U maakt zich er zorgen over dat kinderen zo veel getoetst worden. Waarom?

– ‘Tijdens mijn spreekuur zie ik steeds meer kinderen aan wie niets mankeert. Zeker een derde van de wachtkamer is gevuld met overbezorgde ouders en kinderen die niet meer ontspannen kunnen zijn.’

Het Leerlingvolgsysteem van CITO, waarin kinderen jaarlijks getoetst worden, is toch alleen een methode om leerlingen in hun sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling te volgen?

– ‘Op zich wel, maar ook daarin schuilt een gevaar. Kinderen worden onderworpen aan een norm waaraan ze vaak nog niet kunnen voldoen. In de vroegkinderlijke ontwikkeling ontvouwen die hersenen zich heel variabel: het ene kind kan iets met vier jaar, het andere pas met zes. Dat hoeft nog niet te betekenen dat er een achterstand is.’

Maar mocht er iets aan de hand zijn, dan is het toch fijn dat je er vroeg bij bent?

– ‘Het is belangrijk dat kinderen met ernstige ontwikkelingsproblemen vroeg opgespoord worden. Maar dat doet de jeugdgezondheidszorg al. Dus je kunt ervan uitgaan dat de meeste kinderen die er niet uitgepikt zijn en naar de basisschool gaan, “gewone” kinderen zijn. Met al dat toetsen op bijvoorbeeld taalontwikkeling, kleurkennis en getalsbegrip checken we alleen of een kind wel “op niveau” is. En als dat even niet zo is, krijgt het een stempel. Terwijl het dan meestal niet om een ontwikkelingsprobleem gaat, maar gewoon om de aard van het kind.

We zijn te veel gaan denken dat kinderen maakbaar zijn. Twintig jaar geleden kwam ik veel in het Oostblok. Daar had men geen domme leerlingen, daar had men “een planmatige aanpak van volgen en sturen”. We keken daar toen met verbazing naar. Nu hebben we hier precies hetzelfde. Men vergeet dat er in de periode van nul tot zeven jaar een heel eigen ontwikkeling nodig is waardoor kinderen schoolrijp worden. Daar moeten we niet met het vergrootglas naar turen. Daarvan raken ouders alleen maar in ­paniek.’

Het probleem is dus niet het toetsen, maar het feit dat de uitslag niet goed wordt geïnterpreteerd.

– ‘Dat klopt. Niet alleen door de ouders, ook door de inspectie. Scholen moeten aan het eind van het jaar afrekenen met een product, en dat product is “hoeveel weten de leerlingen”. Ik kan daar zo boos over worden. Het hele systeem is er niet meer voor de kinderen, maar voor de controle op de leerkrachten.’

Het is toch goed om kinderen, leerkrachten en scholen te controleren en waar nodig te verbeteren?

– ‘Er wordt veel te technisch naar kinderen gekeken en te weinig gezegd: “Het is zo’n leuk, enthousiast kind.” Nee, hij heeft maar een score van tachtig. Ze worden uitgedrukt volgens de scores die ze halen. En dat heeft een enorm negatieve invloed op het zelfvertrouwen. Een kind dat extra aandacht moet hebben, krijgt snel door dat het niet goed genoeg is.’

Moeten we dat hele leerlingvolgsysteem weer afschaffen?

– ‘Mijn pleidooi: bied die kennis aan vanaf het moment dat het zelfvertrouwen voldoende ontwikkeld is, dus laat ze in de kleuterfase lekker kleuter zijn. Dit is de fase waarin dat drijfvermogen moet groeien. De één kan goed klimmen, de ander goed fietsen, en als je leerkrachten op de pabo’s goed opleidt kunnen ze zelf prima beoordelen hoe het met een kind gaat. Als kinderen voldoende drijfvermogen hebben zullen ze de kennisvakken beter aankunnen.’

Sieneke Goorhuis-Brouwer is pleitbezorger van het opnieuw invoeren van kleuterklassen. Ze heeft onlangs een boek geschreven over de vroegkinderlijke ontwikkeling met een extra accent op de taalontwikkeling: Een stevig fundament. verder is er van der twee congressen die ze vorig jaar over peuters en kleuters organiseerde, een verslag in boekvorm verschenen: Dolgedraaid. Mogen peuters nog peuteren en kleuters nog kleuteren?[/wpgpremiumcontent]