‘SammiiY’ noemt ze zich op internet. Ze is 14, houdt van hiphop en laat op haar eigen profielsite foto’s zien van tritsen vrienden. Maar ze is niet te beroerd om op de site van Villa Achterwerk advies te geven aan medepuber Janet, die aangeeft te tobben met impopulariteit.

‘Hoe je populair kunt worden moet je veel voor doen’, zo begint SammiiY haar goede raad. Volgt een stortvloed aan tips: ‘Als begin; Make-up (altijd mascara!). Je haar moet altijd in model zitten. En je moet met de mode meelopen en overal jezelf bij ­betrekken. En tegen onpopulaire meisjes hoor je arrogant tegen te doen. Om populair te worden zijn er ook minpunten die je moet gebruiken, om stoer te doen; Roken, blowen, piercing’s in je gezicht zoals; Onder je lip, neus, wenkbrauw zijn heel erg populair! Veel succes!’

Of impopulaire Janet blij was met dit advies, vermeldt de Villa Achterwerk-site niet. Maar de kans lijkt klein. Waarschijnlijk herkennen de Janets van deze wereld in SammiiY’s gedragsaanwijzingen vooral hun eigen kwelgeesten. Maar al wrijft SammiiY voornamelijk zout in Janets wonden, het is geen ­onzin wat ze zegt. Integendeel. De manier waarop ze het gedrag van populaire pubers omschrijft, is in al haar onbeholpenheid verrassend raak.

Want populaire pubers, zo luidt sinds kort de consensus in de wetenschap, zíjn geen lieverdjes. Ze vertonen naast onmiskenbaar positieve kenmerken – goede sociale vaardigheden, een aantrekkelijk uiterlijk, sportieve talenten – ook een aantal ronduit negatieve trekjes. Zo kunnen ze manipulatief en agressief zijn en neigen ze naar normoverschrijdend gedrag als roken, drinken, drugsgebruik en kleine criminaliteit.

Bovendien zijn die positieve en die negatieve kenmerken een package deal. Anders gesteld: je kunt nog zo sociaal vaardig, sportief en goed ogend zijn, als je je nooit eens onaardig gedraagt, is het onwaarschijnlijk dat je ooit populair zult zijn. Dan ben je namelijk gewoon likeable – vrij vertaald: geliefd. Want in de psychologie gelden die dingen tegenwoordig als twee verschillende fenomenen.

Geliefd of populair?

Tot ongeveer een decennium geleden onderscheidden wetenschappers maar één vorm van ‘goed liggen binnen de groep’: de sociometrische populariteit. Deze werd gemeten door alle leden van een groep vragen voor te leggen in de trant van ‘wie vind jij aardig binnen deze groep?’ of ‘hoe leuk vind je het om met dit kind te spelen?’ Op die manier viel te berekenen wie het meest vriendelijk, behulpzaam, betrouwbaar enzovoorts werden gevonden.

Maar vooral ook: voor wie dat niet gold. Want met name naar die laatste groepsleden ging lang de aandacht uit. De kinderen waar andere kinderen met een boog omheen lopen en over wie volwassenen zich zorgen maken. Omdat ze stil en teruggetrokken zijn, of juist een bron van onrust; maar in alle gevallen omdat ze de vaardigheid missen om aan te voelen wanneer ze met welk gedrag het verst komen. Wat veroorzaakt precies die lage status, was de vraag, en wat houdt hem in stand?

Eind twintigste eeuw verlegde een aantal onderzoekers hun aandacht echter van deze probleem­gevallen naar de scholieren met wie op het eerste gezicht alles kits is. Zoals psychologen elders in het veld toen gingen uitzoeken wat mensen gelukkig maakt, in plaats van te focussen op stoornissen, zo besloten deze psychologen eens te achterhalen wat maakt dat sommige kinderen juist volop meetellen.

En daarbij deden ze een opvallende ontdekking: sommige kinderen bezitten een hoge status zónder sociometrisch populair te zijn. Behalve de algemeen als aangenaam ervaren ‘hogestatuskinderen’ van hierboven – de geliefde groep dus – bleek elke klas namelijk ook een aantal kinderen te herbergen die sociometrisch gezien ergens in het midden blijven steken, maar tóch beeldbepalend zijn. U kent ze wel: de scholieren die bepalen wat ‘in’ is en wat ‘uit’ en op wie de ogen zich richten als over het lot van de minkukels in de groep beslist moet worden.

De naam van deze kinderen werd lang niet altijd genoemd bij de vraag ‘wie vind jij aardig binnen deze groep’. Minstens zo vaak werden ze juist genoemd bij de vraag wie ónaardig was. Maar er was één soort vraag waarop hun naam steevast wél werd genoemd: ‘Wie is er populair binnen deze groep?’ Want daarover waren de meeste groepsleden het in hun geval wél eens, ook de leden die zelf weinig van deze kinderen moesten weten. En zo werd het concept ‘perceived popularity’ geboren: waargenomen populariteit.

Vechten en roddelen

‘Het gaat om de dominante kinderen,’ zegt de Groningse socioloog Jan Kornelis Dijkstra over deze intrigerende categorie. ‘Vergelijk ze met de alfamannetjes op de apenrots. Het kan best zijn dat jij die persoonlijk niet mag, maar je wilt beslist niet op slechte voet met ze verkeren. Want ze kúnnen heel aardig zijn, maar je beseft donders goed dat ze ook héél onaangenaam kunnen worden. Het komt er eigenlijk op neer dat deze kinderen perfect weten te balanceren tussen positief en negatief gedrag.’

Dijkstra promoveerde eind vorig jaar op een onderzoek naar de relatie tussen enerzijds het pro- en antisociaal gedrag van jongeren en anderzijds hun status. Daarvoor onderzocht hij leerlingen uit de eerste en de tweede klas van de middelbare school. Wat hem opviel, was dat populaire pubers hun status vaak ontlenen aan antisociaal gedrag. Ze kunnen bijvoorbeeld behoorlijk agressief doen. ‘Voor de jongens gaat het dan vooral om fysiek geweld, voor de meisjes om relatio­neel geweld – geroddel dus. En die agressie richt zich met name tegen seksegenoten.’

Waarmee meteen duidelijk wordt waarom perceived popularity zo’n ambivalent karakter heeft. Net als geliefde kinderen zijn populaire kinderen bovengemiddeld mooi, sportief en sociaal vaardig, maar ze voegen er bij vlagen nét dat trekje aan toe waardoor anderen ze minder gaan mogen. ‘Dat geldt dan wel ook met name voor de eigen seksegenoten,’ stelt Dijkstra. ‘Jongens vinden een meisje dat andere meisjes afbekt bijvoorbeeld vaak nog wel leuk, maar meisjes onderling waarderen toch vooral vriendelijkheid. En andersom: jongens die pesten zijn onder andere jongens niet geliefd, maar bij de meisjes vaak weer wél.’

Maar, zegt Dijkstra nadrukkelijk: ‘Het inzetten van agressie máákt een kind niet populair. Pas als een kind een hoge status heeft, kan het zich geweld permitteren. Het wordt dan ingezet om die status te beschermen tegenover rivalen.’

Wat meteen verheldert waarom populaire kinderen doorgaans juist níét bevriend zijn met elkaar. Dijkstra: ‘Ze kiezen liever vrienden die net iets minder aantrekkelijk en goed in sport zijn dan zijzelf. Alsof ze hun eigen superioriteit nog eens willen benadrukken.’

Fysiek vroegrijp

Behalve door hun agressie vielen de populaire pubers uit Dijkstra’s onderzoek ook op doordat ze vaker normoverschrijdend gedrag vertonen: drinken, drugs­gebruik, kleine criminaliteit… De socioloog denkt dat dat te maken heeft met het feit dat het vooral vroegrijpe jongeren zijn die de status van perceived popular weten te verwerven. ‘Wie mooi is, heeft een grote voorsprong, en op deze leeftijd valt “mooi” vaak samen met lichamelijke rijpheid. Meisjes die al vroeg vrouwelijke vormen vertonen en jongens die als eerste over mannelijke kracht beschikken, hebben onder hun leeftijdsgenoten een enorme streep voor. Dat apenrotseffect, hè.’

Maar, vervolgt hij: vroegrijpe kinderen lijden meer dan relatief ‘trage’ kinderen onder de maturity gap, de kloof tussen biologische en sociale volwassenheid. Ze vinden zelf dat ze al ‘groot’ zijn, maar hun ouders en de school behandelen ze nog als brugpiepers. Geen wonder dat ze zich graag ‘volwassen’ gedrag als roken, drinken en kleincrimineel geklooi aanmeten.

Het treurige is, zegt Dijkstra, dat jongeren die niet populair zijn maar dat wél willen worden, juist dit vervelende gedrag kunnen gaan imiteren. ‘De positieve kenmerken van een populair kind kunnen ze immers niet zomaar nadoen: er leuk uitzien en goed zijn in sport is voor een groot deel gewoon een kwestie van aanleg. Maar anderen vernederen en fietsen vernielen is makkelijk na te doen. Helaas schieten die jongeren daarmee zichzelf in de voet. Het maakt ze niet populair én het maakt ze niet geliefd.’

Op de basisschool

Terug naar de kinderen die wél een hoge status genieten. Wat bepaalt nu dat het ene aantrekkelijke, sportieve en sociaal vaardige kind ‘gewoon’ geliefd wordt en het andere zich tot de koning(in) van de klas ontwikkelt? Een lastige vraag, waar de onderzoekers nog niet uit zijn. Maar in ieder geval is het voor Antonius Cillessen, een van de voortrekkers op het gebied van het populariteitsonderzoek, duidelijk dat ook ‘gewoon’ geliefde kinderen op een gegeven moment het akelige gedrag kunnen gaan vertonen dat bij perceived popularity hoort – als hun status maar hoog genoeg wordt. ‘Macht corrumpeert,’ zo vatte de Nederlands-Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog het twee jaar geleden samen in zijn artikel ‘Likeable versus popular’.

Dat is ook precies wat Henderien Steenbeek waarnam toen zij een aantal basisschoolklassen onder de loep nam. Voor haar promotieonderzoek vroeg de Groningse ontwikkelingspsychologe aan kinderen uit groep drie (zes en zeven jaar oud dus) om van al hun klasgenootjes aan te geven hoe leuk ze het vonden om met hem of haar te spelen. Vervolgens liet ze telkens twee kinderen met een verschillende status tien minuten samen spelen. De uitkomsten waren verrassend: het waren namelijk niet de kinderen die iedereen leuk vond, maar juist de kinderen met een lage status die tijdens deze tien minuten het meest op samenspel gericht bleken en het vaakst glimlachten – kortom, die zich het meest likeable gedroegen.

‘Ik herinner me goed de videobeelden van twee meisjes van wie het “leuke” kind meteen al het speelgoed naar zich toetrok,’ vertelt Steenbeek. ‘Dat andere meisje deed van alles om mee te mogen doen, maar werd pas na zes minuten toegelaten in het spel.’

Voor alle duidelijkheid: Steenbeek mat de ‘klassieke’, sociometrische populariteit van haar proefpersoontjes – dus niet hun waargenomen populariteit. ‘In groep drie begint het denken in termen van “wie ligt er goed binnen de groep” net een beetje op gang te komen,’ licht ze toe. ‘Pas in de loop van de basisschool wordt dat echt ontwikkeld.’

Toch beseffen kinderen kennelijk ook op jonge leeftijd vaak al dat geliefd zijn een zekere macht geeft – en schromen lang niet alle geliefde kinderen om die macht ook in te zetten. ‘Ze kunnen zich de houding permitteren van: ik doe nu dít, jij kunt meedoen,’ concludeert Steenbeek. ‘Zeker wanneer ze, zoals in dit onderzoek, te maken hebben met een kind dat minder status heeft. Want zodra ze met andere hogestatuskinderen spelen, gedragen ze zich weer heel anders. Maar het is in ieder geval duidelijk níét zo dat hogestatuskinderen per definitie aardig zijn. Ze hebben een breder gedragsrepertoire, laten we het zo zeggen. Ze weten heel goed wanneer ze hun sociale vaardigheden moeten inzetten én wanneer ze een ander domweg kunnen negeren.’

Depressieve meisjes

Blijft de vraag wat Villa Achterwerk-Janet kan doen om haar status op te krikken. ‘Stoppen met glimlachen is in ieder geval geen strategie,’ zegt Henderien Steenbeek. ‘Dat kan alleen een kind zich veroorloven dat geen moeite hoeft te doen voor contacten.’

En ook agressie is bepaald geen recept voor populariteit, zoals Jan Kornelis Dijkstra al aangaf. Maar, zegt hij, Janet zou zich ook eens kunnen afvragen of ze wel echt naar populariteit moet streven. ‘Dat is namelijk ook een angstig bezit. Het is wat men wel een “positioneel goed” noemt: per definitie slechts weggelegd voor een beperkt clubje. Terwijl heel veel kinderen geliefd kunnen zijn, kan maar zo’n tien procent van de groep ook de dominante status verwerven. Daar wordt dus om gevochten, en dat brengt veel kopzorgen met zich mee.’

Bovendien worden meisjes niet per se gelukkiger van populair-zijn, ontdekte Antonius Cillessen. Ondanks hun hoge status zijn ze juist verrassend vaak depressief. De reden: ze hebben minder intieme banden met seksegenoten dan geliefde meisjes. ‘Investeer dus liever in goede relaties met leeftijdsgenoten,’ adviseert Dijkstra. ‘Anders dan populariteit kunnen die immers een leven lang mee gaan.’

En het fijne is: voor goede relaties hoef je alleen maar vriendelijk, toegankelijk en betrokken te zijn. Dát kan iedereen.

 [/wpgpremiumcontent]