We zitten in de spreekkamer en op zijn schoot ligt het over hem opgestelde psychologisch rapport. Hij heeft het net uitgelezen.

Inge Schilperoord: ‘Ben ik wel zo anders dan de mensen die ik behandel in de gevangenis?’

Waarom gaat de een het foute pad op en de ander niet? Deze vraag fascineert forensisch psycholoog In...

Lees verder

‘Wat denk jij?’ vraag ik. Vaak vind ik deze vraag een zwaktebod, maar niet bij hem. Deze 28-jarige jongeman, een beroepsoplichter, leeft altijd helemaal op als hij over zichzelf kan nadenken.

En dat kan hij voortreffelijk. Hij heeft geen schoolopleiding afgerond, maar zijn IQ-score zit op vwo-niveau. Soms is het zelfs net alsof hij mijn medeonderzoeker is met zijn eigen psyche als observatiemateriaal.

Hij gaat geen onderwerp uit de weg. Achteroverleunend, met zijn benen uitgestrekt, praat hij ogenschijnlijk ontspannen over zaken die andere gevangenen meestal liever vermijden: spijt, schuld, empathie voor slachtoffers.

De meesten zijn snel bang iets ‘verkeerds’ te zeggen. Voor je het weet denkt de rechter dat je hard bent. Of onverschillig. Hij niet. ‘Ik ga me niet anders of beter voordoen. Ik ben wie ik ben.’

Coachfinder

Vind een betrouwbare coach via Coachfinder

Coaching is een belangrijke stap in zelfontwikkeling. Maar de juiste coach vinden blijkt nog niet zo eenvoudig. Coachfinder helpt je in je zoektocht naar een coach die bij je past.

Vind je ideale coach

Nu zit hij met de achterkant van zijn pen afwisselend tegen zijn voortanden en op het rapport te tikken. Ondertussen staart hij peinzend naar buiten. Alsof daar achter die gepantserde glasplaat zijn antwoord voorbijtrekt. Misschien vliegt daar zelfs wel een mooi geweten rond. Dan kon hij dat vangen en het innerlijke mechaniek ervan bestuderen.

Na een bedachtzame stilte weet hij het. ’Ik heb wel een geweten, maar het is niet heel. Het is een uhm… soort half geweten.’ Aan de hand van de psychologische concepten empathie en inlevingsvermogen, die we eerder hebben besproken, begint hij het uit te leggen.

‘Na ons laatste gesprek heb ik nagedacht over jouw vraag hoe ik denk dat mijn slachtoffers zich voelen.’ Even glijdt zijn blik mijn kant op, dan weer naar buiten. ‘Ik heb het geprobeerd. Het te zien, te voelen. Maar het blijft vaag; het doet me gewoon niet zoveel.’ Hetzelfde heeft hij bij mensen die hij wel kent. ‘Ik jank alleen om mezelf.’

Dit soort uitspraken blijven me verbijsteren. Al lees ik nog zoveel over spiegelneuronen, hechting, trauma en inlevingsvermogen, het leert me niets over hoe zoiets voelt. Om niet te voelen. Volgens hem leeft hij weliswaar achter tralies, maar voelt hij zich vrij.

Een paar maanden later denk ik opeens weer aan hem. In de tram, die door de binnenstad rijdt, zit ik te piekeren. Over anderen. Bel ik mijn zieke vriendin wel genoeg? Hoe gaat het met mijn eenzame oudoom? En waarom gaf ik die zwerver op het station eigenlijk maar vijftig cent?

Opeens realiseer ik me hoeveel van de ruimte in mijn hoofd wordt bevolkt door andere mensen. Dan richt ik mijn blik op de mensen op straat. Opeens worden in mijn verbeelding tussen al die hoofden minuscule draden gespannen. Draadjes van zorgen, om elkaar, van liefde. Niet vrij, maar wel verbonden.