De ziekte ontstaat niet door tekortschietende opvoedingsgewoonten, scheiding van vader en moeder of tekorten in het dieet. Deze factoren zijn weliswaar van invloed op de belevingswereld van een schizofrene patiënt, maar schizofrenie is niemands schuld.

Onderzoek naar schizofrenie

Het wetenschappelijke onderzoek van de laatste decennia heeft echter wel een tipje van de sluier opgelicht over de oorzaken van schizofrenie. Zo staat vast dat schizofrenie iets te maken kan hebben met erfelijke factoren of een subtiele hersenbeschadiging die al voor of vlak na de geboorte is opgelopen.

Dit hersengebied zou verkeerde boodschappen doorgeven en daarmee het evenwicht tussen de verschillende psychische functies verstoren. Cutting en Charlish gaan er daarbij vanuit dat bij schizofrenie vooral het evenwicht tussen beide hersenhelften is verstoord. De rechter hersenhelft zou te passief zijn en de linker juist te actief.

Een aanwijzing hiervoor is het feit dat twee functies van de rechter hersenhelft, de sociale betekenis van taal en het ruimtelijk inzicht, sterk zijn aangetast bij mensen met schizofrenie. Dit terwijl functies van de linker hersenhelft, zoals de vermogens om spraak te genereren, de betekenis van woorden te begrijpen en details in de omgeving waar te nemen, intact of zelfs verbeterd zijn.

Balans tussen de hersenhelften

Cutting en Charlish: ‘We kunnen concluderen dat het patroon van overdrijving versus verval van psychische functies precies overeenkomt met het patroon van versterking van de linker hersenhelft versus verzwakking van de rechter. Deze situatie kunnen we beschrijven als een functionele balansverstoring tussen beide hersenhelften.’

Deze mogelijke balansverstoring lijkt in ieder geval iets te maken te hebben met de neurotransmitter dopamine. Bijna alle medicijnen tegen schizofrenie blokkeren de prikkeloverdracht met de stof dopamine. Toch vertelt dopamine waarschijnlijk niet het hele verhaal. Zo is het nog nooit gelukt om aan te tonen dat de hersenen van mensen met schizofrenie meer dopamine bevatten dan normaal.

Bovendien zou men op theoretische gronden verwachten dat een overschot aan dopamine leidt tot rusteloosheid en hyperactiviteit en niet tot schizofrenie. Een mogelijk antwoord op deze raadselen komt echter van een studie waarin is gevonden dat er alleen in de linker hersenhelft een overschot aan dopamine aanwezig is. Deze scheefheid zorgt mogelijk voor de te grote activiteit van de linker hersenhelft.

De ontsporing

Het woord schizofrenie verwijst naar een splitsing van de geest. De meeste publieksboeken over schizofrenie beginnen met uitleggen dat iemand met schizofrenie geen verschillende persoonlijkheden in zich bergt. Toch menen verschillende theoretici dat de naam schizofrenie bijzonder treffend is, omdat er wel degelijk sprake is van een soort gespletenheid, in die zin dat de normale samenhang tussen de verschillende raderen van de geest verbroken is.

Als gezonde mensen een gezicht bekijken, letten zij bijvoorbeeld op de kaaklijn, de haardracht, de vorm van de neus, de kleur ogen en de ruimtelijke relaties tussen de verschillende onderdelen van het gezicht. Het gezicht wordt op verschillende manieren geanalyseerd en de kijker kan aan de hand daarvan gemakkelijk bepalen wie hij voor zich heeft en hij kan zelf besluiten welk aspect van het gezicht hij wil bestuderen.

Bij mensen met schizofrenie ontbreekt deze samenhang. Er zijn bepaalde aspecten van de waarneming die overheersen, terwijl andere sterk gedempt zijn. De kleurwaarneming kan versterkt zijn, terwijl gezichten alleen verwrongen worden waargenomen. Een patiënt: ‘Mensen zagen eruit als geesten, net alsof ze beelden, monumenten waren, alsof ze dood en gecremeerd waren.’

Foutieve conclusies

Het is dan ook niet juist om te zeggen dat mensen met schizofrenie het contact met de werkelijkheid verliezen. In plaats daarvan letten ze op een aantal minder belangrijke details van de werkelijkheid en trekken op basis daarvan foutieve conclusies.

Experimenteel is dit bijvoorbeeld aangetoond door patiënten te vragen wat er gebeurt op een prent waarop een vrouw broodjes aan het smeren is, een meisje klaarstaat met een emmer en schepje en door het raam zichtbaar is dat een man een koffer in de auto plaatst.

De meest voor de hand liggende interpretatie van deze scène is dat een gezinnetje zich opmaakt voor een uitje, maar schizofrenen geven soms bizarre antwoorden. Zo dacht iemand dat de vrouw haar polsen ging doorsnijden, omdat de man haar ging verlaten. Deze man had wel het mes en de auto gezien, maar hij had de gesmeerde broodjes en het meisje met emmer en schepje over het hoofd gezien.

De medicatie

Sinds de jaren zestig wordt de hoeksteen van de behandeling van schizofrenie gevormd door antipsychotische medicijnen, ofwel antipsychotica. De medicijnen onderdrukken psychotische symptomen, voorkomen zeer vaak de terugkeer van een psychotische episode en verbeteren de prognose op de lange termijn, omdat psychotische aanvallen het brein verder lijken aan te tasten.

Het grote struikelblok in de behandeling is echter dat veel patiënten deze middelen om allerlei redenen niet blijvend willen gebruiken. Zij kunnen last hebben van de bijwerkingen, geloven niet dat schizofrenie een ziekte is of willen de aandoening op eigen kracht de baas worden.

Deze argumenten zijn vaak sterker dan de overtuigingskracht van de behandelend psychiater en daardoor keren psychotische episoden veel vaker op dan eigenlijk nodig is. Pas als de patiënt door schade en schande heeft geleerd dat de psychotische fasen regelmatig terugkeren zonder medicatie, is hij of zij bereid de middelen doorlopend in te nemen.

Volgens schattingen krijgt ongeveer de helft van de patiënten met schizofrenie geen goede onderhoudsdosering met antipsychotica. De Belgische psychiater Guido Pieters laat in het boek Zin in waanzin echter zien dat dit niet alleen door de onwil van de patiënten wordt veroorzaakt. De behandelaars kunnen wel degelijk veel aan doen.

Een trainingsprogramma waarin patiënten geleerd wordt wat het belang is van de medicatie, hoe zij de effecten hiervan kunnen evalueren, hoe ze kunnen reageren op bijwerkingen en met wie ze de problemen omtrent de medicatie kunnen bespreken, blijkt de therapietrouw duidelijk te verbeteren. De patiënten krijgen zo voldoende kennis en vaardigheden om zelf te beslissen wat goed voor hen is. Ze hoeven niet meer de instructies van hun dokter op te volgen.

Onduidelijke voorschriften

Desondanks blijft een deel van de patiënten zich irrationeel gedragen, maar volgens psychiater Jan Willem Louwerens van de Groningse Van Mesdagkliniek zijn de behandelaars niet veel beter. Uit zijn onderzoek blijkt dat het voorschrijfgedrag van psychiaters sterk afhankelijk is van persoonlijke voorkeuren en lokale folklore.

In de ene plaats wordt een ander middel gebruikt dan in de andere en in sommige psychiatrische klinieken wordt een vier keer zo hoge dosering gebruikt dan elders. Dit terwijl er genoeg wetenschappelijk onderzoek voorhanden is om met redelijke nauwkeurigheid uit te maken hoe de behandeling van patiënten met schizofrenie eruit zou moeten zien. Voor de patiënten betekent dit dat niet altijd de balans gevonden wordt tussen een optimaal therapeutisch effect en zo min mogelijk bijwerkingen.

In het blad Psy, een tijdschrift over de geestelijke gezondheidszorg, zegt Louwerens dan ook dat ‘het irrationele voorschrijfgedrag van behandelaars en de moeite die ze hebben om zich aan protocollen te houden, opvallende gelijkenis vertoont met de gebrekkige therapietrouw van sommige van hun patiënten’.[/wpgpremiumcontent]