelringen uit en strijkt zomaar over haar wang, de pandemie vergetend. Er wordt veel getut en ge-ochguttegut. Ik speel netjes mee: ja, mooi is ze, hè, en nog zo klein, ja, toch zoveel haar al. Intussen heb ik gewoon haast of een rothumeur of verdriet. Dat maakt allemaal niet uit, men glimlacht desondanks vertederd naar de jonge moeder en houdt me staande voor een praatje.

Column Bregje Hofstede: Knuffel

Mijn kindje heeft het gezicht van haar verzorgsters op de crèche nog nooit gezien. Ze dragen perman...

Lees verder

Aanvankelijk bevreemdt die aandacht me. Al die opmerkingen en lachjes zijn niet voor mij, maar voor mijn baby. En eigenlijk niet voor míjn baby, maar voor de baby’s uit de herinnering van de vrouwen en mannen die naar me glimlachen, of die uit de fantasie van de jonge geliefden die giechelend naar ons kijken van tussen de rugleuningen in de trein.

Zo is het dus om als ‘categorie’ door het leven te gaan, denk ik dan: je bent heel zichtbaar en onzichtbaar tegelijk.
’s Middags loop ik door het park. Het weer is mild, en er zit een groepje mannen op een bankje aan de waterkant. Een van hen trommelt met een stokje op halfliterblikken bier. De flessen aan hun voeten zijn leeg, jong zijn ze niet meer.

Als ik dichterbij kom, zie ik vier paar ogen op me gericht, een beetje onvast; het gelach en geroep verstommen. Ik zet me alvast schrap, want ik ken dit type dronkenman. Alles wat doorgaans netjes binnen blijft, gutst mee naar buiten: afgunst, verlangen, zin in gedoe. Geen jonge vrouw kan ongestoord voorbij. Onwillekeurig strijk ik over de rug van mijn kindje in de draagdoek, en laat mijn vingertoppen over de bolle kuitjes glijden die naar buiten steken. Tussen sok en broek is een stukje babyhuid bloot. Ze slaapt en ik houd me zachtjes aan haar vast, draag haar als een schild.

‘Mooi popje,’ roept een van de mannen, maar niet naar mij. ‘Hoe oud is hij?’ vraagt iemand.
‘Zij,’ zeg ik, meteen ontwapend. ‘Zes maanden.’
‘Felicitaties, hoor,’ zeggen ze, en: ‘Dag juffrouw.’
Ik had ze verkeerd ingeschat. Eigenlijk had ik ze helemaal niet gezien.