Op een ochtend zat er bij de post van mijn ouders een witte correspondentiekaart. Er stonden twee zinnen op geschreven: “Hierbij deel ik jullie mede dat ik uit het ‘normale’ leven verdwenen ben. Ik verzoek jullie geen moeite te doen om mij op te sporen.” Daaronder een hartje en de naam van de afzender: Alwin. Mijn broer was toen 20 jaar oud. Sinds dat kaartje, nu 44 jaar geleden, hebben we nooit meer een teken van leven gekregen.

In eerste instantie dacht ik dat hij wel weer zou terugkomen, later ging ik ervan uit dat hij was ondergedoken. Vroeg of laat zou hij namelijk zeker worden opgepakt door de marechaussee, dachten we: hij had steeds geweigerd naar de keuring voor militaire dienst te gaan. Alwin zette zich enorm in voor de Geweldloze Weerbaarheid, een stichting die geweldloosheid propageerde. Hij was een jongen die zijn eigen weg koos. Vanaf zijn 15de was hij steeds meer gaan rebelleren. Alwin heeft zijn school niet afgemaakt. Hij vond dat de wereld er niet beter van werd als hij rijtjes zou leren. Op het gymnasium stelde hij kritische vragen aan de leraren en thuis draaide hij zich van de tafel af als mijn vader ging bidden.

Wat doet hij nou? Wat een rotstreek! dacht ik toen ik Alwins kaartje vond.
Ik kon het bijna niet geloven. Ik dacht eerst aan mijn ouders, hoe erg het voor hen was. Pas in de dagen daarna drong het langzaam tot me door dat hij echt weg was. Ik voelde me totaal ontredderd, ik snapte niet hoe wij gewoon konden doorleven terwijl Alwin was verdwenen. Ik had altijd een goede band met hem. Vroeger speelden we veel samen en we praatten ook vaak met elkaar. Ik herinner me nog ons laatste goede gesprek. Dat was een paar weken voor zijn verdwijning. Ik lag op mijn bed, hij zat er op de grond naast. Tot diep in de nacht hadden we het over alles wat hem bezighield. Over de keuzes waar hij voor stond, de militaire dienst die hij wilde ontlopen… Ik kreeg nog een zoen van hem. Een fijne herinnering, maar ik kan er nog steeds om huilen. Het blijft pijnlijk. Ik denk dat hij erg met zichzelf in de knoei zat. Na een paar weken hadden we nog niets van Alwin gehoord. Ik begon toen echt te geloven dat hij verdwenen was; misschien zat hij in een ver buitenland of had hij een einde gemaakt aan zijn leven. Ik dacht: zou de druk van mijn ouders, van mij en anderen in zijn omgeving toch te groot zijn geweest? Mijn ouders hadden hem regelmatig op het hart gedrukt aan zijn toekomst te denken.

Mijn ouders schaamden zich erg voor zijn verdwijning. Als er mensen op bezoek kwamen, zeiden ze dat Alwin in Amsterdam zat. Maar ik kon merken dat ze zich schuldig voelden. Pas toen Alwin niet meer gezocht werd door de marechaussee, verbraken mijn ouders het zwijgen en zijn ze zelf actief gaan zoeken. Met hulp van media en de politie. Ik zag de wanhoop in de ogen van mijn ouders en was erg met hen bezig. Voor mijn eigen verdriet nam ik geen ruimte. Maar ik werd somber. In sommige periodes kostte het me moeite om uit bed te komen en deed ik alleen het hoognodige. Het liefst bleef ik dan thuis, met de gordijnen dicht. Na verloop van tijd werd ik ook kwaad op Alwin. Ik vond het zo asociaal dat hij niks meer van zich liet horen! Ik ging in therapie, daar sloeg ik soms heel hard op een kussen. Alsof ik hém een stomp gaf. Het hielp. Ik werd rustiger in mijn hoofd en in mijn lijf. Maar nog steeds gebeurde het dat ik hem op straat dacht te zien. Dan liep ik meteen achter hem aan. En was vervolgens in shock als het dan weer iemand anders bleek te zijn.

Op een landelijke bijeenkomst sprak ik voor het eerst met andere achterblijvers. Dat was bijna vijftien jaar na Alwins verdwijning. Door het verdriet van anderen te zien kon ik mijn eigen verdriet ook echt voelen. De politie adviseerde ons om een vereniging voor achterblijvers op te richten. Dat hebben we gedaan, en ik heb me daar heel lang voor ingezet. Ik kreeg vaak de kans om mijn verhaal te vertellen en dat deed me heel goed. Met de opbrengst van onder andere een sponsortocht van 3500 kilometer hebben we in Utrecht een monument voor vermiste personen opgericht. Daar wordt nu elk jaar de Nationale Dag voor Vermisten gehouden. Het voelde in die tijd goed om met die vereniging iets te kunnen doen: voor mezelf, maar ook voor anderen.

Drie jaar geleden bleek het dossier van Alwin zoek. Daar schrokken we van. Gelukkig heeft de politie de draad toch weer opgepakt; ik kreeg weer af en toe een mailtje over een ongeïdentificeerd lichaam. Maar al gauw wilde ik dat niet meer: ik had genoeg gedaan en ik zette me liever in voor andere dingen.Mijn zussen onderhouden nu het contact met de politie. Een van de mogelijkheden waar we nu aan denken, is dat Alwin in een depressieve bui de zee in is gelopen. We hopen dat de burgemeester van Vlieland toestemming wil geven om graven met onbekende doden te openen. Mocht hij verdronken zijn, dan zou Alwin in theorie op dat eiland terechtgekomen kunnen zijn door de stroming. Misschien dat hij dan eindelijk gevonden wordt. Ik houd altijd hoop. Dat neemt niet weg dat ik me wel bij de situatie heb neergelegd.

Ik ben nergens zeker van in het leven, daar heeft Alwins verdwijning me van bewust gemaakt. Ik doe mijn best om me op de stroom van het leven te laten meevoeren. Jarenlang heb ik me schuldig gevoeld: had ik iets kunnen doen of zeggen om zijn verdwijning te voorkomen? Ach nee, weet ik nu, ik ben niet volmaakt, en het is ook echt niet mijn schuld geweest. Ik lig er niet meer wakker van. Alwin blijft mijn lieve, slimme, bijzondere broer en het is zoals het is.’