De eerste keer dat Edmond Ouml;fner (41) een kans maakte om de top van de Mount Everest te bereiken, moest hij omkeren. Tweehonderd meter onder de top brak hij zijn sleutelbeen. Nu is het gebeurd, dacht hij. Goddank zit ik nog vast aan een touw, maar niemand weet dat ik hier ben. Hoe kom ik hieruit? Ouml;fner haalde het basiskamp en kwam veilig terug, maar de wil om te klimmen, bleek groter dan zijn angst. In 1992 bereikte hij alsnog de top, nu als cameraman, onderweg andere klimmers filmend en interviewend.

In zijn kantoor aan de Meentweg in Blaricum vertelt Ouml;fner ontspannen over zijn grote passie: de krachtmeting met de natuur. Van hieruit opereert zijn bedrijf Sasquatch Expeditions, genoemd naar de Canadese variant van de Yeti, de verschrikkelijke sneeuwman. Ouml;fner bereikte vorig jaar mei samen met drie anderen de geografische noordpool, na een tocht van zeventig dagen over het ijs, onder extreme omstandigheden. Het was koud, min vijftig graden Celsius, hij sleepte negentig kilo bagage met zich mee en moest onverwachte hindernissen overwinnen en omzeilen, zoals ijsberen of schuivend ijs. Hij maakte fysiek, mentaal en emotioneel vrijwel alles mee: angst, strijd, ontbering, gevaar en irritatie.

Wie Edmond Ouml;fner ontmoet, verbaast zich over zijn rust en evenwichtigheid. Zijn uiterlijk verraadt weinig over zijn innerlijke drang naar spanning en sensatie. Een energieke en zichtbaar goed getrainde man, met een serieuze oogopslag en af en toe pretlichtjes in zijn blik. Na een uur begint zijn lichaam onrustig te worden. Hij staat op, loopt heen en weer, gaat weer zitten, ondertussen rustig doorpratend. Nee, Ouml;fner is geen waaghals of egotripper; hij weet wat hij wil, maar koketteert er niet mee. Hij voelt zich verantwoordelijk, zegt hij. Hij heeft een vrouw en een kind. Enthousiast verhaalt hij over zijn eerstvolgende expeditie, een tocht van duizend kilometer door de verschroeiende hitte van de Gibson woestijn in Australië. Extreme fysieke omstandigheden en psychische druk trekken hem, net zoals de bergen hem al lokken zolang hij zich kan herinneren.

Als jongetje klom hij achter zijn ouders aan, trots dat hij een brood van twee kilo in zijn rugzakje had. ‘In de bergen was ik op mijn plek’, verklaart hij eenvoudig. Toch hield Ouml;fner eind jaren tachtig een tijdje op met klimmen. De dood was te dichtbij gekomen, hij verloor een aantal klimvrienden en werd schipper op een zeilboot. Was de angst dan toch te groot geworden? ‘Angst is mijn grote raadgever’, zegt hij. ‘Zonder dat was ik allang dood geweest. Angst is niet erg, maar ik wil niet in paniek raken. Ik wil leven in het maximum. En hoe meer risico je neemt, des te meer leven je voelt.’

In de confrontatie met een schijnbaar onmogelijke opdracht voel je je emoties sterker dan in het alledaagse leven, heeft hij gemerkt. ‘Alles wordt uitvergroot. Als je je klote voelt, dan is het ook meteen verschrikkelijk klote, maar als je gelukkig bent, dan ben je diep gelukkig.’ Zo moest hij vorig jaar, op weg naar de noordpool, drieënhalve kilometer over een korst schuivend ijs lopen, daaronder loerde de diepe oceaan. Het ijs boog door, opeens was er een gapend gat, hoe kwamen ze daaroverheen? Die tocht bezorgde hem een extreem gevoel van sensatie, hij voelde zich kwetsbaar en toch heel krachtig. ‘Alsof we de oorlog gewonnen hadden’, zo formuleerde een van zijn expeditiematen zijn gevoelens bij de succesvolle afloop. ‘Er is altijd spanning, altijd alertheid, maar tegelijkertijd is het leven op zo’n tocht onbeschrijfelijk simpel. Je eet, drinkt, haalt adem, voelt af en toe een pijntje; je bent je bewust van je lijf, bijna meditatie-achtig. Je gaat terug naar de kern.’

Plezierige opwinding

Om te overleven hebben mensen ervaringen nodig, prikkels. Wie geen stimulans uit zijn omgeving krijgt, kwijnt weg. Voor een gezonde emotionele ontwikkeling moeten we elke dag weer nieuwe ervaringen opdoen. Krijgen we die niet, dan treedt verveling op, lusteloosheid, gebrek aan interesse en uiteindelijk een staat van onverschilligheid. Onderzoek bij verschillende groepen, bijvoorbeeld baby’s en studenten, maar ook ervaringen van krijgsgevangenen, hebben onomwonden aangetoond dat een gebrek aan prikkels leidt tot pijnervaringen, hallucinaties en zelfs tot autistisch gedrag.

De meeste mensen krijgen voldoende prikkels om te overleven. Maar dat is voor velen niet genoeg. Zij zoeken uitdagingen om de sensatie van de ervaring zelf, en dat hoeft niet altijd het extreme risico te zijn van een gevaarlijke sport. De sensatie die Edmond Ouml;fner ervaart tijdens extreme expedities, is de emotionele beloning voor het verleggen van een grens. Zo’n sensatie of kick kennen we allemaal, ook al zullen slechts weinig mensen letterlijk tot zulke grote hoogtes stijgen.

Niet alleen risicovolle of avontuurlijke sporten geven de gelegenheid om spanning en sensatie te ervaren. Ook het alledaagse leven biedt voldoende mogelijkheden om thrills mee te maken. Wie bijvoorbeeld huivert en siddert bij het lezen van een spannende thriller – het woord zegt het al – zoekt in feite ook naar een grensverleggende ervaring. Ook gokken of speculeren op de beurs kan de behoefte aan spanning en sensatie bevredigen. Het kan een enorme kick geven om op het randje van zo’n risicovolle situatie te balanceren: moed, uithoudingsvermogen en vernuft kunnen uiteindelijk beloond worden, maar ook afgestraft. Die spanning is op zichzelf kennelijk een motivatie. Het zoeken naar dergelijke ervaringen hoeft bovendien niet beperkt te blijven tot de vrije tijd: ook een nieuwe uitdaging op het werk of het klaren van een heel moeilijke klus, het voorzitten van een ingewikkelde vergadering zijn activititeiten die niet direct een materiële beloning opleveren, maar wel voldoen aan een sensatiebehoefte.

Wie een moeilijke of spannende activiteit onderneemt – of dat nu een gok op de beurs is, het geven van een lezing, of het uitspreken van een hevige verliefdheid – weet dat de situatie achteraf vaak plezieriger is dan vooraf. Het geeft een kick om te merken dat je meer kunt dan je aanvankelijk dacht, dat je de angst hebt bedwongen en je grenzen hebt verlegd. Maar naarmate gedrag meer risico en gevaar inhoudt, haken de meeste mensen af. Een beetje spanning vinden ze nog aangenaam, maar om nu moedwillig het gevaar op te zoeken, nee, dat gaat te ver.

Niet iedereen heeft dus evenveel behoefte aan spanning en sensatie, en niet iedereen zoekt bewust de confrontatie met gevaar. De vraag naar die verschillen inspireerde de Amerikaanse psycholoog Marvin Zuckerman tot de ontwikkeling van een test, die kan meten in hoeverre mensen de eigenschap ‘sensatiezoeken’ hebben. Hij onderscheidt vier typen sensatiezoeken:

* Thrill and adventure seeking: de behoefte om aan risicosporten te doen, zoals bergbeklimmen en diepzeeduiken.

* Experience-seeking: de behoefte om nieuwe en ongewone zintuiglijke prikkels te ervaren door bijvoorbeeld drugs te gebruiken, maar ook door avontuurlijke reizen te maken.

* Disinhibition: de behoefte om zich te buiten te gaan aan feesten en drank.

* Boredom susceptibility: de afkeer van routinematig werk en saaie mensen.

Echte sensatiezoekers, thrillseekers, zegt Zuckerman, zoeken niet zomaar opwinding, ze zoeken een plezierige opwinding. Die opwinding bereiken ze door hun grenzen te overschrijden. Maar het over schrijden van grenzen roept ook angst op, en dat is minder prettig. Kennelijk zijn er voor sommige mensen naast de beleving van gevaar, nog andere positieve emoties: plezier, opwinding en genot.

Een succesvolle confrontatie met gevaar of andere grensoverschrijdende uitdagingen brengt een kick teweeg, schrijft Susanne Piët in De kick, een zoektocht naar de essentie van de topsensatie. De kick is een ervaring die ergens ligt tussen verveling (te weinig prikkels) en angst (gevolg van te veel prikkeling) en die kennelijk zo aantrekkelijk is, dat mensen het bewust opzoeken. Zoekers van reëel gevaar, constateert Piët, zoeken de grenzen van hun kunnen: het vermogen om de omstandigheden technisch, fysiek en psychisch de baas te kunnen. Wanneer zij die uitdaging tegenkomen en ervaren dat ze de extreme moeilijkheden, de omgeving en zichzelf kunnen overwinnen, dan levert dat gevoelens van bevrediging op. Angst hoort erbij en wie het doorstaat, krijgt een geweldige beloning: zelfvertrouwen en gevoelens van zelfrealisering.

Hoe ver de inspanning soms kan gaan om extreme omstandigheden de baas te worden, blijkt uit het relaas van Ingrid Bayens, de eerste Belgische vrouw die de top van de Mount Everest bereikte. Bayens verloor haar echtgenoot tijdens het klimmen in de bergen, maar ging desondanks door – of noodgedwongen, zoals ze zelf zegt. ‘Ik kan geen stap meer zetten, struikel, kruip soms op handen en voeten’, schrijft ze in De laatste grens, haar bijdrage aan het boek Everest. ‘Ik ben ziek, doodziek, ik ga sterven. Waar ben ik. Wat doe ik? (…) Ik schuif de laatste grens weg, grijp het ongrijpbare, ken plotseling het onbekende. Halfelf. De top. Ik laat me in de sneeuw vallen en blijf een tijdje liggen. Zo zie ik waar ik ben. Het is hier eindeloos mooi.’

Spanning zoeken om rust te krijgen

Onder water is het ook eindeloos mooi, vindt Marcel Bayer (44), een fanatieke sportduiker. Voor de docent geografie aan de Utrechtse School voor Journalistiek is het verleggen van zijn grenzen de belangrijkste drijfveer om diep in de zee te duiken. ‘Een mens hoort niet onder water’, zegt hij laconiek. ‘Er zijn dan ook niet zoveel mensen die de wereld onder water kunnen bekijken.’

Het gevaar zoekt hij niet. Waarom zou hij? Hij heeft een vrouw, drie kinderen. ‘Duiken is wel een riskante sport, maar de risico’s kun je beheersen. Een sportduiker is afhankelijk van zijn apparatuur: een fles lucht, een automaat waarmee je de lucht kunt inademen, een snorkeltje, vinnen, lood. Als je apparatuur goed is, en als je je aan de regels houdt – altijd een buddy mee, nooit alleen duiken, nooit te snel omhoog gaan – dan is duiken veilig’, constateert hij nuchter.

Toen Bayer in 1987 op Bonaire zijn eerste duik maakte, was hij verkocht. Het gaat hem om de beheersing, om de zuivere controle over zijn ademhaling die hem in balans houdt. Angst kent hij nauwelijks, ook niet als hij tussen haaien zwemt, want als je rustig bent, doet een haai niks. Hij is maar een paar keer echt bang geweest, zoals die keer dat hij in Mexico in een gangenstelsel van grotten dook. In de immens grote en donkere spelonken kun je gemakkelijk verdwalen. De rillingen lopen hem opnieuw over de rug als hij eraan terugdenkt.

Net als Edmond Ouml;fner, is Marcel Bayer geen waaghals. Hij zoekt wel spanning en uitdaging, maar vooral in de beheersing van de fysieke, technische en psychische condities. ‘Om goed te kunnen duiken,’ zegt hij, ‘moet je in een perfecte conditie zijn, ervaring en rust hebben, goed getraind zijn, niet in paniek raken. Het is fysiek zwaar, je bent kapot als je weer boven bent.’

De grootste beloning van het duiken is de enorme rust die over hem komt als hij onder water is. ‘Bijna paradoxaal’, lacht hij. ‘Spanning zoeken om rust te krijgen. Er is geen geluid, je hoeft niets te zeggen en er is niemand die tegen je praat. Je ziet koraalformaties, haaien, roggen, kleine visjes die de bek van grote vissen schoonmaken. Nergens voel je zo goed dat je één bent met de natuur, je waardering voor levende organismen wordt groter.’

De tweede beloning komt als hij in de boot zit en in eindeloze gesprekken met lotgenoten zijn duik herbeleeft en deelt. Maar het allermooiste is niet in woorden uit te drukken: de perfecte beheersing van zijn lichaam. ‘Je loopt jezelf nooit voorbij.’

De kick is sprakeloos

In een samenleving waarin het gros van de mensen zichzelf voorbij loopt, en waarin bijna alles te koop is en gereguleerd, is de behoefte aan echtheid en oorspronkelijkheid evident. De behoefte om ‘het echte leven te voelen’, zoals sommige bergbeklimmers hun passie verwoorden, is misschien ook vanuit die gedachte te begrijpen. ‘De bergen straffen de kleinste tekortkoming onverbiddelijk af’, schrijft Ingrid Bayens. ‘De natuur is eerlijk, maakt geen fouten, wij wel. Zo dwingen de bergen respect af.’

De honger naar extreme ervaringen, naar de uitdaging oog in oog te staan met de dood, is natuurlijk van alle tijden. Zonder de wil en de moed om het onmogelijke te presteren, zouden tal van prestaties niet geleverd zijn, zou de wereld er volstrekt anders uitzien. Maar de zucht naar opwinding en sensatie is niet meer het privilege van een handjevol ontdekkingsreizigers. De behoefte aan kicks is een maatschappelijk en sociaal verschijnsel geworden. Niet alleen bergbeklimmers en diepzeeduikers, ook autocoureurs, delta vliegers, bungee-jumpers en parachutespringers zoeken naar de grens van de angst, naar het risico dat nog net beheersbaar is. De ontwikkeling van de techniek maakt het mogelijk om steeds sterkere en meer wisselende prikkels op te zoeken en het beheersniveau op te voeren.

De moderne mens zoekt dus naar kicks. De kick is sprakeloos, constateert de Belgische filosoof en kunsthistoricus Lieven de Cauter in Archeologie van de kick. Het is de meest woordeloze variant van de ervaring. De duizeling van het klimmen of het duiken is niet in woorden na te vertellen. De drijfveren voor de zoektocht naar hevige en prikkelende belevenissen zijn volgens hem ook kinderlijk, want kinderen zoeken van oudsher kicks. Ze zijn dol op duiken, klimmen, glijden, schommelen.

‘Het sprakeloze, het kinderlijke en de dood vormen samen de configuratie van de kick’, schrijft De Cauter. ‘De passie voor gevaar, voor de wellust van de duizeling, de dronkenschap van plezier, gemengd met angst, is een teruggrijpen naar de basis van de ervaring: het verhoogde levensgevoel wanneer men rakelings de dood passeert.’ Of, zoals Edmond Ouml;fner al zei: ‘Ik wil leven in het maximum. Hoe meer risico je neemt, hoe meer leven je voelt.’[/wpgpremiumcontent]