Susan is op zoek naar een man. Ze is begin dertig, aantrekkelijk, heeft een uitgebreid sociaal leven en een succesvolle loopbaan. Toch lukt het haar niet de juiste partner te vinden, omdat geen man lijkt te beantwoorden aan haar ideaalbeeld. Ze zoekt een rechtschapen man, en wil liever niemand dan iemand die niet aan haar maatstaven voldoet. Af en toe twijfelt ze echter: zou ze toch geen concessies moeten doen? Haar gedachten blijven telkens in hetzelfde kringetje ronddraaien. Susan komt er alleen niet uit.

‘Het leven heeft een begin en een eind, maar een geheel is het niet.’ Het leven is een chaos, zoals Goethe zei, en iedereen kent momenten waarop je er even geen orde meer in ziet. Ik heb een interessante en verantwoordelijke baan, maar doe ik eigenlijk wel wat ik wil? Af en toe overvalt me een gevoel van zinloosheid, is dat normaal? Wegen de leuke momenten met mijn partner nog wel op tegen de ruzies en ongemakkelijke stiltes? Soms is het duidelijk: met hoofdpijn ga je naar je huisarts, met een depressie ga je naar een psycholoog of psychiater. Maar waar moet je zijn voor levensvragen, voor keuzeproblemen, voor overpeinzingen?

Misschien kan de filosoof uitkomst bieden. Mensen zoals Susan kiezen in toenemende mate voor een filosofisch counselor, die helpt je gedachten te structureren. Gezien het aanbod van pas verschenen boeken, is de filosoof bezig zich onder de mensen te begeven. De troost van de filosofie van Alain de Botton, het dit najaar te verschijnen Filosofische praktijk: een alternatief voor counseling en psychotherapie van Shlomit Schuster, het Nederlandse Denken achter de dijken van Antoine Verbij, en het iets oudere Geen pillen maar Plato! van Lou Marinoff, laten alle op hun eigen manier zien hoe de filosofie praktisch gebruikt kan worden. Terug naar het oorspronkelijke idee van Socrates, die indertijd al zei dat de filosofie op de markt thuishoort.

In bedrijven krijgt men tegenwoordig trainingen in de ‘socratische gespreksmethode’, in verschillende steden – waaronder Amsterdam, Leiden, Breda, Rotterdam en Haarlem – zijn filosofencafés waar mensen onder leiding van een filosoof met elkaar discussiëren, en voor problemen kun je terecht bij een filosofisch consulent.

Deze beweging van ‘praktische filosofie’ bereikt volgens Antoine Verbij in zijn boek Denken achter de dijken zo’n dertigduizend mensen. ‘En als je vervolgens bedenkt dat het twintig jaar geleden allemaal met zo’n mens of acht begon, moet je zelfs van een succesvolle beweging spreken.’

In Nederland zijn er momenteel ruim 35 filosofen die zich als consulent gevestigd hebben en verenigd zijn in de Vereniging voor Filosofische Praktijk. Volgens een enquête van Verbij kunnen steeds meer consulenten leven van hun praktijk, al vullen de meesten hun inkomen aan met het geven van cursussen en het leiden van socratische gesprekken.

Existentiële problemen

Met wat voor soort problemen komen mensen bij een filosofisch consulent? Volgens de Amerikanen Schuster en Marinoff zijn het dezelfde problemen als die waar een psycholoog doorgaans op zijn spreekuur mee te maken heeft. Depressie, slapeloosheid, omgaan met relaties, het verwerken van een verlies, het veranderen van baan. De titel Geen pillen, maar Plato! is echter gechargeerd: de meeste filosofische counselors, in ieder geval de Nederlandse, erkennen dat de zwaardere gevallen die pillen behoeven, niet bij de filosoof thuishoren, maar bij de psychiater. De Amsterdamse filosofisch consulent Ida Jongsma zegt: ‘Er moet onderscheid gemaakt worden tussen psychopathologie en de gewone problemen des levens. Na het verschijnen van Marinoffs boek werd ik veel gebeld door mensen met een psychopathologisch verleden. Voor mensen die in klinieken zijn opgenomen, die medicijnen nodig hebben, die wanen hebben of schizofreen zijn, kan een filosoof niets doen.’

Jongsma runt in Amsterdam ook hotel De Filosoof – ‘Hier komen vooral mensen uit de kunst en de wetenschap’ – waar ze tevens filosofische cafés organiseert en op aanvraag ‘diners pensants’. In een omgeving een filosoof waardig, met veel rood pluche, kroonluchters, klassieke muziek en portretten van Erasmus, Rousseau en Thomas van Aquino, vertelt ze: ‘Het gaat in de counselingsessies bijna altijd om existentiële problemen: Wat wil ik? Doe ik wat ik eigenlijk wil?’ Zelf ben ik zeer geïnteresseerd in doodsproblematiek, mensen die een ziekte hebben of hebben gehad en willen weten hoe je in je leven met de dood omgaat. Echtscheidingsproblemen doe ik niet meer, dat vind ik zo’n geouwehoer. Het zijn wel dramatische zaken hoor, maar ik ben nu 53 en ik ken dat probleem wel. Als je al zo lang mismoedig bent in je huwelijk, dan stap je toch op? Religieuze zaken doe ik ook niet. Ik kan gewoon niet bij dat dogmatische van religies.’

Eind vijftig, en wat nu?

Een van de redenen voor de groeiende vraag naar filosofen, is misschien dat we in onze meerkeuzemaatschappij te veel mogelijkheden hebben waar we verstrikt in kunnen raken. Eite Veening, filosofisch consulent in Groningen, krijgt veel klanten met keuzeproblemen. ‘En dan gaat het zelden over een keuze tussen goed en kwaad, maar over twee keuzen waar goede en kwade kanten aan zitten. Vaak verwarren mensen een goede keuze met een goede uitkomst. Ik zeg dan: “Ook al doet u het goede, dat betekent niet dat het ophoudt moeilijk te zijn.”‘

Filosofen krijgen ook veel vragen over zingeving. Volgens Marinoff komt dat doordat onze maatschappij moreel ‘een janboel’ is geworden. Filosofisch consulenten kunnen volgens hem de geestelijke volksgezondheid herstellen bij een ‘door en door gedemoraliseerde bevolking’. Door de ontkerkelijking is een behoefte ontstaan die de psychologie niet altijd kan bevredigen. Daarom wordt wel gezegd dat de filosoof misschien de kloof kan dichten tussen kerk en geestelijke gezondheidszorg.

Eite Veening: ‘Ik krijg regelmatig klanten die zich op hun levensinvulling bezinnen en in hun baan niet meer weten waarom ze er ooit aan begonnen zijn. Het zijn vaak mensen die christelijk zijn opgevoed, zich daar niet meer in thuisvoelen, niet met de pastoor willen praten die ze wel zal vertellen hoe het zit, maar het kind niet met het badwater willen weggooien.’

Zo iemand is Aat Vos (62). Een christelijke opvoeding, gymnasium gevolgd. Een prachtige carrière waarin hij bedrijven oprichtte en daarna met winst verkocht. Nadat hij zijn laatste bedrijf had verkocht, was hij doodop. Doorgedraaid door zijn werk. Eind vijftig, en wat nu? ‘Ik wilde de rest van mijn leven in kaart brengen en opnieuw een zin vinden. Ik had behoefte om tegen iemand aan te praten die niet denkt volgens een bepaald patroon. Niet iemand die mij precies kon vertellen wat ik moest doen. Ik zocht geen absolute antwoorden, maar ik moest op weg worden geholpen naar een volgende periode in mijn leven.’

Het verschil tussen filosoof en psycholoog

Aat Vos herinnerde zich een uitspraak van Nietzsche: Als je alles probeert te beheersen, wordt het leven onleefbaar. ‘Dat is waar ik mee bezig was, ik had alles precies geregeld voor mijn kinderen, mijn kleinkinderen.’ In een sessie of vijf bij de Bloemendaalse filosofe Catharina de Haas, leerde hij dat hij ook aan zichzelf mocht denken, dat hij mocht genieten. ‘Door mijn religieuze achtergrond had ik geleerd: alles begint altijd met anderen. Maar nu is het heilig moeten veranderd in een heilig mogen.’

Vos kwam tot dit inzicht door een dialoog met De Haas. ‘Ze stelde vragen en vroeg mij op papier te zetten wat mijn visie op de komende jaren was. Ze bracht ordening aan en prioriteiten en wees me op sommige dingen: “Dat zeg je nu wel, maar… heb je die verbinding al gelegd? En dat staat haaks op wat je eerder zei.” Al filosoferend kwamen we op vragen als: Wat is belangrijk? Wat is vrijheid? Wat is liefde? Hoe geef ik dat een plaats in mijn leven? Het belangrijkste was misschien nog dat ze heel goed kon luisteren en me hielp structureren.’

Nu, een jaar of vier later, heeft Vos er nog veel aan: ‘Zij heeft mij geholpen om mijn veelheid aan gedachten te ordenen, te relativeren en in een ander perspectief te plaatsen.’

Als Aat Vos naar een psycholoog was gegaan, dan was hij misschien tot dezelfde inzichten gekomen. Ook psychologen helpen orde te brengen in iemands gedachten, bieden een luisterend oor en helpen hun cliënten verder op weg. Een belangrijk verschil is echter dat levensvragen bij psychologen en psychiaters sneller gemedicaliseerd of ‘getherapeutiseerd’ worden. Moeilijkheden worden in het therapeutisch kader waarin psychologen werken eerder gediagnosticeerd als een probleem waar een oplossing voor moet worden gevonden. Maar belangrijke beslissingen, vragen over de zin van het bestaan, twijfels over keuzen, horen bij het leven en kunnen juist een teken zijn van gezond nadenken. Mensen zoals Aat Vos willen zichzelf bij de therapeut liever niet als ‘probleemgeval’ bestempeld zien. Zoals in een oude grap, waar patiënten die in psychotherapie te vroeg op hun afspraak kwamen gediagnosticeerd werden als ‘angstig’, patiënten die te laat kwamen als ‘vijandig’ en patiënten die op tijd kwamen als ‘dwangmatig’.

In die zin zou filosofisch counselen een tegenwicht kunnen bieden tegen de therapeutisering van de maatschappij, in Schusters woorden ‘de meest krachtige ideologie van de twintigste eeuw’. Volgens haar een gevaarlijk fenomeen, omdat mensen die onnodig gediagnosticeerd worden als lijdende aan een geestesziekte, zich gemakkelijk gaan vereenzelvigen met hun aandoening.

Susan die geen partner kon vinden omdat ze geen concessies wilde doen in een relatie, kreeg van de filosoof een andere oplossing dan ze van de psycholoog zou krijgen. Ze wilde alleen een man die even rechtschapen was als zij. ‘Een psycholoog zou haar perfectionisme zien als een tekortkoming of een middel om diepere emoties te verbergen, terwijl een filosoof zou kijken naar haar begrip van rechtschapenheid en hoe ze dat bij anderen evalueerde’, schrijft Marinoff. Aristoteles en Confucius gaven Susan gelijk. In een dialoog met haar counselor kwam ze op de oplossing om voorwaarden te scheppen om die rechtschapen man te vinden, maar tegelijkertijd leerde ze met de stoïcijnen beseffen dat je je alleen druk moet maken over zaken die je in de hand hebt. Dus als ze die ideale man nooit zou tegenkomen, zou Susan zich daar ook in kunnen vinden.

Een ander verschil met psychologen is dat de sessies bij de filosoof meer het karakter hebben van een dialoog. Hierdoor lijkt de relatie tussen klant en filosoof minder hiërarchisch, en meer een uitwisseling van ideeën. Is het de bedoeling dat de psycholoog uiteindelijk een oplossing biedt, ook al gaat dat in samenspraak met de cliënt, de filosoof kan rustig zeggen dat hij het ook niet allemaal weet. Eite Veening: ‘Ik zie mezelf als een makelaar in ideeën: net zoals mensen allerlei ideeën hebben over waar ze willen wonen, hebben ze allerlei ideeën over hoe ze kunnen leven. Ik zeg niet hoe ze moeten leven, maar laat zien wat er te koop is.’

Denken op de vierkante centimeter

In psychotherapie missen sommige klanten een min of meer gelijkwaardige relatie. Zoals Rosalie de Wildt, die al verscheidene keren in therapie is geweest, maar toch niet vond wat ze zocht: ‘Het was een vervelend idee dat de therapeut blijkbaar wel in staat was zijn leven te leiden. Ik miste het op een gelijkwaardige manier kijken naar je levensinstelling, ideologie, waar je staat. Ik wil niet als ziektegeval worden bestempeld omdat je vragen stelt.’ Ook bood therapie haar geen inzicht in wezenlijke vragen. ‘Dat soort lijden waar in de psychotherapeutische praktijk veelal het liefst met een boog omheen wordt gegaan. Vragen zoals: Waarom ben ik hier eigenlijk en wie heeft in godsnaam bedacht dat het ook weer zo onherroepelijk moet ophouden?’

De filosoof kan de cliënt helpen na te denken over dit soort grote levensvragen, zijn gedachten te structureren en vooronderstellingen te torpederen. Eite Veening: ‘Een oud-Romeins spreekwoord dat mij heel dierbaar is, zegt: “Eerst werpen wij het stof op en dan klagen wij dat we niets kunnen zien.” Veel puzzels ontstaan door een bepaalde slordigheid in het denken. Wij zijn vakdenkers en bieden denkgereedschap. Soms is er een oplossing voor de puzzel, soms blijkt het geen puzzel meer te zijn.’ Ook Ida Jongsma noemt zichzelf een denkhulp. ‘Ik probeer langzaam te denken op de vierkante centimeter.’

Overigens doen vooral cognitief psychologen vaak hetzelfde: ook zij proberen hun cliënten via consequent doorvragen zelf hun vastgeroeste vooronderstellingen te laten inzien en de kern van hun probleem te laten ontleden. Maar deze werkwijze van cognitief psychologen heeft zijn naam dan ook ontleend aan de filosofie: de socratische dialoog (niet te verwarren met de socratische gespreksmethode van filosofen).

In een tijd dat de psychotherapie steeds meer moet voldoen aan strenge eisen, zoals behandeling volgens protocollen, resultaatgerichtheid, gestoeld op onderzoek, valt het op hoe weinig gestandaardiseerd de filosofische counseling is. De Vereniging voor Filosofische Praktijk heeft wel een voorzichtige gedragscode opgesteld waar de leden zich aan moeten houden, maar de methoden verschillen hemelsbreed.

Antoine Verbij schrijft in Denken achter de dijken: ‘Er zijn bijna evenveel theorieën over het filosofisch consult als er consulenten zijn.’ Hij verbaast zich over de enorme diversiteit in werkwijzen, ‘of zeg maar gerust: het totale gebrek aan samenhang. Het enige dat filosofisch consulenten met elkaar gemeen lijken te hebben, is dat ze allemaal zijn afgestudeerd in de filosofie.’

De Amerikaanse Lou Marinoff maakt het wel heel dol met zijn eclectische benadering. Neem het voorbeeld van Larry, die niet zo goed wist welke richting hij moest inslaan in zijn leven. Via Leibniz, Prediker, het liedje Turn Turn Turn van The Byrds – ‘A time to laugh, a time to cry, a time to live, a time to die’ – en een sciencefictionverhaal kwam hij tot het besef dat een periode zonder duidelijke richting ook heel waardevol kan zijn. Larry kwam er nog goed af, maar gevaarlijker werd het consult van Marinoff voor Janet, die waarschijnlijk ging scheiden op grond van wat ideetjes van Ayn Rand, de Dalai Lama en (toch) wat gepsychologiseer van Marinoff over het gebrek aan liefde van haar vader. Hier lijkt Seneca van toepassing, die zei dat sommige geneesmiddelen erger zijn dan de kwaal zelve.

Problemen zijn er en horen erbij

Biedt de filosofie uiteindelijk de oplossing voor je problemen? Zo optimistisch als de klassieke filosofen Epicurus en Seneca, die meenden dat de rede alle problemen kan verlichten, zijn de hedendaagse filosofen niet meer. Het bieden van stof tot nadenken, de aanmoediging om meer doordacht te leven en het leren voor jezelf te denken, zou al een hele bijdrage zijn. Ida Jongsma: ‘Ik wil mensen ook helemaal niet helpen, ik wil ze helpen beter na te denken. Misschien kunnen mensen door meer inzicht wel beter met dingen omgaan. Maar het problematische of kritische denken moet blijven. Problemen zijn er en horen er bij.’

Oefenen in nadenken kan overigens ook heel goed in filosofische cafés, zo zegt Marinoff. Daar leer je argumenteren, luisteren, tolerantie voor andermans mening, geduld uitoefenen. Zoek grote onderwerpen op, moedigt hij ons aan: Wat is schoonheid? Wat is waarheid? ‘Het aanpakken van brede thema’s versterkt uw persoonlijke filosofie, wat die filosofie op haar beurt overtuigender en nuttiger maakt in het dagelijks leven.’ Zowel in filosofische cafés als in filosofisch consulten kunnen er al filosoferend meer vragen ontstaan dan er waren. Daar moet je uiteindelijk zelf een keuze uit maken. Zoals Eite Veening zegt: ‘Het consult is een rechtszaak. De kwestie is de verdachte. Ik kan optreden als aanklager of verdediger. Maar de klant is rechter, die moet uiteindelijk de keuze maken.’ n[/wpgpremiumcontent]