De ene vind je doorgaans op een zonnebedje bij het zwembad, een glas gin-tonic in de hand waarin de ijsklontjes vrolijk tinkelen. Voor het andere kamp begint de pret pas echt als de koffie pruttelt op het campinggasje en het eerste stokbroodje nutella op de grond is gevallen.

Leven naar je natuur

Het ontbreekt ons niet aan rijkdom of comfort. Toch komen depressies en angststoornissen hier veel v...

Lees verder

Ik hoor tot het tweede kamp. Dat is geen bewuste keuze, maar een kwestie van opvoeding: in mijn vormende jaren ben ik jaar na jaar meegesleurd op kanotrektocht in Zweden. Mijn ouders zijn namelijk dol op kamperen, maar vinden niets zo gênant als met een pleerol onder de arm naar het bloc sanitaire moeten lopen onder het goedkeurend oog van de hele camping. Dus werd het een land waar je overal vrij je tentje mag opslaan, wat niet geheel toevallig altijd de landen zijn waar je meer muggen tegenkomt dan mensen.
Omdat alles wat we bij ons hadden in vier smalle kajaks geperst moest worden, leefden we wekenlang in dezelfde spijkerbroek en twee T-shirts (op de boot terug wilde niemand naast ons zitten). We wasten ons zo’n beetje in het ijskoude meer, en leerden bij elke snelle hurkplas met één hand de muggen van onze billen te slaan.

Elke dag braken we ons kampje op, peddelden een paar uur over water dat zo schoon was dat je het kon drinken, we regenden nat en we hingen alles weer te drogen in de zon. ’s Avonds sloegen de vonken uit ons houtvuurtje naar de donkere hemel. Eens in de zoveel dagen lag er een supermarkt op de route en werden er nieuwe voorraden pureepoeder en knäckebröd ingeslagen, die secuur werden uitgemeten over de dagen en de deelnemers aan onze collectieve oefening in afzien – zodat zelfs wij, kinderen in de groei, aan het eind van de vakantie een paar kilo waren afgevallen. Soms regende het een paar dagen. Dan las iedereen zijn boek voor de derde keer uit.

Jij liever dan ik, denken de zonnebedtypes nu. De beschaving heeft ons ijsblokjes gebracht, roomservice en zachte badhanddoeken; waarom zouden we die verworvenheden vaarwel zeggen om onder een dun lapje tentdoek te gaan liggen wachten tot het misschien ophoudt met regenen?
Toch weten psychologen dat er wel iets te zeggen is voor het simpele kamperen; lees het artikel ‘Leven naar je natuur‘ maar. Drie weken per jaar mogen we nog even leven als jager-verzamelaar, en dat kon weleens een uitstekend recept zijn tegen de overprikkeling van het moderne leven. Dat je het grootste deel van de dag zoet bent met water halen, vuur maken, bosbessen plukken tot je vingers er paars van zien: dat geeft een diep tevreden gevoel als je uiteindelijk moe en uitgerookt in je slaapzak rolt. Daar kan geen all-inclusive tegen op, fluisteren wij kampeerders dan tegen elkaar terwijl we kruisjes zetten op onze muggenbulten.
Al zou een ijskoude gin-tonic op zijn tijd wel een fijne toevoeging zijn.