Een baby is nog maar een paar maanden oud en er komen al grappige geluidjes uit. Eerst nog wat kirrende eh’s en ah’s, maar al snel volgt het bekende ‘dada’ en ‘baba’. En dan, op een mooie dag, is daar het eerste woordje: vaak ‘mama’, maar ‘kikker’ kan ook.

In hun enthousiasme schrijven ouders (bij hun eerstgeborene) elk woord op dat hun kind uitbrengt. De eerste tien woorden zijn om nooit meer te vergeten. Daarna volgen in hoog tempo de volgende honderd en duizend woorden, en van de ene op de andere dag – zo lijkt het – spreekt het kind in mooie volzinnen: ‘Waar tanken tankauto’s eigenlijk?’ en ‘Als ik later groot ben, dan word ik balletdanseres.’

Grote stappen

De taalsprongen die kinderen de eerste jaren maken, zijn groot. Tot ongeveer het zesde jaar wordt de basis van de taal gelegd. Daarna begint het bijschaven, een proces dat minstens zo belangrijk is. De een neemt deze stappen wat sneller dan de ander, maar de volgorde is bij alle kinderen en in alle talen gelijk.

In die taalontwikkeling zijn vier belangrijke aspecten te onderscheiden. De fonologische ont­wikkeling (de klanken die een kind maakt), de semantische ontwikkeling (de betekenis van de woorden), de syntactische ontwikkeling (zinsbouw) en de morfologische (verbuigingen en ver­voegingen). Dit is ook de volgorde waarin een kind de taal leert.

Algemeen taalwetenschapper Margreet Luinge verfijnde deze vierdeling in de taalontwikkeling tot veertien stappen. Zo kon ze een screeningstest ontwikkelen waarmee consultatiebureau- en schoolartsen in drie minuten kunnen zien of een kind achterloopt bij leeftijdgenootjes. Uit een recent onderzoek van de Erasmus Universiteit in Rotterdam blijkt hoe belangrijk het is om taalproblemen vroegtijdig te signaleren. De test van Luinge, die eind vorig jaar aan de Rijks­universiteit Groningen promoveerde op haar onderzoek, lijkt daarvoor goed te werken: er wordt nu op een aantal consultatiebureaus mee geëxperimenteerd.

‘Jas aan!’

Een taalprobleem bestaat wanneer een kind achterloopt bij leeftijdsgenootjes. Daarom stelde Luinge eerst een lijst op van de veertien mijlpalen in de taalontwikkeling. Na de eerste kirrende klanken beginnen baby’s zo rond de drie maanden te tateren. Ze bewegen hun mond en maken alle mogelijke klanken, van het klikken van de tong tot een rollende R. Tussen de zevende en de tiende maand gaat een kind klanken imiteren die het in zijn eigen taal hoort. Dat brabbelen is heel belangrijk, want het kind leert zo de klank en de melodie van de taal. Een kind van tien maanden moet krachtige lettergrepen kunnen maken zoals ‘dada’ – een essentiële voor­bereiding op leren praten.

De eerste echte mijlpaal is het begrijpen van twee woordjes. Ook als een kind weinig zegt, kan het al veel begrijpen: taalbegrip gaat namelijk meestal vooraf aan taalproductie. Wanneer een kind een jaar en drie maanden is, moet het opdrachten van twee woorden kunnen begrijpen, zoals ‘jas aan’. Met ongeveer anderhalf moet een kind ook een eenvoudige handeling kunnen uitvoeren, zoals een lichaamsdeel aanwijzen. Luinge: ‘Als je vraagt: “Waar zit je neus?” moet het kind die zonder problemen kunnen aanwijzen. De helft van de kinderen kan dat met een jaar en drie maanden.’

Rond de eerste verjaardag komt meestal het eerste woord. De eerste losse woorden die een kind zegt, zijn eigenlijk hele korte zinnetjes. Zo verwijst het woord ‘sap’ naar een hele wereld van enorme dorst en zin in een beker met sap, het liefst nu meteen; maar het kan ook betekenen dat de beker met sap op de grond is gevallen.

Met een jaar en negen maanden moet een kind ongeveer tien woordjes kunnen zeggen. Die over­gang naar tien woorden is een grote stap voor kinderen, en valt samen met het moment dat een kind leert denken in mentale beelden: als het een hond ziet, weet het dat daar de klank ‘hond’ bij hoort, en andersom. Vanaf dat ­moment groeit de woordenschat razendsnel tot zo’n driehonderd woorden met twee jaar en ­ongeveer tweeduizend woorden met vijf jaar.

Taalregels toepassen

Vanaf het tweede jaar moet een kind zelf twee woorden achter elkaar kunnen zetten. De vlugste kinderen doen dit al met een jaar, de meeste beginnen hieraan met ongeveer anderhalf jaar. Veel ouders hebben pas nu het idee dat hun kind echt gaat praten. De volgorde doet er nog niet veel toe: ‘hier beer’ en ‘beer hier’ betekent nog precies hetzelfde.

Iets later, tot een jaar of tweeëneenhalf, gaat een kind driewoordzinnen gebruiken. Een belang­rijke stap, want daarmee begint het toepassen van ingewikkelde taalregels: driewoordzinnen zijn de eerste echte zinnen waarbij de volgorde van de woorden een belangrijke rol speelt. ‘Mama zoekt beer’ is namelijk niet hetzelfde als ‘Beer zoekt mama’. Ook met kleine vervoegingen die kinderen nu beheersen, kunnen ze de betekenis van een zin veranderen. Ze kunnen bijvoorbeeld het verschil maken tussen ‘ik heb eten’ en ‘ik heb gegeten’.

Tot een kind ongeveer drie jaar is, praat het vooral over zaken die het op dat moment ziet of meemaakt. Kleine kinderen hebben nog geen besef van tijd, dus praten over gisteren of zelfs een uur geleden is nog te abstract. Maar vanaf ongeveer drie jaar en vier maanden kunnen de meeste kinderen al spontaan een verhaaltje vertellen over iets wat ze zich herinneren of wat ze die dag hebben meegemaakt.

Luinge: ‘Een kind van deze leeftijd wil nog wel eens struikelen over woorden, omdat het van alles tegelijk wil vertellen en omdat het zo enthousiast is dat hij of zij iets kan vertellen.’

Expres fout?

Met vier jaar en vier maanden moet een kind lange zinnen kunnen maken en als-dan-constructies gebruiken: ‘Als ik later groot ben, dan wil ik graag kok worden.’ Met vijf jaar heeft een kind de taal vrijwel geautomatiseerd. ‘Qua taalgebruik moet het als een volwassene kunnen praten,’ zegt Luinge. ‘Het moet nu een zodanig grote woordenschat hebben, dat een behoorlijke dialoog mogelijk is.’

Rond deze leeftijd kan het voorkomen dat een kind woorden die het tot dan toe goed heeft gebruikt, onjuist gaat vervoegen. ‘Liep’ wordt dan opeens ‘loopte’, omdat het kind doorkrijgt dat er regels zijn voor het vervoegen en deze bewust (maar niet altijd correct) gaat toepassen.

Wat lijkt op een stap terug, is dus in feite een ontwikkelingssprong: je kind zegt je niet langer na, maar past zelf de regels toe. Het kan je nu opeens stralend aankijken en zeggen: ‘Mama, ik ben de goedste!’

Drieminutentest

De snel-test (Spraak- en taalNormen Eerste Lijns gezondheidszorg) van Luinge meet de veer­tien mijlpalen in de taalontwikkeling van kinderen tot zes jaar. Heeft het kind een mijlpaal op een bepaalde leeftijd nog niet bereikt, dan is dat een indicatie voor een taalprobleem.

De vragenlijst op deze pagina is bedoeld om globaal zicht te krijgen op de taalontwikkeling van uw kind. Of de conclusie bij alle kinderen klopt, weet Luinge nog niet zeker. ‘Wie zich zorgen maakt over de taalontwikkeling van zijn kind, doet er goed aan om advies te vragen aan een deskundige – een arts of verpleegkundige van het consultatiebureau, of een logopedist. Hun mening is doorslaggevend.’

 [/wpgpremiumcontent]