‘Ik wil profiler worden.’ Corine de Ruiter (46) hoort het regelmatig van haar studenten. Ze kennen het beroep van tv, waar het tegenwoordig wemelt van de psychologen die zich in ontspoorde geesten verdiepen om een misdaad op te lossen. Mooie vrouwen doorgaans, met blonde manen en een scherp brein.

De Ruiter – rank, blond, scherp – moest het in haar tijd zonder zulke glamoureuze voorbeelden stellen. En ook de bijbehorende opleiding ontbrak toen zij naar de universiteit ging. Maar ze had ook iets heel anders in haar hoofd toen ze in 1979 voor de psychologie koos. Lekker exact bezig zijn, de mechaniekjes in ons brein bestuderen – dát trok haar. Maar ja, als je iemand onderzoekt die niet meer kan praten, merk je al snel dat je te maken hebt met meer dan een mechanisch defect alleen. Zo iemand is vaak depressief en dáár wilde ze ook bij kunnen helpen. Op die manier belandde De Ruiter uiteindelijk bij de klinische psychologie. In 1989 promoveerde ze op paniekstoornissen en vervolgens deed ze allerlei onderzoek op dat gebied. Niet het sexy werk waar Clarice Starling-fans van dromen.

Toch werd De Ruiter acht jaar geleden hoogleraar forensische psychologie. Een van Nederlands meest bekende bovendien. Ze treedt zo’

n vijftien keer per jaar op als getuige-deskundige in geruchtmakende rechtszaken: onlangs bijvoorbeeld nog in de zaak rond de dood van de achtjarige Jesse uit Hoogerheide. En vorig jaar verscheen ze voor de parlementaire-onderzoekscommissie die het tbs-stelsel onderzocht. Bij die gelegenheid liet ze zich zeer kritisch uit over de manier waarop tbs-klinieken te werk gaan. Onwetenschappelijk, veel te sterk op de individuele patiënt gericht, luidde haar oordeel.

Kortom: Corine de Ruiter gáát voor de forensische psychologie. Maar dan niet op de Clarice Starling-manier. De romantiek van het zieke brein heeft ­weinig vat op haar, de jacht op Hannibal Lecter zou haar pakkie-an niet zijn. Wél de vraag of een gevangen Hannibal de juiste diagnose en de meest optimale behandeling krijgt. En of men hem niet met proefverlof stuurt zonder eerst uitgebreid zijn recidive­risico te scoren. Want, zo is haar diepe overtuiging: ook, juist in de omgang met extreem gestoorde persoonlijkheden moeten we de wetenschap niet uit het oog verliezen.

Fascinerend

‘Halverwege de jaren negentig kreeg ik een baan aangeboden als hoofd onderzoek bij een tbs-kliniek,’ vertelt de hoogleraar. ‘De Van der Hoevenkliniek wilde meer onderzoek doen naar de manier waarop behandelingen werden toegewezen en naar het effect ervan. Dat trok me, want ik verbaasde me er al langer over dat er in de therapeutische wereld vaak werd behandeld zonder dat eerst goed gekeken was naar wat de cliënt precies had.’

Zeven jaar lang werkte De Ruiter bij deze kliniek. En al was haar directe contact met de tbs-gestelden er beperkt – ze deed alleen diagnostisch onderzoek –, het forensisch bedrijf kreeg haar gaandeweg in de greep. ‘Ik ben het fascinerend gaan vinden, de vraag hoe mensen tot zulke ernstige misdaden komen. En hoe je ze weer op een ander spoor krijgt.’

Maar bovenal zag ze vrij snel dat ze een missie te vervullen had binnen haar nieuwe werkomgeving. Niet alleen op het ­gebied van indicatiestelling en behandeleffect, ook als het ging om risicotaxaties. ‘Ik werkte er koud drie maanden toen ik een vergadering bijwoonde over een tbs’er met wie het niet goed ging,’ vertelt ze. ‘En het idee was: laat hem maar een baantje buiten de kliniek zoeken. Dat had bij een andere patiënt namelijk ook goed uitgepakt. Vervolgens ging het erover wat de risico’s daarvan waren, want daar moesten ze natuurlijk ook even aandacht aan besteden. Nou, het enige gevaar wat ze zagen was dat die man opnieuw een inbraak zou plegen. Hij had tbs gekregen wegens verkrachting, maar dat zagen ze niet zomaar weer gebeuren, dus dat was acceptabel. Ik zat erbij en zei: ik volg dit even niet. Is een inbraak óók niet heel vervelend voor het slachtoffer? Maar goed, de man werd met iemand van de kliniek op de fiets naar het uitzendbureau gestuurd. En op weg daarheen is hij ’m gepeerd. Vervolgens is hij naar iemand toe gegaan die hij vaag kende en heeft haar beroofd, verkracht en vermoord.’

Risicotaxatie

Dat moet anders, dacht De Ruiter na deze schokkende ervaring: geen risico-inschatting waarbij vooral de intuïtie van de behandelaars gevolgd wordt, maar een objectieve manier om te bepalen of iemand weer veilig naar buiten kan. Ze ging op zoek en ontdekte dat er in Canada en de vs al een hele traditie was van wetenschappelijk onderbouwde risicotaxaties. Waaronder de hcr-20, die de kans op geweldsdelicten vaststelt. Op vlakke toon: ‘Als de kliniek dat instrument in 1995 al had gebruikt, was deze jongen nooit naar buiten gelaten. Hij was psychopathisch, drugsverslaafd, heel impulsief en intimiderend – allemaal kenmerken waarvan bekend is: die verhogen het ­risico enorm.’

Dus introduceerde ze de hcr-20 in haar tbs-kliniek, waarmee de Van der Hoeven de eerste instelling in Nederland werd die tbs’ers consequent langs de meetlat legde voor ze met verlof mochten. ‘Samen met de Pompekliniek dan,’ vult De Ruiter aan. ‘Die bleken er ook net mee bezig. Toen zijn we dus gaan samenwerken.’

Voor zover ze weet doen beide klinieken de risico­taxaties nog steeds mooi volgens het boekje. Maar ze vermoedt dat andere instellingen er makkelijker mee omspringen. ‘Terwijl je toch ziet dat het in alle gevallen van recidiverende tbs’ers die de laatste tijd de media haalden, om mensen ging die volgens de hcr-20 een torenhoog risico hadden.’

Boterbloemen

Iets minder compassie voor de individuele tbs’er, iets meer oog voor de wetenschappelijke feiten, dat is dus wat De Ruiter bepleit. ‘Ja, dat kan heel lullig zijn,’ geeft ze toe, ‘als de behandelaar vindt dat het beter gaat met iemand terwijl de hcr-scores aan­geven: deze persoon kan nog niet op verlof. Maar de statistieken tonen nu eenmaal aan dat het verleden bij mensen met een enorme geweldsgeschiedenis grote voorspellende waarde heeft. Bij zo iemand kun je je echt niet alleen laten leiden door de toestand van dat moment. Maar dat is wel waar mensen die dicht op de patiënt zitten, toe neigen. Behandelaars laten zich vaak leiden door hun gevoelens voor die patiënt. Er wordt nog te veel vertrouwd op de klinische blik. En dan kun je de plank dus volledig misslaan.’

Maar begrijp De Ruiter niet verkeerd, ze behoort zeker niet tot de school van opsluiten en de sleutel weggooien. ‘Ik heb hierover ooit eens een hele discussie gehad met lpf’er Joost Eerdmans, die wél voor die aanpak was. Ik zei tegen hem: zou je er ook zo over denken als jouw eigen zoon een psychose kreeg en iemand vermoordde? Vind je dan ook dat hij nooit meer een fietstochtje mag maken als de boterbloemen bloeien? Dat is niet humaan. We moeten die mensen een kans blijven bieden, we moeten investeren in behandeling.’

En dat, vindt ze, wordt in Nederland te weinig gedaan. ‘Je ziet nu regelmatig dat zedendelinquenten of tbs’ers met psychotische stoornissen op de longstay worden geplaatst – oftewel onbehandelbaar worden verklaard – terwijl de nieuwste therapievormen of medicamenten nog niet op ze zijn uitgeprobeerd. Zoiets zou niet moeten kunnen. Maar in de tbs-klinieken is te weinig aandacht voor onderzoek, voor de laatste ontwikkelingen. Wat dat betreft loopt de forensische psychiatrie decennia achter bij de algemene psychiatrie.’

Daderprofiel

Maar ook in de juridische wereld moet de omgang met tbs’ers nodig geprofessionaliseerd worden, vindt De Ruiter. ‘In de rechterlijke colleges die over tbs’ers beslissen, zitten in Nederland geen gedragswetenschappers. Terwijl die de goede vragen kunnen stellen aan de deskundigen van de klinieken. Heeft deze patiënt wel de nieuwste medicijnen gehad? Is deze meneer wel echt uitbehandeld? Dat kun je niet alleen aan juristen overlaten.’

Vandaar ook dat ze momenteel bezig is met het opstarten van een nieuwe studie aan de Maastrichtse universiteit: de master Forensic Psychology. Het ­ministerie van Onderwijs moet zijn toestemming nog geven, maar De Ruiter heeft er alle vertrouwen in. Studenten genoeg immers die die kant op willen. En al onderschrijft niet iedereen in ‘het veld’ De Ruiters analyse dat de boel een stuk professioneler moet, ook uit die wereld heeft ze al de nodige bijval gekregen. ‘Iedereen zit er immers met dezelfde problemen: het personeelsverloop is hoog, de mensen die instromen zijn jong en onervaren, maar krijgen er meteen te maken met een heel moeilijke populatie. Dus er is grote behoefte aan mensen die al een risicotaxatie kunnen doen, die al iets weten over daderprofielen en welke vormen van behandeling werken bij bepaalde typen geweld.’

Probleemgezinnen

Maar je kunt de behandeling nog zo perfectioneren, tbs’ers helemaal terug op het goede spoor krijgen blijft een enorm gevecht. Daarom heeft De Ruiter haar aandacht de afgelopen jaren deels verlegd naar preventie. ‘Heel veel tbs’ers hadden als kind al problemen. Op hun derde waren ze al extreem lastig, op hun zesde kon hun moeder ze niet meer aan. Hun dossiers staan vol met dingen waardoor je denkt: was dat kind maar veel eerder geholpen. Wie weet was hij dan niet zo ontspoord.’

Natuurlijk, geeft ze toe, er is de afgelopen decennia al het nodige veranderd. We weten veel meer over leer- en ontwikkelingsstoornissen; kinderen met gedragsproblemen worden sneller herkend. Maar dan nog. ‘Een vriendin van mij heeft een zoontje met adhd. Een heel moeilijk kind. Wat zij eind jaren negentig niet moest doen om hulp te krijgen! Terwijl ze nota bene zelf psychologe is, hoogopgeleid en mondig. Dus ik vermoed dat er nog heel wat diagnoses gemist worden.’

Beter kijken en vroeger ingrijpen, is dus haar devies. En: meer steun aan de ouders geven. Want als je die niet helpt bij de opvoeding, komt zo’n gezin al snel in een negatieve spiraal terecht. En dus importeerde ze uit de vs een succesvolle therapie voor ouders van kinderen met ernstige gedragsproblemen: de Parent Management Training Oregon. Maart vorig jaar gingen de eerste therapeuten aan de slag, soms bij probleemgezinnen thuis, om de ouders in hun eigen omgeving opvoedvaardigheden bij te brengen. ‘Zo hopen we te voorkomen dat mensen uit onmacht hun kind gaan mishandelen. Ook omdat dat een kind zo kan beschadigen dat het straks zíjn kinderen weer van alles aandoet. Die intergenerationele processen wil je doorbreken.’

Inderdaad, Corine de Ruiter heeft het druk. ‘Ik werk misschien zestig uur per week. Maar dit werk is mijn passie! Ik zie zoveel dingen die beter kunnen, en als onderzoeker kan ik daaraan bijdragen. Niet door me met individuele mensen bezig te houden, maar door te bedenken hoe je het systeem als geheel kunt verbeteren.’[/wpgpremiumcontent]