Op een schaal van 1 tot 10: hoe gelukkig was uw jeugd? ‘Een 8. Ik had gelukkige tienerjaren, maar in de periode daarvoor, toen mijn ouders nog bij elkaar waren, liep het niet lekker. Mijn vader was dominant, dronk soms te veel, was promiscu. Echt een haantje. De spanningen uitten zich bij mij in astma en hooikoorts. Van mijn moeder en haar familie kreeg ik veel genegenheid, dus dat maakte veel goed.’

Wat is uw vroegste herinnering? ‘Ik was drie: een zoele zomeravond op het Schipholterras, vliegtuigen die op het punt stonden op te stijgen; de warme wind van de propellers gaf een gevoel van opwinding.’

Uit wat voor milieu komt u? ‘Mijn ouders hadden een delicatessenwinkel. We waren rijk, ik had een pony én een paard. Na de scheiding lag dat anders. Mijn stiefvader was een hippie, we woonden heel klein, maar wel gezellig. In hetzelfde pand woonden zes andere gezinnen uit mijn familie, dus aandacht gegarandeerd. Vaak kwamen er allerlei Duitse hippies langs: leuke, lieve mensen die me hebben verrijkt met hun tolerantie, zachtaardigheid en artistieke en literaire kennis. Toen mijn stiefvader inzag dat zijn levensstijl niet erg lucratief was, is hij oliepijpleidingen gaan verkopen. Vanaf dat moment hadden we geld om te reizen naar hippielanden in Azië.’

Wat voor kind was u? ‘Extravert, bazig en opvliegerig. Een planner en organisator. Mijn buurkinderen waren wat jonger, ik nam de leiding. We voetbalden veel op straat. Ik was degene die de bal had, die de toernooitjes organiseerde en die zei wie bij wie speelde. Ik denk dat ik mijn omgeving wilde controleren vanuit een diepgewortelde argwaan. Zo van: als ik het niet zelf regel, loopt het mis.’

Wat voor leerling was u op school? ‘Ik was een klier, extreem lui en vaak afwezig. De meester zei meestal: “Pak jullie boeken, Eddy eruit, de les begint.— Ik blowde veel. Lessen interesseerden me niet zo. Mijn talen sprak ik al dankzij die buitenlandse hippievrienden en de vele reizen die we maakten, en van wis- en natuurkunde begreep ik gewoon niks.’

Wie waren uw idolen? ‘Ajax-voetballer Simon Tahamata omdat hij zo goed kon dribbelen, en Nelson Mandela omdat hij zo’n gewone man is en tegelijkertijd zo’n mythische figuur. Mandela bezit een groot vermogen tot mededogen, wat volgens mij het belangrijkste criterium is voor intelligentie. Als je in staat bent te beseffen wat je een ander aandoet, zit je op een hoog bewustzijnsniveau.’

Wat is uw grootste jeugdtrauma? ‘Dat ik niet kon zwemmen door mijn astma. Ik kreeg te veel water binnen. Mijn vader wilde daar niet aan en flikkerde mij gewoon in het water, waardoor ik bijna verdronk.’

Hoe was uw eerste keer? ‘Prima! Het was op m’n vijftiende, met een mooi Frans meisje, in het handdoekenhok van de jeugdherberg.’

Hoe vaak ziet u uw ouders nog? ‘Mijn vader één keer per anderhalf jaar, mijn stiefvader wat vaker, maar die woont op La Gomera dus we bellen iedere week. Mijn moeder zie ik dagelijks, én ze belt mij drie keer per dag.’

Wat is nooit veranderd? ‘Mijn leefsituatie. Ik woon nog aan hetzelfde plein, bij dezelfde familie, zonder rijbewijs en zonder kinderen. Ik heb geen aparte levensfasen gehad, ben altijd kind gebleven. Mijn moeder stuurt me nog steeds om boodschappen. Vind ik prima: wees een kind in je levenshouding, en een volwassene in je beslissingen.’[/wpgpremiumcontent]