Vorige zomer vloog ik in een propellervliegtuigje van Washington naar New York. Na het opstijgen maakte het vliegtuig een vrije val waarbij ik tien centimeter boven mijn stoel zweefde. Slingerend van luchtzak naar luchtzak leerde ik wat vliegangst is. Ook al sprak ik mezelf continu moed in: turbulentie is een comfortprobleem, geen veiligheidsprobleem.

Een vliegtuig is na de lift het veiligste transportmiddel. De kans om een vliegtuigongeluk mee te maken is één op vier miljoen. De kans om daarbij om het leven te komen is nog vele malen kleiner. Uit onafhankelijk Amerikaans onderzoek blijkt dat zelfs bij een ernstig ongeluk in 96 procent van de gevallen de passagiers ongedeerd naar buiten wandelen. Vliegtuigen waren al veilig, maar sinds de jaren tachtig is extra aandacht besteed aan veiligheid aan boord. Dat betekent dat je na een (eventuele!) crash niet bekneld raakt in je stoel, dat de bagagerekken niet openschieten, er brandwerende en niet-giftige materialen worden gebruikt, en dat ook als het cabinepersoneel buiten westen is, een leek de nooduitgang kan vinden en openen.

Controledwang of claustrofobie?

Maar hoe komt het dat mensen zó bang voor vliegen kunnen zijn als het zó veilig is? ‘Niemand wordt met vliegangst geboren,’ zegt luchtvaartpsycholoog Lucas van

Log in om verder te lezen.